Sociale geografie
De tak van aardrijkskunde die onderzoekt hoe mensen de ruimte gebruiken, inrichten en verdelen.
Indicator
Een meetbaar kenmerk dat iets zegt over een groter verschijnsel.
Absolute armoede
Armoede waarbij mensen niet kunnen voorzien in basisbehoeften.
Basisbehoeften
Dingen die mensen nodig hebben om te overleven en menswaardig te leven, zoals voedsel, schoon drinkwater, veilige huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en sanitaire voorzieningen.
Internationale armoedegrens
Een grens in inkomen per dag waarmee internationale organisaties extreme armoede proberen te meten en landen kunnen vergelijken.
Relatieve armoede
Armoede in vergelijking met de levensstandaard van de samenleving waarin iemand leeft.
Welvaart
Materiële rijkdom en toegang tot goederen en diensten.
Welzijn
De kwaliteit van leven. Dit gaat bijvoorbeeld over gezondheid, veiligheid, onderwijs, vrijheid, schoon milieu en sociale zekerheid.
Ontwikkeling
Verbetering van welvaart, welzijn, gezondheid, onderwijs, veiligheid, infrastructuur, vrijheid en kansen in een gebied.
Ongelijkheid
Verschillen tussen mensen of gebieden in inkomen, vermogen, kansen, gezondheid, onderwijs, macht of toegang tot voorzieningen.
Economische indicator
Een meetbaar kenmerk dat iets zegt over de economie van een land of regio, zoals BBP, BBP per hoofd, koopkracht, BRP of werkloosheid.
BBP
Bruto Binnenlands Product. De totale waarde van alle goederen en diensten die in één jaar binnen een land worden geproduceerd.
BBP per hoofd
Het BBP gedeeld door het aantal inwoners.
Gemiddelde
Een rekenkundige uitkomst die een algemeen beeld geeft, maar verschillen binnen een groep of gebied kan verbergen.
Koopkracht
Wat je daadwerkelijk kunt kopen met je geld.
PPP
Purchasing Power Parity. Koopkrachtcorrectie waarmee inkomens tussen landen eerlijker kunnen worden vergeleken.
BRP
Bruto Regionaal Product. De economische productie van een regio.
Schaalniveau
Het ruimtelijke niveau waarop je naar een verschijnsel kijkt, bijvoorbeeld lokaal, regionaal, nationaal, continentaal of mondiaal.
Nationale schaal
Schaalniveau waarbij je kijkt naar een heel land.
Regionale schaal
Schaalniveau waarbij je kijkt naar een deelgebied binnen een land of wereldregio.
Schaalwisseling
Inzoomen of uitzoomen tussen verschillende schaalniveaus.
Regionale ongelijkheid
Verschillen in ontwikkeling, inkomen, werk, infrastructuur of voorzieningen tussen regio’s binnen een land.
Inkomensverdeling
De manier waarop inkomen over mensen of groepen in een samenleving is verdeeld.
Vermogensverdeling
De manier waarop bezit, spaargeld, aandelen, huizen en ander vermogen over mensen of groepen is verdeeld.
Werkloosheid
Situatie waarin mensen die kunnen en willen werken geen betaald werk hebben.
Lorenzcurve
Grafiek die laat zien hoe inkomen of vermogen verdeeld is over de bevolking.
Lijn van perfecte gelijkheid
Lijn in de Lorenzcurve waarbij elk deel van de bevolking precies hetzelfde deel van het inkomen krijgt.
Feitelijke Lorenzcurve
De werkelijke verdeling van inkomen of vermogen. Hoe verder deze curve onder de lijn van perfecte gelijkheid ligt, hoe groter de ongelijkheid.
Gini-coëfficiënt
Getal dat inkomensongelijkheid weergeeft. 0 betekent volledige gelijkheid, 1 betekent volledige ongelijkheid.
HDI
Human Development Index. Index voor menselijke ontwikkeling.
Levensstandaard
De mate waarin mensen beschikken over inkomen, goederen en diensten om goed te kunnen leven.
BNI
Bruto Nationaal Inkomen. Het totale inkomen van inwoners en bedrijven van een land.
BNI per hoofd
Het BNI gedeeld door het aantal inwoners, vaak gecorrigeerd voor koopkracht.
Levensverwachting
Het gemiddelde aantal jaren dat mensen in een land of gebied naar verwachting leven.
Onderwijsindicator
Indicator die iets zegt over het onderwijsniveau, bijvoorbeeld gemiddeld aantal schooljaren of verwacht aantal jaren onderwijs.
Good Governance
Goed bestuur. Bestuur dat betrouwbaar, controleerbaar, effectief, eerlijk en gericht op publieke doelen is.
Bestuur
De manier waarop een land, regio of organisatie wordt geleid en beslissingen neemt.
Publieke middelen
Geld en bezittingen van de overheid die bedoeld zijn voor publieke doelen, zoals onderwijs, zorg, infrastructuur en veiligheid.
Publieke doelen
Doelen die belangrijk zijn voor de samenleving als geheel, zoals goede wegen, scholen, zorg, veiligheid en rechtspraak.
Rechtsstaat
Staat waarin overheid en burgers aan de wet gebonden zijn.
Trias Politica
Scheiding der machten in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
Wetgevende macht
Macht die wetten maakt.
Uitvoerende macht
Macht die wetten uitvoert en beleid maakt.
Rechterlijke macht
Macht die controleert of wetten eerlijk worden toegepast.
Corruptie
Misbruik van publieke macht voor persoonlijk voordeel.
Vriendjespolitiek
Voordelen geven aan familie, vrienden of politieke bondgenoten in plaats van aan mensen die daar recht op hebben.
Steekpenningen
Geld of cadeaus die worden gegeven om iemand met macht illegaal te beïnvloeden.
Participatie
De mate waarin burgers kunnen meedoen aan politiek, besluitvorming, economie en samenleving.
Gelijkheid
Het principe dat burgers gelijke rechten, kansen en bescherming moeten hebben.
Transparantie
Openheid waardoor burgers kunnen controleren wat de overheid doet.
Doelgericht beleid
Beleid dat echte problemen probeert op te lossen, zoals onderwijs verbeteren, zorg versterken of infrastructuur onderhouden.
Prestigeproject
Groot en opvallend project waarmee machthebbers status willen tonen, maar dat niet altijd echte problemen oplost.
Informele sector
Economische activiteiten buiten de officiële economie.
Zwarte markt
Informele of illegale markt waar goederen of diensten buiten officiële regels en belastingen worden verhandeld.
Vicieuze cirkel
Proces waarbij een probleem zichzelf blijft versterken.
Vicieuze cirkel van slecht bestuur
Situatie waarin wantrouwen, slechte voorzieningen, lage belastinginkomsten en informele economie elkaar versterken.
Criminaliteit
Gedrag dat volgens de wet strafbaar is.
Segregatie
Ruimtelijke scheiding van bevolkingsgroepen.
Ruimtelijke segregatie
Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in aparte wijken of gebieden.
Gated community
Afgesloten en beveiligde woonwijk voor rijkere bewoners.
Sloppenwijk
Arme, dichtbevolkte wijk met slechte woningen en vaak weinig basisvoorzieningen.
Informele nederzetting
Woongebied dat zonder officiële planning, eigendomsrechten of voorzieningen is ontstaan.
Wereldverdeling
De manier waarop rijkdom, macht, ontwikkeling en kansen over de wereld zijn verdeeld.
Het Westen
Verzamelnaam voor landen die historisch, economisch en politiek sterk verbonden zijn met Europa, Noord-Amerika en liberale democratische instituties.
Global North
Verzamelnaam voor rijke, machtige en hoogontwikkelde landen. Het begrip is niet puur geografisch.
Global South
Verzamelnaam voor landen met een zwakkere positie in de wereldeconomie. Het begrip is niet puur geografisch.
Noord-zuidverhouding
Ongelijke verhouding tussen rijke, machtige landen in het Global North en armere of minder machtige landen in het Global South.
Centrum
Rijke en machtige gebieden in de wereldeconomie.
Periferie
Minder machtige gebieden die vaak afhankelijk zijn van grondstoffen, landbouwproducten of goedkope arbeid.
Semiperiferie
Gebieden tussen centrum en periferie in, vaak met industrie, groei en grote interne ongelijkheid.
Centrum-periferiemodel
Model dat de wereld indeelt in centrum, semiperiferie en periferie.
Centrum-periferieverhouding
Ongelijke verhouding tussen machtige centrumgebieden en afhankelijke perifere gebieden.
Wereldsysteem
Het geheel van centrum-, semiperiferie- en periferiegebieden en hun economische en politieke relaties.
Ongelijke ruil
Situatie waarin landen in de periferie relatief goedkope grondstoffen of arbeid leveren, terwijl centrumlanden duurdere bewerkte producten, technologie of diensten verkopen.
Kleptocratie
Bestuurssysteem waarin machthebbers staatsinkomsten gebruiken voor eigen verrijking.
Economische structuur
De manier waarop een land of regio zijn geld verdient.
Economische dimensie van globalisering
De kant van globalisering die gaat over handel, productie, geldstromen, bedrijven, arbeid en investeringen.
Primaire sector
Sector die producten rechtstreeks uit de natuur haalt.
Secundaire sector
Sector die grondstoffen verwerkt tot goederen.
Tertiaire sector
Sector van commerciële diensten.
Kwartaire sector
Sector van kennis, onderzoek, publieke voorzieningen en niet-commerciële diensten.
Commerciële landbouw
Landbouw die vooral gericht is op verkoop op de markt.
Zelfvoorzienende landbouw
Landbouw waarbij boeren vooral produceren voor eigen gebruik.
Subsistence farming
Engelse term voor zelfvoorzienende landbouw.
Grondstoffen
Natuurlijke hulpbronnen die economisch gebruikt kunnen worden, zoals olie, gas, koper, kobalt, goud of diamanten.
Natuurlijke hulpbronnen
Grondstoffen en energiebronnen die uit de natuur komen.
Grondstoffenexport
Het uitvoeren van ruwe of weinig bewerkte grondstoffen naar andere landen.
Resource trap
Situatie waarin grondstoffenrijkdom economische en politieke problemen versterkt.
Grondstoffenval
Nederlandse term voor resource trap.
Grondstoffenvloek
Andere term voor resource trap: grondstoffen zorgen niet automatisch voor ontwikkeling en kunnen problemen juist versterken.
Toe-eigening
Het naar zich toe trekken van opbrengsten, grond, macht of hulpbronnen door een kleine groep.
Appropriatie
Engelse term voor toe-eigening.
Exportvalorisatie
Meer waarde toevoegen aan exportproducten voordat ze worden verkocht.
Waarde toevoegen
Een product bewerken, verwerken, verpakken, merken of verkopen waardoor het meer waard wordt.
Waardetrap
Beeld voor de stappen waarin steeds meer waarde aan een product wordt toegevoegd.
Huisnijverheid
Productie thuis of in kleine werkplaatsen, vaak met de hand.
Industriële Revolutie
Overgang naar fabrieken, machines en massaproductie.
Industrialisatie
Proces waarbij industrie belangrijker wordt in de economie.
De-industrialisatie
Afname van het aandeel industrie in werkgelegenheid en economie.
Lagelonenland
Land waar de lonen gemiddeld lager liggen dan in centrumlanden.
Reshoring
Productie terughalen naar het eigen land.
Nearshoring
Productie verplaatsen naar landen dichterbij.
Friendshoring
Productie verplaatsen naar politiek bevriende landen.
Strategische sector
Sector die belangrijk is voor veiligheid, economie of zelfstandigheid van een land, zoals chips, medicijnen, batterijen, defensie, energie of voedsel.
Financiële dienstverlening
Diensten rond geld, kapitaal, risico en investeringen.
Zakelijke dienstverlening
Diensten die bedrijven helpen functioneren, zoals consultancy, marketing, juridische diensten, accountancy en ICT.
Internationale dienstverlening
Zakelijke diensten die internationaal worden geleverd.
Kenniseconomie
Economie waarin kennis, innovatie en informatie centraal staan.
Menselijk kapitaal
Kennis, vaardigheden, gezondheid en opleiding van mensen.
Human capital
Engelse term voor menselijk kapitaal.
Kapitaal
Geld, machines, gebouwen, technologie en andere middelen die gebruikt worden om te produceren of te investeren.
Kapitaalstromen
Bewegingen van geld en investeringen tussen landen, bedrijven en financiële markten.
Handel
Uitwisseling van goederen en diensten tussen mensen, bedrijven of landen.
Mondiale handel
Handel tussen landen en wereldregio’s in goederen, diensten, grondstoffen, kapitaal en technologie.
Import
Het invoeren van goederen of diensten uit het buitenland.
Export
Het uitvoeren van goederen of diensten naar het buitenland.
Handelsbalans
Het verschil tussen de waarde van de export en de waarde van de import van een land.
Handelsroute
Route waarlangs goederen, diensten, kapitaal of informatie worden verplaatst tussen gebieden.
Comparatief voordeel
Relatief goedkoper of efficiënter kunnen produceren dan andere gebieden.
Interactietheorie van Ullman
Theorie die verklaart wanneer ruimtelijke interactie ontstaat.
Ruimtelijke interactie
Stromen of verbindingen tussen gebieden, zoals handel, migratie, verkeer of communicatie.
Complementariteit
Situatie waarin twee gebieden elkaar aanvullen met vraag en aanbod.
Transporteerbaarheid
Mate waarin iets praktisch en betaalbaar te vervoeren is.
Tussenliggende mogelijkheden
Alternatieven dichterbij of goedkoper die een handelsstroom kunnen vervangen.
Mondiale arbeidsverdeling
Verdeling van werk en productie over de wereld.
Internationale arbeidsverdeling
De verdeling van verschillende soorten werk en productie over landen.
Nieuwe internationale arbeidsverdeling
Moderne verdeling waarbij verschillende stappen van één productieproces in verschillende landen plaatsvinden.
Productieketen
Alle stappen van grondstof tot eindproduct, verkoop en winstverdeling.
Assemblage
Het in elkaar zetten van onderdelen tot een eindproduct.
Ketenmacht
Macht binnen een productieketen. Bedrijven die ontwerp, merk, data, verkoop of technologie controleren, hebben vaak meer ketenmacht dan bedrijven die alleen assembleren.
Ruilvoet
Verhouding tussen exportprijzen en importprijzen.
Slechte ruilvoet
Situatie waarin een land veel goedkope exportproducten moet verkopen om dure importproducten te kunnen kopen.
Monocultuur
Landbouwsysteem waarbij een gebied sterk afhankelijk is van één gewas of exportproduct.
Bodemuitputting
Achteruitgang van de vruchtbaarheid van de bodem door intensief gebruik.
Vestigingsfactor
Reden waarom bedrijven of mensen zich op een bepaalde plek vestigen.
Outsourcing
Het uitbesteden van werk of diensten aan een ander bedrijf of aan werknemers in een ander land.
Urbanisatie
Verstedelijking: het proces waarbij een steeds groter deel van de bevolking in steden woont.
Urbanisatiegraad
Percentage van de bevolking dat in steden woont.
Urbanisatietempo
Snelheid waarmee de stedelijke bevolking of urbanisatiegraad groeit.
Stad
Dichtbebouwde nederzetting met veel inwoners, functies en voorzieningen.
Metropool
Grote stad met belangrijke economische, politieke, culturele of bestuurlijke functies.
Megastad
Stad met meer dan 10 miljoen inwoners.
Wereldstad
Stad met een belangrijke rol in mondiale netwerken van geld, handel, politiek, cultuur, informatie en besluitvorming.
Global city
Engelse term voor wereldstad.
Stedelijk netwerk
Netwerk van steden die sterk verbonden zijn door stromen van goederen, mensen, geld, kennis, informatie en diensten.
Mondiale netwerken
Wereldwijde verbindingen tussen steden, bedrijven, landen en mensen via handel, geld, informatie, transport, cultuur en migratie.
Achterland
Gebied in het binnenland dat voor import en export afhankelijk is van een haven, luchthaven of ander logistiek knooppunt.
Agglomeratievoordelen
Voordelen die ontstaan doordat mensen, bedrijven, infrastructuur en voorzieningen dicht bij elkaar zitten.
Agglomeratienadelen
Nadelen van sterke concentratie, zoals files, vervuiling, hoge huizenprijzen en ruimtegebrek.
Stedelijke concentratie
Samenballing van mensen, bedrijven en voorzieningen in steden.
Knooppunt
Plaats waar veel stromen samenkomen, zoals goederen, mensen, informatie of geld.
CBD
Central Business District. Het centrale zakencentrum van een stad.
Drempelwaarde
Het minimumaantal klanten, gebruikers of inwoners dat nodig is om een voorziening te laten bestaan.
Informele nederzetting
Woongebied dat vaak zonder officiële planning, eigendomsrechten of basisvoorzieningen is ontstaan.
Sloppenwijk
Arme wijk met slechte woningen en vaak weinig basisvoorzieningen.
Duale stad
Stad waarin rijkdom en armoede sterk naast elkaar bestaan.
Duale arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt met aan de ene kant goedbetaalde, zekere banen en aan de andere kant laagbetaalde, onzekere banen.
Laagbetaalde arbeid
Werk waarvoor weinig loon wordt betaald, bijvoorbeeld schoonmaak, bezorging, horeca, bouw, zorg of informele diensten.
Segregatie
Gescheiden leven of wonen van groepen mensen, bijvoorbeeld op basis van inkomen, afkomst, religie of opleidingsniveau.
Ruimtelijke segregatie
Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in aparte wijken of gebieden.
Objectieve onveiligheid
Onveiligheid die meetbaar is, bijvoorbeeld met cijfers over criminaliteit, geweld of ongelukken.
Subjectieve onveiligheid
Het gevoel van onveiligheid dat mensen ervaren, ook als de meetbare criminaliteit niet hoog hoeft te zijn.
Uitsluitingsmechanisme
Proces waardoor bepaalde groepen minder toegang krijgen tot woningen, banen, onderwijs, veiligheid, macht of voorzieningen.
Duurzame stad
Stad die economische ontwikkeling, leefbaarheid en milieubescherming probeert te combineren.
Smart city
Stad die digitale technologie, data en sensoren gebruikt om verkeer, energie, veiligheid, afval, water en voorzieningen efficiënter te organiseren.
Verticale landbouw
Landbouw in gebouwen of gestapelde lagen, vaak met technologie om water, licht en voedingsstoffen nauwkeurig te regelen.
Commandocentrum [VWO]
Een plek van waaruit mondiale netwerken worden aangestuurd.
Kosmopolitisme [VWO]
Open, internationale levensstijl waarbij mensen zich verbonden voelen met de wereld als geheel.
Hoofdkantoor
Centrale vestiging van een bedrijf waar belangrijke beslissingen worden genomen.
Kenniscentrum
Gebied, stad of instelling waar veel kennis, onderzoek, onderwijs en innovatie samenkomen.
Economische cluster
Geografische concentratie van bedrijven, kennisinstellingen en voorzieningen uit dezelfde of verwante sectoren.
Hub
Centraal knooppunt in een netwerk.
Spokes [VWO]
Kleinere verbindingen in een hub-and-spoke-netwerk.
Hub-and-spoke-netwerk [VWO]
Netwerk waarbij één centraal knooppunt verbonden is met kleinere punten.
Mainport
Belangrijk logistiek knooppunt voor internationale goederen- of personenstromen.
Mainportregio [VWO]
Gebied rond een mainport dat sterk verbonden is met internationale handel, transport, logistiek en distributie.
Megalopolis [VWO]
Groot aaneengesloten stedelijk gebied waarin meerdere metropolen, suburbs en infrastructuurassen bijna aan elkaar zijn vastgegroeid.
Ruimtelijke geleding [VWO]
De manier waarop een stad intern is opgedeeld in verschillende functionele gebieden.
Suburbs [VWO]
Voorstedelijke woongebieden aan de rand van een stad.
Suburbanisatie
Het proces waarbij mensen en functies uit de centrale stad naar de voorsteden verhuizen.
Edge city [VWO]
Nieuw stedelijk subcentrum aan de rand van een metropool.
Gated community [VWO]
Afgesloten en beveiligde woonwijk voor rijkere bewoners.
Getto [VWO]
In de Amerikaanse context: achterstandswijk waarin armoede, etnische concentratie en historische uitsluiting langdurig samenkomen.
Sociale polarisatie [VWO]
Proces waarbij tegenstellingen tussen groepen in de samenleving groter worden.
Sociale cohesie [VWO]
De onderlinge verbondenheid en het vertrouwen tussen mensen in een samenleving of stad.
Pacific Rim [VWO]
Economische zone rond de Grote Oceaan.
Globalisering
Proces waarbij gebieden, economieën, culturen en mensen wereldwijd steeds sterker verbonden raken.
Tijd-ruimtecompressie
Het kleiner worden van relatieve afstand door sneller transport en snellere communicatie.
Relatieve afstand
Afstand gemeten in tijd, kosten of bereikbaarheid.
Oude handelsnetwerken
Historische netwerken van handel en uitwisseling, zoals de Zijderoute, Indische Oceaanroutes, Sahararoutes en Middellandse Zeeroutes.
Europese expansie
De uitbreiding van Europese invloed over andere delen van de wereld vanaf de vijftiende eeuw.
Columbian exchange
Uitwisseling van planten, dieren, mensen, ziektes en producten tussen de Oude Wereld en Amerika.
Handelspost
Strategisch punt voor handel, opslag, controle en militaire bescherming.
VOC
Verenigde Oostindische Compagnie. Nederlandse handelscompagnie met politieke en militaire macht.
Handelsmonopolie
Alleenrecht op handel in een bepaald product of gebied.
Gewapende handel
Handel die met militaire macht, dwang of geweld wordt afgedwongen.
Trans-Atlantische slavenhandel
Gedwongen vervoer van Afrikanen naar Amerika voor arbeid in koloniale economieën.
Driehoekshandel
Handelssysteem tussen Europa, Afrika en Amerika.
Kolonialisme
Systeem waarbij een land politieke en economische controle uitoefent over een ander gebied.
Kolonie
Gebied dat door een ander land wordt bestuurd en vaak economisch wordt gebruikt voor grondstoffen, arbeid of afzetmarkten.
Imperialisme
Uitbreiding van macht over andere gebieden door kolonisatie, militaire macht, economische druk of politieke controle.
Scramble for Africa
Snelle Europese verdeling van Afrika in de late negentiende eeuw.
Koloniale grenzen
Grenzen die door koloniale machten zijn getrokken, vaak zonder rekening te houden met bestaande volken, talen, handelsnetwerken of landschappen.
Vestigingskolonie
Kolonie waar grote groepen kolonisten permanent gingen wonen.
Exploitatiekolonie
Kolonie die vooral werd ingericht om grondstoffen, landbouwproducten of arbeid te leveren.
Plantage
Grootschalig landbouwbedrijf, vaak gericht op exportgewassen zoals katoen, suiker, koffie, cacao of rubber.
Koloniale infrastructuur
Wegen, spoorwegen, havens en andere verbindingen die in koloniën vaak vooral werden aangelegd voor export.
Dekolonisatie
Proces waarbij koloniën politieke onafhankelijkheid kregen.
Politieke onafhankelijkheid
Situatie waarin een land formeel een eigen regering, vlag, grondwet en internationale status heeft.
Economische afhankelijkheid
Situatie waarin een land voor geld, technologie, exportmarkten of bedrijven sterk afhankelijk blijft van andere landen.
Neokolonialisme
Voortbestaan van economische of geopolitieke afhankelijkheid na politieke onafhankelijkheid.
Concessie
Toestemming aan een bedrijf om hulpbronnen of gebieden economisch te exploiteren.
Partition
De deling van Brits-Indië in India en Pakistan in 1947.
Hedendaagse globalisering
De huidige fase van globalisering, waarin handel, productie, kapitaal, informatie, technologie, migratie en cultuur wereldwijd sterk met elkaar verbonden zijn.
Globalisering
Het proces waarbij gebieden, mensen, bedrijven en landen wereldwijd steeds sterker met elkaar verbonden raken.
Economische globalisering
De wereldwijde verbondenheid van economieën door handel, productie, investeringen, bedrijven, kapitaalstromen en arbeidsverdeling.
Technologische globalisering
Het proces waarbij technologie, digitale netwerken, kennis en technische producten wereldwijd verspreid en verbonden raken.
Triade
De drie traditionele economische machtsblokken in de wereld: Noord-Amerika, West-Europa en Oost-Azië.
Economisch machtsblok
Groep landen of regio’s met veel invloed op wereldhandel, productie, kapitaal, technologie en besluitvorming.
MNO
Multinationale onderneming. Bedrijf dat actief is in meerdere landen.
Multinationale onderneming
Bedrijf dat in meerdere landen actief is met productie, verkoop, hoofdkantoren, dochterbedrijven of investeringen.
Dochterbedrijf
Bedrijf dat eigendom is van een groter moederbedrijf, vaak gevestigd in een ander land.
Hoofdkantoor
Centrale vestiging van een bedrijf waar belangrijke beslissingen worden genomen.
Ketenmacht
Macht binnen een productieketen. Bedrijven die ontwerp, merk, data, verkoop of technologie controleren, hebben vaak meer macht dan bedrijven die alleen assembleren.
Productieketen
Alle stappen die nodig zijn om een product te maken en bij de consument te krijgen.
Mondiale productieketen
Productieketen waarvan verschillende stappen verspreid zijn over meerdere landen.
Internationale arbeidsverdeling
De verdeling van verschillende soorten werk en productie over landen.
Mondiale arbeidsverdeling
De wereldwijde verdeling van arbeid en productie.
Nieuwe internationale arbeidsverdeling
De moderne verdeling van productie over de wereld, waarbij verschillende stappen van één productieketen op verschillende plekken plaatsvinden.
Arbeidsintensieve productie
Productie waarbij veel menselijke arbeid nodig is.
Kapitaalintensieve productie
Productie waarbij veel machines, technologie en investeringen nodig zijn.
Assemblage
Het in elkaar zetten van onderdelen tot een eindproduct.
Lagelonenland
Land waar de lonen gemiddeld lager liggen dan in centrumlanden.
Outsourcing
Het uitbesteden van werk of diensten aan een ander bedrijf of aan werknemers in een ander land.
Offshoring
Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar een ander land.
FDI
Foreign Direct Investment. Buitenlandse directe investeringen.
Foreign Direct Investment
Buitenlandse directe investeringen, waarbij een bedrijf investeert in productie, bedrijven, infrastructuur of vestigingen in een ander land.
Kapitaal
Geld, machines, gebouwen, technologie en andere middelen die gebruikt worden om te produceren of te investeren.
Kapitaalstromen
Bewegingen van geld en investeringen tussen landen, bedrijven en financiële markten.
Interdependentie
Wederzijdse afhankelijkheid tussen gebieden, landen, bedrijven of mensen.
Economische interdependentie
Wederzijdse afhankelijkheid tussen economieën door handel, investeringen, productie en kapitaalstromen.
Specialisatie
Proces waarbij landen, regio’s of bedrijven zich richten op bepaalde producten, diensten of productiestappen.
Toegevoegde waarde
De extra waarde die ontstaat wanneer een product wordt bewerkt, ontworpen, verpakt, gemerkt of verkocht.
Waarde toevoegen
Een product of dienst meer waard maken door verwerking, kennis, technologie, merk, ontwerp of dienstverlening.
Exportvalorisatie
Het toevoegen van waarde aan producten voordat ze worden geëxporteerd.
Kennisintensieve productie
Productie waarbij kennis, onderzoek, technologie en innovatie belangrijk zijn.
Kenniseconomie
Economie waarin kennis, onderwijs, onderzoek, technologie, informatie en innovatie belangrijker worden dan eenvoudige productie.
Innovatie
Het ontwikkelen en toepassen van nieuwe ideeën, technieken, producten of werkwijzen.
Menselijk kapitaal
De kennis, vaardigheden, gezondheid en opleiding van mensen.
Human capital
Engelse term voor menselijk kapitaal.
Global shift
Verschuiving van het economische zwaartepunt in de wereld, vooral van Europa en Noord-Amerika richting Azië.
Pacific Rim
Economische zone rond de Grote Oceaan, met onder andere delen van Noord-Amerika, Latijns-Amerika, Oost-Azië, Zuidoost-Azië en Oceanië.
Werkplaats van de wereld
Bijnaam voor een land of regio waar veel goederen voor de wereldmarkt worden geproduceerd of geassembleerd.
China als werkplaats van de wereld
De rol van China als belangrijk productieland voor de wereldmarkt, vooral door lage lonen, infrastructuur, exportzones en buitenlandse investeringen.
Socialisme met Chinese kenmerken
Chinees model waarbij economische marktwerking en buitenlandse investeringen worden gecombineerd met sterke politieke controle door de Communistische Partij.
Staatsgeleid kapitalisme
Economisch systeem waarbij marktwerking en bedrijven bestaan, maar de staat sterk stuurt via industriebeleid, investeringen, regels en strategische keuzes.
Planeconomie
Economisch systeem waarin de staat bepaalt wat er wordt geproduceerd, hoeveel er wordt geproduceerd en tegen welke voorwaarden.
Speciale Economische Zone
Gebied waar andere economische regels gelden om buitenlandse investeringen en exportproductie aan te trekken.
SEZ
Afkorting van Speciale Economische Zone.
Nieuwe Zijderoute
Chinees infrastructuur- en investeringsproject dat Azië, Afrika, Europa en het Midden-Oosten sterker met China moet verbinden.
Belt and Road Initiative
Engelse naam voor de Nieuwe Zijderoute.
BRI
Afkorting van Belt and Road Initiative.
Infrastructuurproject
Project waarbij wegen, spoorwegen, havens, vliegvelden, energievoorziening of digitale netwerken worden aangelegd of verbeterd.
Economische corridor
Gebied of route waarin infrastructuur, handel, transport en investeringen sterk worden ontwikkeld.
Wereldeconomie
Het geheel van economische relaties tussen landen, bedrijven, regio’s en mensen op wereldschaal.
Mondiale netwerken
Wereldwijde verbindingen tussen steden, bedrijven, landen en mensen via handel, geld, informatie, transport, cultuur en migratie
Neoliberalisme [VWO]
Politiek-economische stroming die veel nadruk legt op vrije markt, privatisering, deregulering, liberalisering en een kleinere rol van de overheid.
Vrije markt [VWO]
Economisch systeem waarin vraag en aanbod, concurrentie en bedrijven veel ruimte krijgen.
Marktwerking [VWO]
Proces waarbij prijzen, productie en verdeling vooral worden bepaald door vraag en aanbod.
Concurrentie [VWO]
Wedstrijd tussen bedrijven, landen of werknemers om klanten, winst, investeringen of banen.
Deregulering [VWO]
Het verminderen of afschaffen van regels door de overheid, vaak om markten vrijer te laten werken.
Privatisering [VWO]
Het overdragen van overheidstaken of staatsbedrijven aan particuliere bedrijven.
Liberalisering [VWO]
Het vrijer maken van markten door handelsbelemmeringen, regels of beperkingen te verminderen.
Handelsliberalisering [VWO]
Het verminderen van handelsbarrières tussen landen.
Kapitaalliberalisering [VWO]
Het vrijer maken van internationale kapitaalstromen.
Financiële markten [VWO]
Markten waarop geld, aandelen, obligaties, leningen en andere financiële producten worden verhandeld.
Financiële globalisering [VWO]
Wereldwijde verwevenheid van financiële markten en kapitaalstromen.
Belastingontwijking [VWO]
Het legaal gebruiken van constructies om minder belasting te betalen.
Belastingparadijs [VWO]
Land of gebied met zeer lage belastingen en gunstige regels voor bedrijven of vermogende personen.
Race to the bottom [VWO]
Proces waarbij landen regels, belastingen of lonen verlagen om bedrijven en investeringen aan te trekken.
Publieke voorzieningen [VWO]
Voorzieningen die belangrijk zijn voor de samenleving, zoals onderwijs, zorg, openbaar vervoer, veiligheid en infrastructuur.
Verzorgingsstaat [VWO]
Staat waarin de overheid burgers beschermt tegen sociale risico’s zoals ziekte, werkloosheid, ouderdom en armoede.
Austeriteit [VWO]
Bezuinigingsbeleid waarbij de overheid uitgaven verlaagt om schulden of tekorten te verminderen.
Sociale ongelijkheid [VWO]
Verschillen tussen groepen in inkomen, vermogen, kansen, macht of toegang tot voorzieningen.
Economische groei [VWO]
Toename van de productie van goederen en diensten in een economie.
Winstmaximalisatie [VWO]
Het streven van bedrijven om zo veel mogelijk winst te maken.
Aandeelhouderswaarde [VWO]
Het belang van aandeelhouders, vaak gericht op winst, dividend en stijgende aandelenkoersen.
Externaliteiten [VWO]
Kosten of baten van productie of consumptie die niet volledig in de marktprijs worden meegenomen.
Marktfalen [VWO]
Situatie waarin de vrije markt niet vanzelf leidt tot een wenselijke of eerlijke uitkomst.
Grenzen van globalisering
De economische, politieke, sociale en ecologische problemen die ontstaan doordat landen en bedrijven wereldwijd sterk met elkaar verbonden zijn.
Tegenreactie op globalisering
Reactie waarbij landen, groepen of burgers zich verzetten tegen bepaalde gevolgen van globalisering.
Protectionisme
Beleid waarbij een land de eigen economie beschermt tegen buitenlandse concurrentie.
Handelsbelemmering
Maatregel die internationale handel moeilijker of duurder maakt.
Invoerheffing
Belasting op producten die uit het buitenland worden ingevoerd.
Importtarief
Andere term voor invoerheffing.
Subsidie
Financiële steun van de overheid aan bedrijven, sectoren of burgers.
Importquotum
Maximumaantal producten dat uit het buitenland mag worden ingevoerd.
Quotum
Een maximumaantal dat wordt toegestaan, bijvoorbeeld bij import of migratie.
Vrije handel
Handel tussen landen met zo weinig mogelijk handelsbelemmeringen.
Vrijhandelsverdrag
Verdrag tussen landen waarin zij afspreken handelsbelemmeringen te verminderen of af te schaffen.
Handelsconflict
Conflict tussen landen over handel, tarieven, subsidies, markttoegang of handelsregels.
Economisch nationalisme
Beleid waarbij het nationale economische belang centraal staat en buitenlandse afhankelijkheid wordt beperkt.
Strategische afhankelijkheid
Situatie waarin een land afhankelijk is van andere landen voor belangrijke producten, grondstoffen, technologie of energie.
Strategische autonomie
Het vermogen van een land of regio om zelf te beschikken over belangrijke grondstoffen, technologie, energie, voedsel, defensie of infrastructuur.
Kritieke grondstoffen
Grondstoffen die economisch belangrijk zijn en waarvan de levering kwetsbaar is.
Kritieke producten
Producten die belangrijk zijn voor veiligheid, gezondheid of economie, zoals medicijnen, chips, batterijen, voedsel of energie.
Reshoring
Het terughalen van productie naar het eigen land.
Nearshoring
Het verplaatsen van productie naar een land dat dichter bij de afzetmarkt ligt.
Friendshoring
Het verplaatsen van productie naar landen die politiek betrouwbaar of bevriend zijn.
Leveringszekerheid
De zekerheid dat belangrijke producten, grondstoffen of energie beschikbaar blijven.
Kwetsbare productieketen
Productieketen die snel verstoord kan raken door oorlog, pandemieën, natuurrampen, politieke conflicten of transportproblemen.
Energietransitie
De overgang van fossiele energie naar duurzamere energiebronnen, zoals zon, wind en batterijen.
Afwenteling
Het doorschuiven van negatieve gevolgen naar een andere plek, groep of tijd.
Afwenteling in ruimte
Het doorschuiven van negatieve gevolgen naar andere gebieden.
Afwenteling in tijd
Het doorschuiven van negatieve gevolgen naar toekomstige generaties.
Externe kosten
Kosten van productie of consumptie die niet in de prijs zitten, maar worden betaald door anderen of door de natuur.
Externaliteiten
Effecten van productie of consumptie op anderen die niet volledig in de marktprijs worden meegenomen.
Verborgen kosten
Kosten die niet zichtbaar zijn in de winkelprijs, zoals milieuschade, lage lonen, gezondheidsproblemen of klimaatschade.
Echte prijs
Prijs waarin ook sociale en ecologische kosten worden meegerekend.
Lineaire economie
Economie volgens het patroon: grondstoffen winnen, producten maken, gebruiken en weggooien.
Take, make, waste
Beschrijving van de lineaire economie: grondstoffen winnen, producten maken, gebruiken en weggooien.
Circulaire economie
Economie waarin producten, materialen en grondstoffen zo lang mogelijk worden hergebruikt, gerepareerd en gerecycled.
Recycling
Het opnieuw gebruiken van materialen uit afval om nieuwe producten te maken.
Hergebruik
Het opnieuw gebruiken van producten of onderdelen zonder ze meteen weg te gooien.
Reparatie
Het herstellen van producten zodat ze langer meegaan.
Grondstofuitputting
Het opraken of moeilijker beschikbaar worden van grondstoffen door intensief gebruik.
Ecologische schade
Schade aan natuur, bodem, water, lucht, biodiversiteit of klimaat.
CO₂-uitstoot
Uitstoot van koolstofdioxide, een belangrijk broeikasgas.
Klimaatverandering
Verandering van het klimaat door natuurlijke processen en menselijke uitstoot van broeikasgassen.
Overconsumptie
Consumptie die groter is dan wat duurzaam of eerlijk is op lange termijn.
Fast fashion
Snel geproduceerde en goedkope kleding die vaak kort wordt gebruikt en snel wordt vervangen.
Ultra-fast e-commerce
Zeer snelle online verkoop van goedkope producten, vaak met korte productcycli en wereldwijde distributie.
Flexibilisering
Proces waarbij werk minder vast en zeker wordt, bijvoorbeeld door tijdelijke contracten, oproepwerk of platformwerk.
Platformwerk
Werk dat via digitale platforms wordt georganiseerd, zoals bezorging, taxiwerk of losse online opdrachten.
Precarisering
Proces waarbij werk en inkomen onzekerder worden.
Trade-off
Afweging waarbij winst op het ene gebied verlies of nadelen op een ander gebied kan veroorzaken.
Culturele globalisering
Het proces waarbij cultuurkenmerken zich wereldwijd verspreiden door media, migratie, handel, toerisme en internet.
Sociaal-culturele dimensie van globalisering
De kant van globalisering die gaat over cultuur, media, taal, religie, leefstijlen, identiteit en culturele verspreiding.
Cultuur
Alles wat mensen leren, delen en doorgeven binnen een groep, zoals taal, gewoonten, waarden, normen, eten, kleding, muziek en religie.
Cultuurkenmerk
Onderdeel van een cultuur, zoals taal, kleding, voedsel, muziek, architectuur, religie of gewoonte.
Global Village
Beeldspraak voor een wereld waarin mensen door media, internet, handel en migratie steeds sterker met elkaar verbonden zijn.
Mondiale cultuur
Cultuuruitingen die wereldwijd herkenbaar zijn, zoals internationale merken, films, muziek, platforms of sportevenementen.
Massacultuur
Cultuur die via media en commercie op grote schaal wordt verspreid.
Popcultuur
Populaire cultuur, zoals muziek, films, series, games, mode, sport en sociale media.
Lingua franca
Een gemeenschappelijke taal die mensen met verschillende moedertalen gebruiken om met elkaar te communiceren.
Engels als wereldtaal
De rol van Engels als dominante taal in handel, wetenschap, technologie, toerisme, diplomatie en internet.
Amerikanisering
Het proces waarbij Amerikaanse cultuur, producten, merken, media en leefstijlen zich verspreiden over andere delen van de wereld.
Verwestering
Proces waarbij westerse normen, waarden, producten, instellingen of leefstijlen invloed krijgen in andere gebieden.
Culturele diffusie
De verspreiding van cultuurkenmerken van het ene gebied naar het andere.
Diffusie
Verspreiding van verschijnselen, ideeën, producten of cultuurkenmerken over gebieden.
Culturele homogenisering
Het proces waarbij culturen meer op elkaar gaan lijken door globalisering.
Culturele hybridisering
Het ontstaan van nieuwe mengvormen doordat elementen van verschillende culturen samenkomen.
Glokalisering
Het aanpassen van een wereldwijd product, merk of idee aan lokale smaken, regels, gewoonten of culturen.
Lokale cultuur
Cultuur die sterk verbonden is met een specifieke plaats, regio, taal, groep of geschiedenis.
Culturele identiteit
Het gevoel van verbondenheid met een bepaalde cultuur, groep, taal, religie, regio of geschiedenis.
Identiteit
Het beeld dat mensen van zichzelf hebben en de manier waarop zij zich verbonden voelen met groepen, plaatsen of waarden.
Culturele diversiteit
Verscheidenheid aan culturen, talen, religies, gewoonten en leefstijlen.
Culturele weerstand
Verzet tegen culturele globalisering, bijvoorbeeld omdat mensen hun taal, tradities, religie of lokale identiteit willen beschermen.
Toerisme
Het tijdelijk reizen naar andere gebieden voor ontspanning, cultuur, natuur, familiebezoek of zaken.
Culturele uitwisseling
Proces waarbij culturen elementen van elkaar overnemen, aanpassen of mengen.
Media
Middelen waarmee informatie, beelden en cultuur worden verspreid, zoals televisie, internet, kranten, films en sociale media.
Sociale media
Digitale platforms waarop mensen informatie, beelden, meningen en cultuur delen.
Streamingdiensten
Online diensten waarmee films, series, muziek of andere media direct bekeken of beluisterd kunnen worden.
Consumptiecultuur
Cultuur waarin kopen, merken, trends en levensstijl een grote rol spelen.
Andersglobalisten [VWO]
Groepen die niet tegen internationale verbondenheid zijn, maar wel pleiten voor een eerlijkere, duurzamere en democratischere vorm van globalisering.
Antiglobalisten [VWO]
Groepen die zich verzetten tegen globalisering, vooral omdat zij vinden dat multinationals, vrije handel en internationale organisaties te veel macht hebben.
Culturele macht [VWO]
Invloed op hoe mensen denken, kijken, spreken, consumeren en zichzelf of anderen zien.
Culturele dominantie [VWO]
Situatie waarin één cultuur veel meer invloed heeft dan andere culturen.
Westerse dominantie [VWO]
Dominantie van westerse landen, bedrijven, media, talen of waarden in mondiale processen.
Cultureel imperialisme [VWO]
Verspreiding van dominante cultuur waarbij lokale culturen onder druk komen te staan.
Soft power [VWO]
Macht door aantrekkingskracht, cultuur, waarden, media, onderwijs, diplomatie of imago.
Universele mensenrechten [VWO]
Rechten die voor alle mensen zouden moeten gelden, ongeacht land, cultuur, religie of afkomst.
Lokale identiteit [VWO]
Identiteit die sterk verbonden is met een specifieke plaats, regio, taal, geschiedenis of gemeenschap.
Duurzame globalisering [VWO]
Vorm van globalisering waarbij economische verbondenheid rekening houdt met mens, milieu en toekomstige generaties.
Eerlijke handel [VWO]
Handel waarbij producenten een rechtvaardige prijs krijgen en arbeidsrechten en milieuregels worden gerespecteerd.
Fair trade [VWO]
Engelse term voor eerlijke handel.
Demografie
De wetenschap die de omvang, samenstelling, spreiding en ontwikkeling van de bevolking onderzoekt.
Bevolking
Alle inwoners van een bepaald gebied.
Bevolkingsomvang
Het totale aantal inwoners van een gebied.
Bevolkingssamenstelling
De opbouw van de bevolking, bijvoorbeeld naar leeftijd, geslacht, afkomst, opleiding of inkomen.
Bevolkingsdichtheid
Het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer.
Bevolkingsspreiding
De manier waarop mensen daadwerkelijk over een gebied verdeeld zijn.
Dichtbevolkt gebied
Gebied waar veel mensen op een relatief kleine oppervlakte wonen.
Dunbevolkt gebied
Gebied waar weinig mensen op een relatief grote oppervlakte wonen.
Overbevolking
Situatie waarin de bevolking groter is dan wat de beschikbare middelen, ruimte, voorzieningen of economie goed kunnen dragen.
Rurale gebieden
Landelijke gebieden met relatief lage bevolkingsdichtheid en vaak veel landbouw, natuur of kleine dorpen.
Urbane gebieden
Stedelijke gebieden met een hoge concentratie van inwoners, bebouwing, voorzieningen en werkgelegenheid.
Bevolkingsdiagram
Een diagram dat laat zien hoe de bevolking is verdeeld naar leeftijd en geslacht.
Bevolkingspiramide
Een bevolkingsdiagram waarin de leeftijdsopbouw van een bevolking zichtbaar wordt. Meestal staan mannen links, vrouwen rechts en jonge leeftijdsgroepen onderaan.
Leeftijdsopbouw
De verdeling van de bevolking over verschillende leeftijdsgroepen.
Geboortecijfer
Het aantal levendgeborenen per duizend inwoners per jaar.
Sterftecijfer
Het aantal sterfgevallen per duizend inwoners per jaar.
Vruchtbaarheidscijfer
Het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw tijdens haar vruchtbare levensjaren krijgt.
Fertility rate
Engelse term voor vruchtbaarheidscijfer.
Demografisch vervangingsniveau
Het vruchtbaarheidscijfer dat nodig is om een bevolking op lange termijn ongeveer gelijk te houden zonder migratie. Dit ligt meestal rond 2,1 kinderen per vrouw.
Vervangingsniveau
Kortere term voor demografisch vervangingsniveau.
Natuurlijke bevolkingsgroei
Bevolkingsgroei door geboorte en sterfte, zonder migratie mee te tellen.
Natuurlijke groei
Het verschil tussen het aantal geboorten en het aantal sterfgevallen.
Geboorteoverschot
Situatie waarin er meer mensen worden geboren dan er sterven. De bevolking groeit dan op natuurlijke wijze.
Sterfteoverschot
Situatie waarin er meer mensen sterven dan er geboren worden. De bevolking krimpt dan op natuurlijke wijze.
Demografisch saldo
De totale bevolkingsverandering. Dit is de optelsom van natuurlijke groei en migratiesaldo.
Demografisch transitiemodel
Model dat laat zien hoe geboorte- en sterftecijfers veranderen wanneer een samenleving economisch en sociaal ontwikkelt.
Pre-industriële fase
Fase in het demografisch transitiemodel waarin geboorte- en sterftecijfers allebei hoog zijn.
Transitiefase
Fase waarin het sterftecijfer daalt, terwijl het geboortecijfer nog relatief hoog blijft. De bevolking groeit dan snel.
Postindustriële fase
Fase in het demografisch transitiemodel waarin zowel geboorte- als sterftecijfer laag zijn. De bevolkingsgroei is klein of stabiel.
Bevolkingsmomentum
Het verschijnsel dat een bevolking nog een tijd blijft groeien, ook als het geboortecijfer daalt, doordat er veel jonge mensen zijn die kinderen kunnen krijgen.
Jonge bevolking
Bevolking met relatief veel kinderen en jongeren. Dit komt vaak voor in landen met een hoog geboortecijfer.
Vergrijzing
Proces waarbij het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt.
Vergroening
Proces waarbij het aandeel jongeren in de bevolking toeneemt.
Ontgroening
Proces waarbij het aandeel jongeren in een bevolking afneemt.
Demografische druk
De verhouding tussen de niet-productieve bevolking en de productieve bevolking.
Productieve bevolking
De groep mensen die in principe kan werken, meestal tussen ongeveer 15 en 65 jaar. Ook wel potentiële beroepsbevolking genoemd.
Niet-productieve bevolking
Bevolkingsgroepen die meestal nog niet of niet meer werken, vooral kinderen en ouderen.
Groene druk
De druk van jongeren op de productieve bevolking.
Grijze druk
De druk van ouderen op de productieve bevolking.
Potentiële beroepsbevolking
De groep mensen die qua leeftijd in principe zou kunnen werken.
Beroepsbevolking
De mensen die werken of actief op zoek zijn naar werk.
Demografische krimp
Afname van het aantal inwoners in een gebied.
Krimpregio
Regio waar de bevolking afneemt en waar voorzieningen, werkgelegenheid en leefbaarheid onder druk kunnen komen te staan.
Neerwaartse spiraal
Proces waarbij een negatieve ontwikkeling zichzelf versterkt. Bijvoorbeeld: bevolkingskrimp leidt tot minder voorzieningen, waardoor nog meer mensen vertrekken.
Voorzieningenniveau
De hoeveelheid en kwaliteit van voorzieningen in een gebied, zoals scholen, winkels, zorg, openbaar vervoer en sportvoorzieningen.
Drempelwaarde
Het minimumaantal klanten, gebruikers of inwoners dat nodig is om een voorziening te laten bestaan.
Leefbaarheid
De mate waarin een gebied prettig en geschikt is om in te wonen. Dit hangt samen met veiligheid, voorzieningen, woningen, werk, sociale contacten en omgeving.
Migratie
Het verplaatsen van mensen van de ene woonplaats naar een andere woonplaats voor langere tijd.
Migrant
Iemand die voor langere tijd naar een andere woonplaats verhuist.
Sociale bevolkingsgroei
Bevolkingsgroei door migratie. Als er meer mensen een gebied binnenkomen dan vertrekken, is er positieve sociale groei.
Sociale groei
Bevolkingsverandering door migratie. Sociale groei wordt gemeten met het migratiesaldo.
Migratiesaldo
Het verschil tussen immigratie en emigratie.
Positief migratiesaldo
Situatie waarin meer mensen een gebied binnenkomen dan verlaten.
Negatief migratiesaldo
Situatie waarin meer mensen een gebied verlaten dan binnenkomen.
Immigratie
Het binnenkomen van mensen in een land of gebied om daar voor langere tijd te wonen.
Immigrant
Iemand die een land of gebied binnenkomt om daar voor langere tijd te wonen.
Emigratie
Het verlaten van een land of gebied om ergens anders voor langere tijd te wonen.
Emigrant
Iemand die een land of gebied verlaat om ergens anders voor langere tijd te gaan wonen.
Herkomstgebied
Het gebied waar migranten vandaan komen.
Bestemmingsgebied
Het gebied waar migranten naartoe verhuizen.
Interne migratie
Migratie binnen de grenzen van één land, bijvoorbeeld van platteland naar stad.
Internationale migratie
Migratie waarbij mensen van het ene land naar het andere land verhuizen.
Regionale migratie
Migratie binnen een wereldregio, bijvoorbeeld binnen West-Afrika, Zuid-Amerika of Zuidoost-Azië.
Rurale-urbane migratie
Migratie van het platteland naar de stad.
Arbeidsmigratie
Migratie waarbij mensen verhuizen om werk te vinden of betere arbeidsomstandigheden te krijgen.
Gezinsmigratie
Migratie waarbij mensen verhuizen om bij familie of partner te wonen.
Gezinshereniging
Migratie waarbij gezinsleden zich voegen bij iemand die al in een ander land woont.
Studiemigratie
Migratie waarbij mensen naar een ander gebied of land verhuizen voor onderwijs of studie.
Gedwongen migratie
Migratie waarbij mensen niet vrijwillig vertrekken, bijvoorbeeld door oorlog, vervolging, geweld, rampen of extreme armoede.
Vrijwillige migratie
Migratie waarbij mensen zelf kiezen om te vertrekken, bijvoorbeeld voor werk, studie, familie of betere kansen.
Asielzoeker
Iemand die bescherming aanvraagt in een ander land, omdat hij of zij gevaar loopt in het land van herkomst. De aanvraag is dan nog in behandeling.
Vluchteling
Iemand die officieel bescherming krijgt omdat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of gevaar door oorlog, geweld, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.
Economische migrant
Migrant die vooral verhuist vanwege werk, inkomen of betere economische kansen.
Klimaatmigrant
Iemand die verhuist door klimaatverandering of milieuproblemen, zoals droogte, zeespiegelstijging, mislukte oogsten of overstromingen.
Legale migratie
Migratie via officiële en toegestane routes, bijvoorbeeld met een visum, werkvergunning, studievisum of verblijfsvergunning.
Ongedocumenteerde migratie
Migratie waarbij iemand in een land verblijft zonder geldige verblijfsdocumenten.
Irreguliere migratie
Migratie buiten officiële regels of procedures om.
Pushfactoren
Afstotingsfactoren in een herkomstgebied die mensen stimuleren of dwingen om te vertrekken, zoals armoede, werkloosheid, oorlog, geweld of droogte.
Pullfactoren
Aantrekkingsfactoren van een bestemmingsgebied die mensen aantrekken, zoals werk, hogere lonen, veiligheid, onderwijs of familie.
Push-pullmodel
Model dat migratie verklaart door afstotende factoren in het herkomstgebied en aantrekkende factoren in het bestemmingsgebied.
Kettingmigratie
Migratie waarbij eerdere migranten nieuwe migranten helpen met informatie, huisvesting, werk en sociale contacten.
Migratienetwerk
Netwerk van familie, vrienden, kennissen en organisaties dat migratie makkelijker maakt.
Diaspora
Een groep mensen die buiten het oorspronkelijke herkomstgebied woont, maar daarmee sociaal, cultureel of economisch verbonden blijft.
Remittances
Geld dat migranten terugsturen naar familie of gemeenschappen in het herkomstgebied. Ook wel geldovermakingen genoemd.
Geldovermakingen
Nederlandse term voor remittances.
Brain drain
Het vertrek van hoogopgeleide of talentvolle mensen uit een gebied. Dit kan nadelig zijn voor het herkomstgebied.
Brain gain
Winst aan kennis, kapitaal of netwerken doordat migranten terugkeren of vanuit het buitenland investeren en kennis delen met het herkomstgebied.
Brain circulation
Circulatie van kennis en talent doordat migranten contact houden met hun herkomstgebied, terugkeren of tussen landen blijven bewegen.
Integratie
Proces waarbij migranten en ontvangende samenleving zich tot elkaar verhouden en migranten kunnen meedoen in onderwijs, werk, taal, politiek en samenleving.
Assimilatie
Proces waarbij migranten zich zo sterk aanpassen dat hun eigen culturele kenmerken grotendeels verdwijnen of onzichtbaar worden.
Multiculturele samenleving
Samenleving waarin mensen met verschillende culturele achtergronden samenleven.
Sociale cohesie
De onderlinge verbondenheid en het vertrouwen tussen mensen in een samenleving of stad.
Segregatie
Het gescheiden leven of wonen van groepen mensen, bijvoorbeeld op basis van inkomen, afkomst, religie of opleidingsniveau.
Ruimtelijke segregatie
Het gescheiden wonen van verschillende bevolkingsgroepen in aparte wijken of gebieden.
Discriminatie
Ongelijke behandeling van mensen op basis van bijvoorbeeld afkomst, religie, huidskleur, geslacht of taal.
Xenofobie
Angst of afkeer van vreemdelingen of mensen die als buitenstaanders worden gezien.
Sociale dimensie van globalisering
De kant van globalisering die gaat over mensen, migratie, sociale ongelijkheid, arbeid, identiteit en samenlevingen.
Populisme
Politieke stijl waarbij ingewikkelde problemen vaak eenvoudig worden voorgesteld als strijd tussen “het volk” en “de elite” of een aangewezen zondebok.
Wij-zij-denken
Manier van denken waarbij mensen de samenleving indelen in een eigen groep en een andere groep. Dit kan beeldvorming, discriminatie en politieke spanningen versterken.
Arbeidsmarkt
Het geheel van vraag naar arbeid door werkgevers en aanbod van arbeid door werknemers.
Arbeidstekort
Situatie waarin er te weinig werknemers zijn voor beschikbare banen.
Loonconcurrentie
Concurrentie tussen werknemers of landen waarbij lagere lonen worden gebruikt om werk of investeringen aan te trekken.
Internationale samenwerking
Samenwerking tussen landen of internationale organisaties om gezamenlijke problemen aan te pakken, zoals handel, veiligheid, klimaat, armoede of migratie.
Internationale organisatie
Organisatie waarin meerdere landen samenwerken rond een bepaald doel.
Global governance
Bestuur op wereldschaal zonder wereldregering, via internationale organisaties, verdragen, regels en afspraken.
Soevereine staat
Staat met een eigen grondgebied, bevolking en overheid die zelfstandig gezag uitoefent.
Soevereiniteit
Het recht van een staat om zelfstandig besluiten te nemen over het eigen grondgebied en de eigen bevolking.
Territoriale soevereiniteit
Het principe dat een staat gezag heeft over zijn eigen grondgebied.
Autonomie
Zelfstandigheid of eigen beslissingsruimte van een land, regio of groep.
Internationale erkenning
Acceptatie door andere staten dat een gebied als zelfstandige staat mag optreden.
De facto staat
Gebied dat in de praktijk functioneert als staat, maar niet breed internationaal erkend wordt.
De jure erkenning
Officiële juridische erkenning van een staat door andere staten.
Diplomatie
Overleg en onderhandeling tussen staten.
Verdrag
Officiële afspraak tussen staten of internationale organisaties.
Internationaal recht
Regels en afspraken die gelden tussen staten.
Politieke dimensie van globalisering
De kant van globalisering die gaat over macht, bestuur, internationale organisaties, verdragen, grenzen, veiligheid en geopolitiek.
Institutionele macht
Macht van organisaties, regels en instellingen die invloed hebben op beleid en economie.
Verenigde Naties
Internationale organisatie die zich richt op vrede, veiligheid, mensenrechten, ontwikkeling en samenwerking.
VN
Afkorting van Verenigde Naties.
Algemene Vergadering
VN-orgaan waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn.
Veiligheidsraad
VN-orgaan dat zich bezighoudt met internationale vrede en veiligheid.
Permanente leden van de Veiligheidsraad
De vijf landen met een vaste zetel en vetorecht: Verenigde Staten, China, Rusland, Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.
Vetorecht
Recht van een permanent lid van de Veiligheidsraad om een besluit te blokkeren.
Resolutie
Officiële uitspraak of beslissing van een internationale organisatie, zoals de VN.
Sanctie
Strafmaatregel tegen een land, organisatie of persoon, bijvoorbeeld handelsbeperkingen of financiële blokkades.
Vredesmissie
Internationale missie die geweld moet beperken, burgers moet beschermen of vrede moet ondersteunen.
Collectieve veiligheid
Principe waarbij staten samen optreden tegen bedreigingen van vrede en veiligheid.
Regionale samenwerking
Samenwerking tussen landen binnen een bepaalde wereldregio.
Regionaal samenwerkingsverband
Organisatie of akkoord waarin landen uit dezelfde regio samenwerken.
Intergouvernementele samenwerking
Samenwerking waarbij regeringen afspraken maken, maar hun soevereiniteit grotendeels behouden.
Supranationale samenwerking
Samenwerking waarbij landen bevoegdheden overdragen aan een organisatie die boven nationale regeringen kan beslissen.
EU
Europese Unie. Vergaand regionaal samenwerkingsverband in Europa.
ASEAN
Regionaal samenwerkingsverband in Zuidoost-Azië.
Mercosur
Regionaal samenwerkingsverband in Zuid-Amerika, vooral gericht op handel en economische samenwerking.
USMCA
Vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Mexico en Canada. Het is de opvolger van NAFTA.
NAFTA
Vrijhandelsverdrag tussen de Verenigde Staten, Mexico en Canada dat in 1994 inging. Tegenwoordig vervangen door USMCA.
NAVO
Militair bondgenootschap tussen Noord-Amerikaanse en Europese landen.
Militair bondgenootschap
Samenwerking tussen landen op het gebied van defensie en veiligheid.
Collectieve verdediging
Principe waarbij een aanval op één lidstaat wordt gezien als een aanval op alle lidstaten.
IMF
Internationaal Monetair Fonds. Internationale organisatie die leningen en financieel advies geeft aan landen.
Internationaal Monetair Fonds
Volledige naam van het IMF.
Wereldbank
Internationale organisatie die leningen en advies geeft voor ontwikkeling, infrastructuur, armoedebestrijding en economische hervorming.
WTO
World Trade Organization. Internationale organisatie die zich bezighoudt met regels voor wereldhandel en handelsconflicten.
World Trade Organization
Volledige naam van de WTO.
Vrijhandel
Handel tussen landen met zo weinig mogelijk handelsbelemmeringen.
Handelsregels
Afspraken en regels die bepalen hoe internationale handel plaatsvindt.
Handelsconflict
Conflict tussen landen over tarieven, subsidies, markttoegang of handelsregels.
Ontwikkelingshulp
Hulp van landen, organisaties of instellingen aan armere landen, bijvoorbeeld geld, voedsel, zorg of infrastructuur.
Ontwikkelingssamenwerking
Samenwerking tussen landen of organisaties met als doel ontwikkeling te bevorderen.
Voorwaardelijke lening
Lening waaraan voorwaarden zijn verbonden, bijvoorbeeld bezuinigingen of economische hervormingen.
Schuldenlast
De totale schuld die een land, bedrijf of persoon moet terugbetalen.
Afhankelijkheidsrelatie
Relatie waarbij één land, bedrijf of groep sterk afhankelijk is van een ander.
G7
Groep van rijke industrielanden met veel economische en politieke invloed.
BRICS
Samenwerkingsverband van opkomende landen die meer invloed willen in de wereldorde.
Opkomende economie
Land waarvan de economie snel groeit en dat meer invloed krijgt in de wereldeconomie.
Wereldorde
De verdeling van macht tussen landen en machtsblokken in de wereld.
Multipolaire wereldorde
Wereldorde waarin macht verdeeld is over meerdere machtscentra.
Geopolitiek [VWO]
De manier waarop macht, ruimte, ligging, grondstoffen, grenzen en internationale relaties met elkaar samenhangen.
Politieke geografie [VWO]
De tak van aardrijkskunde die onderzoekt hoe macht, staten, grenzen, gebieden en bestuur ruimtelijk georganiseerd zijn.
Macht [VWO]
Het vermogen van een land, organisatie of groep om invloed uit te oefenen op anderen.
Geopolitieke macht [VWO]
Macht die samenhangt met ligging, grondstoffen, militaire positie, handelsroutes, technologie, bevolking en internationale invloed.
Grootmacht [VWO]
Land met veel economische, politieke, militaire of culturele invloed in de wereldorde.
Supermacht [VWO]
Staat met uitzonderlijk veel militaire, economische, politieke en culturele macht op wereldschaal.
Regionale grootmacht [VWO]
Land dat vooral binnen een bepaalde wereldregio veel invloed heeft.
Hegemonie [VWO]
Overheersende invloed van één staat of machtsblok in de wereldorde.
Hegemoniale staat [VWO]
Staat die zo machtig is dat hij de internationale orde sterk kan bepalen, bijvoorbeeld door militaire, economische, technologische en culturele invloed.
Hegemoniale wereldorde [VWO]
Wereldorde waarin één staat of machtsblok duidelijk dominant is.
Machtsblok [VWO]
Groep landen die politiek, economisch of militair sterk met elkaar verbonden zijn.
Invloedsfeer [VWO]
Gebied waar een grootmacht veel politieke, economische of militaire invloed heeft.
Bufferzone [VWO]
Gebied tussen twee machtsblokken of invloedssferen.
Machtsevenwicht [VWO]
Situatie waarin meerdere grootmachten ongeveer even sterk zijn, waardoor geen enkele staat de rest kan overheersen.
Bipolaire wereldorde [VWO]
Wereldorde met twee dominante machtsblokken.
Unipolaire wereldorde [VWO]
Wereldorde met één dominante supermacht.
Multipolaire wereldorde [VWO]
Wereldorde met meerdere grote machtscentra.
Koude Oorlog [VWO]
Periode na de Tweede Wereldoorlog waarin de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie als twee machtsblokken tegenover elkaar stonden.
Unipolair moment [VWO]
Periode na het einde van de Koude Oorlog waarin de Verenigde Staten tijdelijk de dominante supermacht waren.
Multipolariteit [VWO]
Situatie waarin meerdere machtscentra tegelijk invloed hebben op de wereldorde.
Wereldorde [VWO]
De manier waarop macht tussen staten en machtsblokken in de wereld verdeeld is.
Internationale orde [VWO]
Het geheel van regels, instituties, machtsverhoudingen en afspraken tussen staten.
Internationale anarchie [VWO]
Situatie waarin er geen wereldregering bestaat die boven staten staat en hen altijd kan dwingen.
Anarchie [VWO]
In internationale betrekkingen: het ontbreken van een hoogste gezag boven staten. Dit betekent niet automatisch chaos.
Leviathan [VWO]
Beeld uit de politieke filosofie voor een sterke centrale macht die orde afdwingt. In de wereldpolitiek ontbreekt zo’n wereldwijde Leviathan.
Westfaalse systeem [VWO]
Internationaal systeem gebaseerd op soevereine staten en het principe dat staten formeel elkaars grondgebied en binnenlandse macht respecteren.
Westfaalse soevereiniteit [VWO]
Principe dat staten zelf gezag hebben binnen hun grenzen en dat andere staten zich daar niet zomaar mee bemoeien.
Territoriale staat [VWO]
Staat waarvan macht gekoppeld is aan duidelijk afgebakend grondgebied.
Natiestaat [VWO]
Staat waarin een volk, nationale identiteit en staatsgrenzen sterk met elkaar verbonden worden.
Staatsgrens [VWO]
Officiële grens tussen staten.
Territoriaal conflict [VWO]
Conflict over grondgebied, grenzen of zeggenschap over een gebied.
Soevereiniteitsconflict [VWO]
Conflict over wie gezag heeft over een gebied of bevolking.
Nationalisme [VWO]
Idee dat een volk met gedeelde taal, cultuur, geschiedenis of identiteit recht heeft op politieke zelfstandigheid of een eigen staat.
Zelfbeschikkingsrecht [VWO]
Principe dat volkeren zelf mogen bepalen hoe zij politiek bestuurd worden.
Staatsbelang [VWO]
Wat een staat ziet als belangrijk voor eigen veiligheid, macht, economie of voortbestaan.
Machtspolitiek [VWO]
Politiek waarbij staten vooral handelen vanuit macht, veiligheid en eigen belang.
Realpolitik [VWO]
Pragmatische machtspolitiek waarbij idealen minder belangrijk zijn dan veiligheid en staatsbelang.
Realisme [VWO]
Denkstroming in internationale betrekkingen die stelt dat staten vooral handelen uit eigenbelang, macht en veiligheid.
Liberalisme [VWO]
Denkstroming die benadrukt dat internationale samenwerking, handel, democratie, recht en instituties conflict kunnen verminderen.
Constructivisme [VWO]
Denkstroming die benadrukt dat ideeën, identiteit, normen, beeldvorming en geschiedenis bepalen hoe staten elkaar zien.
Veiligheidsdilemma [VWO]
Situatie waarin maatregelen van een staat om zichzelf veiliger te maken door andere staten als bedreiging worden gezien.
Afschrikking [VWO]
Strategie waarbij een staat probeert aanval te voorkomen door te laten zien dat de kosten voor de tegenstander hoog zijn.
Alliantie [VWO]
Bondgenootschap tussen staten.
Bondgenootschap [VWO]
Samenwerking tussen landen, vaak op militair of politiek gebied.
Wisselende alliantie [VWO]
Samenwerking die per onderwerp of conflict kan veranderen.
Hard power [VWO]
Macht door dwang, militaire middelen, sancties of economische druk.
Soft power [VWO]
Macht door aantrekkingskracht, cultuur, waarden, onderwijs, diplomatie of imago.
Smart power [VWO]
Combinatie van hard power en soft power.
Economische macht [VWO]
Invloed door handel, productie, investeringen, technologie, bedrijven, valuta of markten.
Militaire macht [VWO]
Invloed door leger, wapens, bases, bondgenootschappen of dreiging met geweld.
Culturele macht [VWO]
Invloed via taal, media, onderwijs, merken, waarden, religie of populaire cultuur.
Technologische macht [VWO]
Invloed door controle over technologie, data, chips, digitale infrastructuur of innovatie.
Geopolitieke strategie [VWO]
Plan van een staat om zijn positie in de wereld te versterken.
Strategische ligging [VWO]
Ligging die belangrijk is voor handel, veiligheid, militaire controle of toegang tot grondstoffen.
Strategisch gebied [VWO]
Gebied dat belangrijk is vanwege ligging, grondstoffen, handelsroutes, havens, zeestraten of militaire waarde.
Zeestraat [VWO]
Smalle doorgang tussen zeeën of oceanen die belangrijk kan zijn voor scheepvaart en geopolitiek.
Chokepoint [VWO]
Strategisch knelpunt in mondiale handelsroutes, zoals een zeestraat of kanaal.
Handelsroute [VWO]
Route waarlangs goederen, diensten, kapitaal of informatie worden verplaatst tussen gebieden.
Grondstoffenpolitiek [VWO]
Politiek rond toegang tot, controle over en handel in belangrijke grondstoffen.
Energiepolitiek [VWO]
Politiek rond toegang tot, controle over en levering van energie.
Zuid-Chinese Zee [VWO]
Strategisch zeegebied in Azië waar handelsroutes, grondstoffen, visserij en militaire macht samenkomen.
Geopolitieke spanningszone [VWO]
Gebied waar meerdere staten of machtsblokken botsende belangen hebben.
Proxyconflict [VWO]
Conflict waarbij grootmachten indirect tegenover elkaar staan via andere landen of groepen.
Containment [VWO]
Strategie om de uitbreiding van de invloed van een tegenstander te beperken.
Invloedspolitiek [VWO]
Beleid waarbij staten proberen andere landen politiek, economisch, militair of cultureel te beïnvloeden.
Sfeer van invloed [VWO]
Gebied waar een grootmacht veel invloed heeft zonder het gebied direct te besturen.
Multipolaire spanning [VWO]
Spanning die ontstaat wanneer meerdere grootmachten tegelijk invloed proberen uit te breiden.
Internationale veiligheid [VWO]
De mate waarin staten en samenlevingen beschermd zijn tegen oorlog, geweld, bedreiging en instabiliteit.