Geografie gaat over de ruimte om ons heen. Om die ruimte goed in beeld te brengen en te analyseren, gebruiken geografen verschillende instrumenten. De kaart is daarbij een van de belangrijkste hulpmiddelen. Maar ook satellietbeelden, tabellen, grafieken, diagrammen en statistieken zijn nodig om geografische processen goed te begrijpen.
In deze paragraaf leer je hoe kaarten werken, waarom kaarten altijd keuzes bevatten en hoe je informatie uit verschillende bronnen combineert. Een kaart lijkt soms een neutraal plaatje van de werkelijkheid, maar dat is zij nooit helemaal. Elke kaart is gemaakt door iemand, met een bepaald doel, op een bepaalde schaal en met bepaalde keuzes.
Na deze paragraaf kun je:
uitleggen waarom elke kaart een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid is;
verschillende soorten kaarten en kaartonderdelen herkennen en gebruiken;
informatie uit kaarten, satellietbeelden, tabellen en grafieken combineren.
De aarde is geen perfecte ronde bol. Door de draaiing van de aarde is zij bij de polen een beetje afgeplat en bij de evenaar juist wat dikker. De wetenschappelijke naam voor deze vorm is de geoïde. In de praktijk kun je de aarde vergelijken met een sinaasappel die heel licht is ingedrukt aan de boven- en onderkant. Helemaal rond is zij dus niet, maar voor kaarten en globes doen we vaak alsof zij bijna een bol is.
Het maken van kaarten noemen we cartografie. Hierbij ontstaat meteen een groot probleem: de aarde is driedimensionaal, maar een kaart is tweedimensionaal. Je kunt het oppervlak van een bol niet perfect op een plat vlak weergeven. Probeer maar eens de schil van een sinaasappel netjes plat op tafel te leggen zonder scheuren, kreukels of vervormingen. Dat lukt niet. Precies dat is het kaartprobleem.
Daarom vervormt elke wereldkaart de werkelijkheid. Er ontstaat altijd vervorming in bijvoorbeeld:
vorm;
afstand;
richting;
oppervlakte.
De manier waarop de ronde aarde wordt omgezet naar een platte kaart noemen we een projectie. Elke projectie maakt keuzes. Er bestaat dus geen perfecte wereldkaart. De beste kaart hangt af van het doel waarvoor je de kaart gebruikt.
De Mercatorprojectie is een bekende kaartprojectie die vroeger vooral belangrijk was voor de zeevaart. Deze projectie is hoekgetrouw. Dat betekent dat hoeken en richtingen goed bruikbaar zijn voor navigatie. Voor zeelieden was dat enorm belangrijk: zij wilden vooral weten welke koers zij moesten varen.
Het nadeel is dat de oppervlakten sterk worden vervormd. Hoe verder je van de evenaar af komt, hoe groter gebieden op de kaart lijken. Daardoor lijken Groenland, Canada, Rusland en Europa veel groter dan ze in werkelijkheid zijn. Afrika en Zuid-Amerika lijken juist kleiner dan ze werkelijk zijn.
De Mercatorprojectie is dus handig voor navigatie, maar minder geschikt als je de werkelijke grootte van landen en continenten wilt vergelijken.
De Petersprojectie, vaak de Gall-Petersprojectie genoemd, probeert juist de oppervlakten van landen en continenten beter in verhouding te laten zien. Dit noemen we een oppervlaktegetrouwe projectie.
Hierdoor zie je duidelijker hoe enorm Afrika en Zuid-Amerika eigenlijk zijn ten opzichte van Europa en Noord-Amerika. Voor leerlingen is dit vaak een klein schokmoment: Europa lijkt op veel bekende kaarten veel groter en belangrijker dan het op basis van oppervlakte is.
Maar ook de Petersprojectie is niet perfect. De oppervlakten kloppen beter, maar de vormen van landen worden uitgerekt en vervormd. Sommige gebieden lijken daardoor onnatuurlijk lang en smal.
Kort gezegd:
Mercator is handig voor richting en navigatie, maar vervormt oppervlakte sterk.
Peters laat oppervlakteverhoudingen beter zien, maar vervormt vormen sterk.
Daarom moet je bij elke kaart denken: wat laat deze kaart goed zien, en wat vertekent deze kaart?
Op het examen moet je niet alleen kaarten bekijken. Je moet kaarten echt kunnen gebruiken. Daarbij zijn verschillende vaardigheden belangrijk: kaartlezen, kaartanalyse, kaartinterpretatie en kaartbeoordeling.
Bij kaartlezen haal je directe informatie uit de kaart. Je kijkt naar wat er letterlijk staat.
Je kijkt bijvoorbeeld naar:
titel;
legenda;
schaal;
symbolen;
kleuren;
namen;
ligging;
richting.
Voorbeeld: je leest af waar een rivier stroomt, waar een stad ligt of welk gebied een hoge bevolkingsdichtheid heeft.
Tip: op de meeste kaarten in je atlas en op het examen staat het noorden bovenaan. Als dit anders is, staat er meestal een noordpijl op de kaart.
Bij kaartanalyse zoek je naar patronen. Je kijkt dus niet alleen naar losse plekken, maar naar de verdeling van verschijnselen in de ruimte.
Je kijkt bijvoorbeeld naar:
spreiding en concentratie;
verschillen en overeenkomsten tussen gebieden;
ruimtelijke patronen;
opvallende uitzonderingen.
Voorbeeld: je ziet dat grote steden vaak aan de kust of langs rivieren liggen. Dat is nog geen verklaring, maar wel een patroon.
Bij kaartinterpretatie probeer je het patroon te verklaren. Je vraagt niet alleen: wat zie ik? Maar vooral: waarom zie ik dit?
Je stelt vragen zoals:
Waarom ligt dit daar?
Waardoor ontstaat dit patroon?
Welk verband zie ik tussen twee kaarten?
Welke ontwikkeling kan hieruit volgen?
Voorbeeld: je verklaart dat steden vaak aan rivieren liggen omdat rivieren vroeger belangrijk waren voor handel, transport, drinkwater en vruchtbare landbouwgronden.
Bij het beoordelen van een kaart kijk je of de kaart geschikt is voor de vraag die je wilt beantwoorden.
Je let op:
het onderwerp;
de schaal;
de projectie;
de legenda;
de bron;
de actualiteit;
de gekozen kleuren en symbolen;
de mate van vereenvoudiging.
Een kaart is dus nooit volledig neutraal. Elke kaart is gemaakt met een doel en laat sommige informatie wel zien en andere informatie niet. Dat betekent niet dat kaarten onbetrouwbaar zijn. Het betekent dat je als geograaf kritisch moet lezen.
Een kaart is een beetje zoals een foto: wat erop staat kan kloppen, maar de fotograaf heeft wel gekozen waar hij ging staan, wat hij wel liet zien en wat hij buiten beeld liet.
Er zijn verschillende soorten kaarten. Op het examen kom je vooral fysische kaarten, politieke kaarten en thematische kaarten tegen.
Een fysische kaart laat de natuurlijke kenmerken van een gebied zien.
Voorbeelden van informatie op fysische kaarten zijn:
reliëf;
rivieren;
zeeën;
gebergten;
woestijnen;
laagland;
hoogland.
In veel atlassen worden kleuren gebruikt om hoogte en diepte aan te geven. Groen staat vaak voor laagland, geel en bruin vaak voor hoger gelegen gebieden, en blauw voor water. Bij water geldt vaak: hoe donkerder blauw, hoe dieper.
Een politieke kaart laat de door mensen gemaakte indeling van de ruimte zien.
Je ziet bijvoorbeeld:
landsgrenzen;
provincies;
gemeenten;
hoofdsteden;
andere steden;
bestuurlijke gebieden.
Politieke kaarten zijn handig wanneer je wilt weten bij welk land, welke regio of welke bestuurlijke eenheid een gebied hoort. Zij laten dus niet vooral de natuur zien, maar de manier waarop mensen de ruimte hebben ingedeeld.
Een thematische kaart gaat over één bepaald onderwerp.
Voorbeelden van thema’s zijn:
klimaat;
bevolkingsdichtheid;
inkomen;
landbouw;
migratie;
grondstoffen;
verstedelijking;
aardbevingsrisico.
Een bekende vorm van een thematische kaart is de choropleet. Bij een choropleet krijgen gebieden een kleur op basis van een statistische waarde. Vaak betekent een donkerdere kleur een hogere waarde, maar dit moet je altijd controleren in de legenda.
Voorbeeld: een kaart over bevolkingsdichtheid kan donkere kleuren gebruiken voor dichtbevolkte gebieden. Maar een andere kaart kan juist donkere kleuren gebruiken voor armoede, droogte of overstromingsrisico. De kleur zelf zegt dus niets zonder legenda.
De legenda is de sleutel van de kaart. In de legenda staat wat kleuren, lijnen, vlakken en symbolen betekenen.
Zonder legenda kun je een kaart verkeerd lezen. Een rode lijn kan bijvoorbeeld een snelweg, een spoorlijn, een grens, een breuklijn of een geplande route zijn. Je weet dat pas zeker als je de legenda controleert.
De legenda overslaan is een beetje alsof je een vreemde taal probeert te lezen zonder woordenboek. Soms gok je goed, maar op het examen wil je niet afhankelijk zijn van geluk.
De schaal geeft aan hoeveel de werkelijkheid is verkleind op de kaart.
Een kaart met een grote schaal laat een klein gebied gedetailleerd zien. Bijvoorbeeld een stadskaart of een kaart van een wijk.
Een kaart met een kleine schaal laat een groot gebied minder gedetailleerd zien. Bijvoorbeeld een kaart van Europa of een wereldkaart.
Dit klinkt verwarrend, maar onthoud:
grote schaal = klein gebied, veel detail;
kleine schaal = groot gebied, weinig detail.
De schaal bepaalt dus hoeveel informatie je op een kaart kunt zien.
Voorbeeld: op een wereldkaart zie je Nederland als klein vlekje. Op een kaart van Nederland zie je provincies, steden en rivieren. Op een kaart van Amsterdam zie je straten, parken en wijken. Het gebied wordt steeds kleiner, maar de hoeveelheid detail wordt groter.
Omdat een kaart een vereenvoudiging van de werkelijkheid is, moet een cartograaf keuzes maken. Dit noemen we generalisatie.
Bij generalisatie worden sommige details weggelaten, vereenvoudigd of samengevoegd. Op een wereldkaart zie je bijvoorbeeld niet elke straat, elk dorp of elke kleine rivier. Op een stadskaart zie je die details juist wel.
Generalisatie is nodig. Anders zou een kaart onleesbaar worden. Stel je een wereldkaart voor waarop elke straat, elk fietspad, elke sloot en elke snackbar staat. Dat zou geen kaart meer zijn, maar visuele soep.
Maar generalisatie kan ook invloed hebben op hoe je een gebied interpreteert. Als kleine dorpen worden weggelaten, lijkt een gebied misschien leger dan het eigenlijk is. Als kleine rivieren verdwijnen, lijkt de waterstructuur eenvoudiger dan die werkelijk is.
Symbolisatie betekent dat informatie op een kaart wordt weergegeven met symbolen, kleuren, lijnen, vlakken of pijlen.
Voorbeelden:
een stip voor een stad;
een lijn voor een rivier;
een pijl voor migratie;
een kleurvlak voor klimaat;
een groter symbool voor een grotere waarde.
Symbolen maken een kaart leesbaar, maar je moet altijd controleren wat ze betekenen. Een pijl kan bijvoorbeeld migratie aangeven, maar ook handel, windrichting, zeestroming of vluchtelingenstromen.
Naast getekende kaarten gebruiken geografen ook satellietbeelden. Dit zijn beelden van het aardoppervlak die vanuit de ruimte worden gemaakt.
Satellietbeelden kunnen helpen om processen zichtbaar te maken, zoals:
ontbossing;
verstedelijking;
droogte;
overstromingen;
vegetatieontwikkeling;
ijsbedekking.
Soms lijken satellietbeelden op gewone luchtfoto’s. Dit noemen we vaak true-colour beelden. Daarbij worden kleuren gebruikt die lijken op wat je met je ogen zou zien.
Er bestaan ook false-colour beelden. Daarbij worden kleuren gebruikt die je met het blote oog normaal niet zo zou zien. Met infraroodbeelden kan bijvoorbeeld vegetatie beter zichtbaar worden gemaakt. Gezonde vegetatie kan dan sterk oplichten, afhankelijk van de gebruikte kleurinstelling.
Dit klinkt misschien alsof de satelliet “neppe kleuren” gebruikt, maar dat is niet het punt. De kleuren zijn een hulpmiddel. Ze maken informatie zichtbaar die je met gewone ogen minder goed kunt zien. Een satellietbeeld is dus niet alleen een mooie ruimtefoto, maar een meetinstrument.
Daarom geldt ook bij satellietbeelden: kijk altijd naar de legenda, de bron en de uitleg bij het beeld.
Om een plek op aarde exact aan te geven, gebruiken we coördinaten. Dit systeem bestaat uit breedtegraden en lengtegraden.
Je kunt coördinaten zien als het adres van een plek op aarde. Een straatnaam en huisnummer helpen je binnen een stad. Breedtegraad en lengtegraad helpen je op de hele planeet.
De breedtegraad geeft aan hoe ver een plek ten noorden of ten zuiden van de evenaar ligt.
De evenaar ligt op 0 graden breedte. Deze lijn verdeelt de aarde in twee helften:
het noordelijk halfrond;
het zuidelijk halfrond.
Alles boven de evenaar ligt op noorderbreedte. Dit korten we af als NB.
Alles onder de evenaar ligt op zuiderbreedte. Dit korten we af als ZB.
De breedtegraden lopen van 0 graden bij de evenaar tot 90 graden bij de Noordpool en 90 graden bij de Zuidpool.
Breedtecirkels lopen als horizontale ringen om de aarde heen. De evenaar is de grootste breedtecirkel. Hoe dichter je bij de polen komt, hoe kleiner de cirkels worden.
De lengtegraad geeft aan hoe ver een plek ten oosten of ten westen van de nulmeridiaan ligt.
Lijnen van lengtegraad noemen we meridianen. Meridianen lopen van de Noordpool naar de Zuidpool.
De nulmeridiaan ligt op 0 graden lengte en loopt door Greenwich bij Londen. Deze lijn is ooit internationaal gekozen als beginpunt. Dat had veel te maken met de machtige positie van Groot-Brittannië in de zeevaart en wereldhandel. Zelfs een “nul-lijn” is dus niet helemaal neutraal gekozen.
Alles ten oosten van de nulmeridiaan ligt op oosterlengte. Dit korten we af als OL.
Alles ten westen van de nulmeridiaan ligt op westerlengte. Dit korten we af als WL.
Maar waar eindigen oost en west?
Oosterlengte en westerlengte lopen allebei door tot 180 graden. Aan de andere kant van de aarde ontmoeten ze elkaar. Die lijn ligt grotendeels in de Stille Oceaan. Je kunt dit zien als de achterkant van de wereldbol ten opzichte van Greenwich.
Daarom geldt:
vanaf Greenwich naar het oosten tel je van 0° OL tot 180° OL;
vanaf Greenwich naar het westen tel je van 0° WL tot 180° WL;
bij 180° komen oost en west bij elkaar.
Die 180-gradenlijn is ook ongeveer de plek van de datumgrens. Daar verandert niet alleen je lengtegraad, maar ook de kalenderdatum.
Omdat de aarde groot is, is een hele graad nog steeds een gebied van ongeveer 111 kilometer breed. Dat komt doordat de afstand van de evenaar naar de polen vrij gelijkmatig in graden wordt verdeeld. Als je één graad naar het noorden of zuiden gaat, verplaats je je ongeveer 111 kilometer.
Bij lengtegraden is dat anders. De afstand tussen twee lengtegraden is bij de evenaar het grootst en wordt richting de polen steeds kleiner.
Waarom?
Lengtegraden, of meridianen, lopen van de Noordpool naar de Zuidpool. Ze staan bij de evenaar ver uit elkaar, maar komen bij de polen allemaal samen in één punt. Denk aan de partjes van een sinaasappel: in het midden van de sinaasappel zijn de lijnen ver uit elkaar, maar bij de bovenkant en onderkant komen ze samen.
Daarom is één graad lengte:
bij de evenaar ongeveer 111 kilometer;
in Nederland al veel minder;
bij de polen bijna 0 kilometer.
Dit is belangrijk, omdat afstanden op aarde niet overal op dezelfde manier uit coördinaten zijn af te lezen.
Voor meer precisie verdelen we elke graad daarom in 60 minuten en elke minuut weer in 60 seconden. Dit werkt hetzelfde als bij tijd.
Het symbool voor graden is °.
Het symbool voor minuten is ′.
Het symbool voor seconden is ″.
Voorbeeld:
Amsterdam ligt ongeveer op 52° 22′ NB en 4° 53′ OL.
Dat betekent dat Amsterdam:
52 graden en 22 minuten ten noorden van de evenaar ligt;
4 graden en 53 minuten ten oosten van de nulmeridiaan ligt.
Als je de locatie van een specifiek gebouw wilt geven, voeg je vaak ook seconden of decimalen toe. Hoe meer cijfers je gebruikt, hoe preciezer de plek.
De tijd op aarde hangt samen met de draaiing van de planeet. De aarde draait in 24 uur om haar as, van west naar oost. Daardoor komt het oosten eerder naar de zon toe dan het westen.
De belangrijkste regel is:
richting het oosten is het later;
richting het westen is het vroeger.
Dat klinkt eerst vreemd, maar denk aan zonsopkomst. In Japan komt de zon eerder op dan in Nederland. Japan begint de dag dus eerder. Nederland volgt later. Amerika komt nog later aan de beurt.
Omdat de aarde 360 graden rond is en in 24 uur om haar as draait, kun je grof rekenen:
360 graden : 24 uur = 15 graden per uur.
Dat betekent dat er ongeveer elke 15 lengtegraden een uur tijdsverschil ontstaat. In werkelijkheid volgen tijdzones niet perfect rechte lijnen, omdat landen zelf afspraken maken over hun officiële tijd.
De datumgrens ligt ongeveer rond de 180-gradenlijn in de Stille Oceaan. Als je die lijn oversteekt, verandert de kalenderdatum. Dat is nodig omdat de wereld rond is: ergens moet de dag officieel overspringen naar de vorige of volgende datum.
Voorbeeld:
Stel dat het maandagochtend 06:00 uur is in Tokyo. Dan is het in gebieden verder naar het westen nog vroeger:
in Griekenland is het dan ongeveer zondagavond 23:00 uur;
in Nederland is het dan ongeveer zondagavond 22:00 uur;
in New York is het dan ongeveer zondagmiddag 16:00 uur;
in Los Angeles is het dan ongeveer zondagmiddag 13:00 uur.
Let op: in werkelijkheid kunnen zomertijd en lokale tijdzone-afspraken voor kleine verschillen zorgen. Politiek bemoeit zich namelijk ook met tijd. Zelfs de klok is dus niet volledig neutraal.
Een geograaf werkt niet met alleen een kaart. Om een situatie goed te begrijpen, moet je verschillende soorten informatie combineren.
Op het examen gebruik je vaak:
kaarten;
tabellen;
grafieken;
diagrammen;
foto’s;
satellietbeelden;
teksten.
Het gaat er niet alleen om dat je informatie afleest. Je moet de informatie ook aan elkaar koppelen en verklaren.
Een kaart kan bijvoorbeeld laten zien waar ontbossing plaatsvindt. Een grafiek kan laten zien hoe snel de ontbossing toeneemt. Een tekst kan uitleggen welke economische of politieke oorzaken daarachter zitten. Pas als je deze bronnen combineert, begin je het echte geografische verhaal te zien.
Een tabel ordent gegevens in rijen en kolommen.
In tabellen vind je bijvoorbeeld:
jaartallen;
landen;
bevolkingsaantallen;
percentages;
exportwaarden;
inkomens;
oppervlakten.
Kijk altijd goed naar:
de titel;
de kolomnamen;
de eenheden;
het jaartal;
de bron.
Een getal betekent pas iets als je weet wat er precies gemeten wordt.
Voorbeeld: “50” kan 50 mensen betekenen, maar ook 50 procent, 50 miljoen euro, 50 inwoners per vierkante kilometer of 50 millimeter neerslag. Zonder eenheid is een getal bijna blind.
Een grafiek maakt cijfers visueel zichtbaar.
Bij grafieken kijk je naar:
de x-as;
de y-as;
de legenda;
de schaalverdeling;
de ontwikkeling door de tijd;
het verband tussen variabelen.
Een diagram laat verhoudingen of verdelingen zien. Een cirkeldiagram, ook wel pie-chart genoemd, laat bijvoorbeeld zien hoe een totaal is verdeeld over verschillende categorieën.
Grafieken en diagrammen zijn handig om trends, verschillen en verbanden snel te herkennen.
Let op de schaalverdeling. Een grafiek kan een stijging heel dramatisch laten lijken als de y-as niet bij nul begint. Ook grafieken zijn dus niet volledig neutraal. Ze kunnen iets duidelijk maken, maar ook iets groter of kleiner laten lijken dan het is.
Een combinatiekaart laat meerdere soorten informatie tegelijk zien.
Je ziet bijvoorbeeld:
kleuren voor bevolkingsdichtheid;
pijlen voor migratie;
stippen voor steden;
lijnen voor handelsroutes;
symbolen voor grondstoffen.
Bij combinatiekaarten moet je goed opletten. Je moet verschillende kaartlagen tegelijk lezen en begrijpen hoe ze samenhangen.
Voorbeeld:
Als een kaart dikke pijlen laat zien van grondstoffen naar industriegebieden, moet je niet alleen kijken naar de richting van de pijlen. Je moet ook letten op:
de dikte van de pijlen;
de herkomstgebieden;
de bestemmingsgebieden;
de legenda;
de schaal;
de vraag die je moet beantwoorden.
Een dikke pijl betekent meestal een grotere stroom dan een dunne pijl. Maar ook hier geldt: controleer de legenda. De kaart vertelt je niets als je haar taal niet leest.
Gebruik bij kaart- en bronvragen een vaste aanpak.
Lees de vraag precies.
Onderstreep wat je moet doen: noem, beschrijf, verklaar, beredeneer of vergelijk.
Kijk naar de titel van de kaart of bron.
Lees de legenda.
Controleer schaal, richting en eenheden.
Zoek het patroon of de informatie.
Koppel de bron aan je eigen kennis.
Geef antwoord in duidelijke stappen.
Een goed geografisch antwoord combineert dus broninformatie, begrippen en redenering.
Een kaart geeft je vaak een deel van het antwoord. Maar jij moet als geograaf laten zien wat het betekent.