Waar wonen mensen? Hoe snel groeit een bevolking? Waarom krijgen mensen in sommige landen veel kinderen en in andere landen weinig? En waarom vergrijzen sommige landen, terwijl andere landen juist een heel jonge bevolking hebben?
De wetenschap die zich bezighoudt met de omvang, samenstelling en spreiding van de bevolking noemen we demografie.
Demografie lijkt op het eerste gezicht misschien vooral een kwestie van cijfers, grafieken en tabellen. Maar achter die cijfers zitten grote geografische vragen. In deze paragraaf kijken we naar de natuurlijke verandering van de bevolking. Dat betekent: bevolkingsverandering door geboorte en sterfte.
Migratie behandelen we in de volgende paragraaf.
Na deze paragraaf kun je:
uitleggen wat demografie is;
het verschil uitleggen tussen bevolkingsdichtheid en bevolkingsspreiding;
begrippen zoals geboortecijfer, sterftecijfer en vruchtbaarheidscijfer gebruiken;
uitleggen wat natuurlijke groei, geboorteoverschot en sterfteoverschot betekenen;
uitleggen wat het demografisch vervangingsniveau is;
uitleggen wat het demografisch saldo is;
de fasen van het demografisch transitiemodel beschrijven;
uitleggen waarom landen kunnen groeien, stabiliseren, vergrijzen of krimpen;
het verschil uitleggen tussen de productieve en niet-productieve bevolking;
uitleggen wat vergroening, vergrijzing, groene druk, grijze druk en demografische druk betekenen;
bevolkingsdiagrammen lezen en koppelen aan bevolkingsontwikkeling;
uitleggen wat drempelwaarde is en waarom dit belangrijk is voor voorzieningen.
Wanneer geografen naar bevolking kijken, stellen zij drie basisvragen:
hoeveel mensen wonen er?
waar wonen zij?
hoe verandert de bevolking?
Die vragen lijken simpel, maar ze leveren veel informatie op.
Een land met veel inwoners is niet automatisch dichtbevolkt. Een dichtbevolkt land heeft niet automatisch overal dezelfde bevolkingsdruk. En een groeiende bevolking groeit niet altijd door dezelfde oorzaak.
Soms groeit een bevolking vooral doordat er veel kinderen worden geboren. Soms blijft een bevolking stabiel doordat immigratie een laag geboortecijfer compenseert. Soms krimpt een regio doordat jongeren vertrekken en ouderen achterblijven.
Om de bevolking van een gebied te onderzoeken, kijken geografen eerst naar hoeveel mensen er wonen en hoe zij over de ruimte verdeeld zijn.
De bevolkingsdichtheid geeft aan hoeveel mensen er gemiddeld per vierkante kilometer wonen.
Je berekent dit zo:
bevolkingsdichtheid = aantal inwoners / oppervlakte
Een land met 20 miljoen inwoners en een oppervlakte van 1 miljoen vierkante kilometer heeft gemiddeld 20 inwoners per vierkante kilometer.
Dat cijfer is handig om gebieden snel te vergelijken.
Maar bevolkingsdichtheid is ook gevaarlijk simpel. Het is een gemiddelde. En gemiddelden kunnen de werkelijkheid verbergen.
Een land kan gemiddeld dunbevolkt lijken, terwijl bijna iedereen in een paar grote steden of langs de kust woont. Andersom kan een klein gebied extreem dichtbevolkt zijn, terwijl het omliggende gebied bijna leeg is.
Daarom kijken geografen ook naar bevolkingsspreiding.
Bevolkingsspreiding betekent: de manier waarop mensen daadwerkelijk over een gebied verdeeld zijn.
Mensen wonen zelden gelijkmatig verspreid. De wereldbevolking concentreert zich vooral in gebieden met gunstige omstandigheden.
Denk aan:
vruchtbare rivierdelta’s;
kustgebieden;
stedelijke regio’s;
gebieden met voldoende water;
gebieden met veel werk;
gebieden met goede infrastructuur;
gebieden met handel en transportverbindingen.
Ongunstige gebieden zijn vaak dunbevolkt.
Denk aan:
woestijnen;
hooggebergten;
poolgebieden;
zeer droge gebieden;
moeilijk bereikbare binnenlanden;
gebieden met weinig werk of voorzieningen.
De natuurlijke verandering van een bevolking wordt bepaald door geboorte en sterfte.
Het geboortecijfer is het aantal levendgeborenen per duizend inwoners per jaar.
Het sterftecijfer is het aantal sterfgevallen per duizend inwoners per jaar.
Deze cijfers worden meestal per duizend inwoners weergegeven. Dat maakt gebieden beter vergelijkbaar.
Een groot land heeft natuurlijk meer geboortes dan een klein land. Maar dat betekent niet automatisch dat de bevolking sneller groeit. Daarom rekenen we met verhoudingen.
Naast het geboortecijfer gebruiken geografen ook het vruchtbaarheidscijfer. Internationaal wordt dit vaak de fertility rate genoemd.
Het vruchtbaarheidscijfer is het gemiddelde aantal kinderen dat een vrouw tijdens haar vruchtbare levensjaren krijgt.
Dit cijfer is belangrijk, omdat het veel zegt over de toekomstige bevolkingsontwikkeling.
Een land met een hoog vruchtbaarheidscijfer heeft vaak een jonge bevolking en een sterke natuurlijke groei. Een land met een laag vruchtbaarheidscijfer krijgt op langere termijn vaker te maken met vergrijzing en krimp.
Om een bevolking op lange termijn ongeveer gelijk te houden zonder migratie, is een vruchtbaarheidscijfer van ongeveer 2,1 kinderen per vrouw nodig.
Dit noemen we het demografisch vervangingsniveau.
Dat getal ligt iets boven 2, omdat niet ieder kind de volwassen leeftijd bereikt en omdat niet iedereen later zelf kinderen krijgt.
Bij een vruchtbaarheidscijfer onder 2,1 zal een bevolking op lange termijn meestal krimpen, tenzij migratie dit compenseert.
Bij een vruchtbaarheidscijfer boven 2,1 kan een bevolking op lange termijn groeien, vooral als de sterfte laag is.
Let op: dit werkt niet altijd meteen. Een land met een laag vruchtbaarheidscijfer kan nog een tijd blijven groeien als er veel jonge mensen zijn. Een land met veel jonge volwassenen krijgt namelijk nog steeds veel geboortes, ook als gezinnen gemiddeld kleiner worden.
Demografie werkt dus met vertraging.
De leeftijdsopbouw van vandaag bepaalt voor een deel de bevolkingsgroei van morgen.
De natuurlijke groei is het verschil tussen geboorte en sterfte.
De formule is eenvoudig:
natuurlijke groei = geboorten - sterfgevallen
Als er in een gebied meer mensen worden geboren dan er sterven, is er sprake van een geboorteoverschot. De bevolking groeit dan op natuurlijke wijze.
Als er meer mensen sterven dan er geboren worden, spreken we van een sterfteoverschot. De bevolking krimpt dan op natuurlijke wijze.
Natuurlijke groei gaat dus alleen over geboorte en sterfte. Migratie telt hierbij nog niet mee.
De totale bevolkingsverandering noemen we het demografisch saldo.
Dit is de optelsom van natuurlijke groei en sociale groei.
demografisch saldo = natuurlijke groei + migratiesaldo
Het migratiesaldo is het verschil tussen immigratie en emigratie. Dat behandelen we uitgebreid in B10.
Voor nu is vooral belangrijk dat een bevolking op twee manieren kan veranderen:
van binnenuit, door geboorte en sterfte;
door verplaatsing, via migratie.
Een land kan bijvoorbeeld een sterfteoverschot hebben, maar toch stabiel blijven door immigratie. Duitsland is daarvan een goed voorbeeld. Door vergrijzing en lage geboortecijfers is de natuurlijke groei vaak laag of negatief, maar migratie kan ervoor zorgen dat de totale bevolking toch stabiel blijft of licht groeit.
De ontwikkeling van geboorte en sterfte in een samenleving wordt vaak uitgelegd met het demografisch transitiemodel.
Dit model laat zien hoe een samenleving verandert wanneer zij overgaat van een traditionele agrarische samenleving naar een moderne industriële of postindustriële samenleving.
Het model beschrijft meestal vier fasen. Soms wordt een vijfde fase toegevoegd.
Het demografisch transitiemodel is belangrijk omdat het laat zien dat geboorte en sterfte niet willekeurig veranderen. Ze hangen samen met voedselvoorziening, gezondheidszorg, hygiëne, onderwijs, verstedelijking, welvaart, positie van vrouwen en sociale zekerheid.
Let op: het demografisch transitiemodel is een model.
Het helpt om patronen te begrijpen, maar niet elk land volgt het model precies op dezelfde manier. Oorlog, migratie, beleid, cultuur, religie, gezondheidszorg, economie en positie van vrouwen kunnen de ontwikkeling versnellen, vertragen of veranderen.
In de eerste fase zijn zowel het geboortecijfer als het sterftecijfer hoog.
Het sterftecijfer is hoog door:
slechte hygiëne;
weinig medische kennis;
hongersnoden;
epidemieën;
onveilige leefomstandigheden;
hoge kindersterfte.
Het geboortecijfer is ook hoog. In een traditionele landbouwsamenleving zijn kinderen vaak nodig als arbeidskracht. Daarnaast krijgen gezinnen veel kinderen omdat niet alle kinderen volwassen worden en omdat er weinig toegang is tot anticonceptie.
Omdat geboorte en sterfte allebei hoog zijn, groeit de bevolking nauwelijks.
Er worden veel mensen geboren, maar er sterven ook veel mensen.
Vandaag bevindt vrijwel geen enkel land zich nog volledig in deze eerste fase.
In de tweede fase begint het sterftecijfer snel te dalen.
Dat komt door verbeteringen in:
landbouw;
voedselvoorziening;
hygiëne;
schoon drinkwater;
medische zorg;
vaccinaties;
veiligheid.
Het geboortecijfer blijft echter nog langere tijd hoog. Culturele gewoonten, religieuze normen en de economische waarde van grote gezinnen veranderen niet meteen.
Het gevolg is een groot geboorteoverschot.
De bevolking groeit snel, omdat er veel kinderen worden geboren terwijl minder mensen sterven.
Deze fase verklaart waarom sommige landen een snelle bevolkingsgroei doormaken. De daling van sterfte komt vaak eerder dan de daling van geboorte.
Of iets korter gezegd:
mensen blijven kinderen krijgen zoals vroeger, maar sterven niet meer zoals vroeger.
In de derde fase begint ook het geboortecijfer duidelijk te dalen.
Dat heeft meerdere oorzaken.
Door verstedelijking worden grote gezinnen minder praktisch. In de stad zijn kinderen minder nodig als arbeidskracht en juist duurder door kosten voor woning, onderwijs en verzorging.
Ook onderwijs speelt een grote rol. Wanneer meisjes en vrouwen langer naar school gaan, later trouwen, meer toegang krijgen tot werk en anticonceptie, daalt het gemiddelde aantal kinderen per vrouw meestal.
Daarnaast dragen wetten tegen kinderarbeid, betere gezondheidszorg en meer sociale zekerheid bij aan kleinere gezinnen. Ouders hoeven minder kinderen te krijgen om zeker te zijn dat een paar kinderen volwassen worden of later voor hen kunnen zorgen.
In deze fase groeit de bevolking nog wel, maar het groeitempo neemt af.
Veel semiperifere landen hebben kenmerken van deze fase, al kunnen de verschillen binnen landen groot zijn.
In de vierde fase zijn zowel het geboortecijfer als het sterftecijfer laag.
De samenleving heeft dan vaak:
een hoog welvaartsniveau;
goede gezondheidszorg;
veel onderwijs;
sterke verstedelijking;
een grote dienstensector;
betere sociale zekerheid;
toegang tot anticonceptie;
hogere levensverwachting.
De bevolkingsgroei is klein of stabiel. Gezinnen krijgen gemiddeld weinig kinderen, maar mensen leven ook lang.
Deze fase is kenmerkend voor veel hoogontwikkelde landen in het centrum.
Toch betekent een laag geboortecijfer niet automatisch dat een land meteen krimpt. Door migratie kan de totale bevolking stabiel blijven of zelfs groeien.
Sommige geografen voegen een vijfde fase toe.
In deze fase ligt het geboortecijfer langdurig onder het vervangingsniveau. Daardoor ontstaat een structureel sterfteoverschot.
De bevolking begint dan op natuurlijke wijze te krimpen en te vergrijzen.
Vergrijzing betekent dat het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt.
Japan en delen van Oost-Europa zijn duidelijke voorbeelden van gebieden waar demografische krimp en vergrijzing een belangrijk probleem zijn.
Demografische krimp heeft grote gevolgen. Er komen relatief minder werkenden en relatief meer ouderen. Dat zet druk op:
pensioenen;
zorg;
arbeidsmarkt;
woningmarkt;
regionale voorzieningen;
belastinginkomsten;
bereikbaarheid.
In sommige dorpen en regio’s zie je dit letterlijk in de ruimte. Scholen sluiten, winkels verdwijnen, huizen staan leeg en jongeren trekken weg.
Demografie wordt dan zichtbaar in het landschap.
Bij bevolkingsopbouw kijken geografen vaak naar leeftijdsgroepen. Daarbij maken we onderscheid tussen de productieve bevolking en de niet-productieve bevolking.
De productieve bevolking bestaat meestal uit mensen tussen ongeveer 15 en 65 jaar. Dit is de groep die in principe kan werken en economisch actief kan zijn. Daarom wordt deze groep ook wel de potentiële beroepsbevolking genoemd.
De niet-productieve bevolking bestaat uit groepen die meestal nog niet of niet meer werken. Dat zijn vooral kinderen en ouderen.
Let op: dit betekent niet dat deze mensen “nutteloos” zijn. Het is een economisch-demografische term. Kinderen, ouderen en zorgafhankelijke mensen kunnen sociaal enorm belangrijk zijn, maar zij behoren meestal niet tot de groep die het grootste deel van het betaalde werk doet.
De verhouding tussen productieve en niet-productieve groepen is belangrijk.
Als er veel kinderen zijn, moet een land veel investeren in scholen, kinderopvang en jeugdvoorzieningen.
Als er veel ouderen zijn, stijgt de druk op pensioenen, zorg en aangepaste woningen.
De leeftijdsopbouw bepaalt dus welke voorzieningen een samenleving nodig heeft.
Wanneer het aandeel jongeren in een bevolking toeneemt, spreken we van vergroening.
Een groene bevolking heeft relatief veel kinderen en jongeren. Dit komt vaak voor in landen met een hoog geboortecijfer.
Vergroening kan kansen bieden. Een jonge bevolking kan later zorgen voor een grote beroepsbevolking en economische groei.
Maar dan moet er wel geïnvesteerd worden in:
onderwijs;
werkgelegenheid;
huisvesting;
gezondheidszorg;
infrastructuur;
veiligheid;
politieke stabiliteit.
Zonder die investeringen kan vergroening juist leiden tot werkloosheid, armoede en sociale onrust.
Een jonge bevolking is dus geen automatische garantie voor groei.
Het is een kans, maar alleen als een samenleving jongeren ook perspectief kan bieden.
Wanneer het aandeel ouderen in een bevolking toeneemt, spreken we van vergrijzing.
Vergrijzing komt veel voor in landen met een laag geboortecijfer en een hoge levensverwachting. Japan, Italië en delen van Oost-Europa zijn duidelijke voorbeelden.
Bij vergrijzing wordt de groep ouderen groter ten opzichte van de werkende bevolking.
Dat heeft gevolgen voor:
pensioenen;
zorgkosten;
arbeidsmarkt;
mantelzorg;
woningaanpassing;
bereikbaarheid;
regionale voorzieningen.
Vergrijzing hoeft niet alleen negatief te zijn. Ouderen kunnen vrijwilligerswerk doen, zorgen voor kleinkinderen, kennis doorgeven en economisch actief blijven.
Maar als het aandeel ouderen snel stijgt en het aandeel werkenden daalt, ontstaat er wel druk op de samenleving.
De vraag is dan:
wie zorgt, wie betaalt, en wie blijft werken?
Bij vergroening en vergrijzing gebruiken geografen het begrip demografische druk.
Demografische druk is de verhouding tussen de niet-productieve bevolking en de productieve bevolking.
Er zijn twee vormen:
Groene druk is de druk van jongeren op de productieve bevolking.
Grijze druk is de druk van ouderen op de productieve bevolking.
Kort gezegd:
veel jongeren betekent vooral druk op onderwijs, jeugdvoorzieningen en toekomstige werkgelegenheid;
veel ouderen betekent vooral druk op zorg, pensioenen en arbeidsmarkt;
de productieve bevolking moet economisch genoeg dragen om beide groepen te ondersteunen.
Demografische druk helpt dus om te begrijpen waarom leeftijdsopbouw belangrijk is voor beleid.
Een land met veel jongeren heeft andere problemen dan een land met veel ouderen.
Beide moeten plannen maken voor de toekomst, maar niet voor dezelfde toekomst.
Om de leeftijdsopbouw van een bevolking zichtbaar te maken, gebruiken geografen bevolkingsdiagrammen.
De bekendste vorm is de bevolkingspiramide.
Een bevolkingsdiagram laat zien hoe de bevolking is verdeeld naar leeftijd en geslacht. Meestal staan mannen links, vrouwen rechts, en de leeftijdsgroepen van jong naar oud van onder naar boven.
De vorm van het diagram vertelt veel over de demografische situatie van een land.
Een brede basis betekent dat er veel kinderen zijn. Dat past vaak bij een hoog geboortecijfer en snelle bevolkingsgroei. Dit zie je vaak bij landen in een vroegere fase van de demografische transitie.
Een smallere basis en een brede middengroep wijzen op dalende geboortecijfers en een bevolking die stabiliseert. Dit past vaak bij landen in de laat-industriële fase.
Een smalle basis en een brede bovenkant wijzen op vergrijzing en mogelijke bevolkingskrimp. Dit past bij landen in de postindustriële fase of bij een vijfde fase van demografische krimp.
Bevolkingsdiagrammen zijn dus niet alleen plaatjes van hoe de bevolking nu is opgebouwd. Ze geven ook aanwijzingen voor de toekomst.
Demografische verandering heeft ook gevolgen voor dorpen, steden en voorzieningen. Een belangrijk begrip hierbij is drempelwaarde.
De drempelwaarde is het minimumaantal klanten, gebruikers of inwoners dat nodig is om een voorziening te laten bestaan.
Een supermarkt, basisschool, huisarts, buslijn of sportvereniging kan alleen blijven functioneren als er genoeg mensen gebruik van maken.
Wanneer de bevolking krimpt, kan een gebied onder de drempelwaarde zakken. Dan verdwijnen voorzieningen.
Eerst sluit misschien de dorpswinkel. Daarna verdwijnt de school, rijdt de bus minder vaak en wordt de huisarts verder weg gevestigd.
Dit kan leiden tot een neerwaartse spiraal.
Als voorzieningen verdwijnen, wordt het gebied minder aantrekkelijk om te wonen. Daardoor trekken nog meer jongeren en gezinnen weg. De bevolking krimpt verder, waardoor nog meer voorzieningen onder de drempelwaarde komen.
In Japan zie je dit in sommige dorpen en kleine steden heel duidelijk. Door vergrijzing, lage geboortecijfers en vertrek van jongeren naar grote steden raken hele dorpen en stadjes leeg. Huizen staan leeg, scholen sluiten en voorzieningen verdwijnen.
Demografische krimp wordt daar letterlijk zichtbaar in het landschap.
In deze paragraaf heb je gezien hoe bevolkingen veranderen door geboorte en sterfte.
Demografie helpt je om bevolkingsontwikkelingen te begrijpen met begrippen zoals bevolkingsdichtheid, bevolkingsspreiding, geboortecijfer, sterftecijfer, vruchtbaarheidscijfer, natuurlijke groei en demografisch saldo.
Het demografisch transitiemodel laat zien hoe geboorte en sterfte veranderen wanneer samenlevingen economisch en sociaal ontwikkelen. Daarna heb je gezien hoe leeftijdsopbouw gevolgen heeft voor vergroening, vergrijzing, demografische druk, voorzieningen en ruimtelijke verschillen.
Maar bevolking verandert niet alleen door geboorte en sterfte.
Mensen bewegen ook.
In de volgende paragraaf kijken we daarom naar migratie. Dan onderzoeken we waarom mensen vertrekken, waarom zij juist naar bepaalde gebieden gaan, en welke gevolgen migratie heeft voor herkomstgebieden en bestemmingsgebieden.
1. Wat onderzoekt demografie?
2. Wat is het verschil tussen bevolkingsdichtheid en bevolkingsspreiding?
3. Wat is het verschil tussen geboortecijfer en sterftecijfer?
4. Wat betekent vruchtbaarheidscijfer?
5. Wat betekent natuurlijke bevolkingsgroei?
6. Waarom kan bevolkingsdichtheid een misleidend gemiddelde zijn?
7. Waarom ligt het demografisch vervangingsniveau meestal rond 2,1 kinderen per vrouw?
8. Waarom daalt het sterftecijfer vaak eerder dan het geboortecijfer in het demografisch transitiemodel?
9. Waarom kan een land met een laag geboortecijfer toch nog een tijd blijven groeien?
10. Waarom zorgt vergrijzing voor druk op de productieve bevolking?
11. Een land heeft 900.000 geboorten en 600.000 sterfgevallen in één jaar.
Heeft dit land een geboorteoverschot of sterfteoverschot? Leg uit.
12. Een land heeft een vruchtbaarheidscijfer van 1,5.
Ligt dit boven of onder het demografisch vervangingsniveau? Wat kan dit op lange termijn betekenen?
13. Leg uit hoe je aan een bevolkingsdiagram kunt zien dat een land sterk vergrijst.
14. Geef een voorbeeld van een voorziening die onder druk kan komen te staan door vergroening.
15. Geef een voorbeeld van een voorziening die onder druk kan komen te staan door vergrijzing.
16. Leg uit hoe een dalend geboortecijfer de leeftijdsopbouw van een land verandert.
17. Analyseer waarom demografische krimp kan leiden tot een neerwaartse spiraal in een regio.
18. Leg uit hoe de fase van het demografisch transitiemodel invloed heeft op de leeftijdsopbouw van een land.
19. Analyseer waarom een jonge bevolking tegelijk een kans en een probleem kan zijn.
20. Leg uit waarom natuurlijke groei alleen niet genoeg is om de totale bevolkingsverandering van een land te begrijpen.
21. Is vergrijzing vooral een probleem, of ook een teken van ontwikkeling? Leg uit.
22. Moet een regering proberen het geboortecijfer te verhogen als de bevolking krimpt? Leg uit.
23. Bedenk drie maatregelen waarmee een regio met demografische krimp leefbaar kan blijven. Leg per maatregel kort uit welk probleem ermee wordt aangepakt.