De kern is de opkomst van kritisch, rationeel denken over mens, samenleving en macht: natuurwetten, rede en debat ondermijnen vanzelfsprekendheden van kerk, traditie en absolutisme. Verlichte ideeën werken door in politieke doorbraken, vooral in de Amerikaanse onafhankelijkheid en de Franse Revolutie, waar begrippen als grondrechten, volkssoevereiniteit en (in theorie) gelijkheid centraal komen te staan—maar in de praktijk vaak beperkt blijven (bijv. voor vrouwen en slaafgemaakten).
Na Napoleon proberen Europese grootmachten in 1815 met restauratie orde te herstellen, maar de “erfenis” van de Verlichting blijft: grondwetten, rechtsstaat, parlementen en discussies over representatie en kiesrecht. In de 19e eeuw vertalen die ideeën zich (met frictie) in liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionele politiek en feministische bewegingen, mede door industrialisatie en de sociale kwestie.
Tussen ongeveer 1650 en 1789 (de aanloop naar de Franse Revolutie) ontwikkelde zich in Europa een nieuwe manier van denken die we Verlichting noemen:
een intellectuele beweging die ervan uitging dat de mens met zijn verstand (rede) de wereld kan begrijpen én verbeteren.
Verlichte denkers stelden vragen bij het bestaande ancien régime:
de oude orde van vóór de Franse Revolutie, gekenmerkt door standenmaatschappij (geestelijkheid, adel, derde stand) en vaak een absolute monarchie.
Zij zochten naar principes voor een rechtvaardige samenleving. Daarbij stelden ze vragen als:
Wie mag eigenlijk regeren?
Waar komt macht vandaan?
Welke rechten heeft ieder mens van nature?
Hoe hoort de verhouding te zijn tussen staat, kerk en burgers?
De antwoorden die ze gaven – over natuurrechten, sociaal contract, scheiding der machten, godsdienstvrijheid en economische vrijheid – zouden een enorme invloed krijgen op politieke revoluties en grondwetten in Europa en Amerika.
De ideeën van de Verlichting zijn nauw verbonden met de wetenschappelijke revolutie in de 17e eeuw. In deze periode veranderde de manier waarop mensen naar natuur en kennis keken.
Belangrijke factoren:
Ontdekkingsreizen brachten nieuwe kennis over continenten, volkeren, planten en dieren.
Nieuwe ambachtelijke technieken (bijv. betere telescopen, microscopen, meetinstrumenten) maakten nauwkeuriger onderzoek mogelijk.
Humanistische tekstanalyse leerde geleerden oude teksten kritisch te lezen in plaats van klakkeloos te geloven.
Het rationalisme van Descartes (René Descartes) benadrukte:
dat ware kennis voortkomt uit het gebruik van het zuivere verstand met logische redenering.
Het empirisme van Locke (John Locke) legde juist de nadruk op:
kennis door ervaring en waarneming met de zintuigen.
Samen leidden deze benaderingen tot grote doorbraken, onder andere bij Newton (Isaac Newton), die natuurwetten formuleerde (bijv. zwaartekracht). De natuur bleek niet willekeurig, maar wetmatig en begrijpelijk.
Dit succes van verstand en experiment had een belangrijk gevolg:
als de mens de natuur met zijn verstand kan doorgronden, waarom zou hij dan niet óók de samenleving, politiek en godsdienst rationeel kunnen onderzoeken en verbeteren?
De wetenschappelijke revolutie en de godsdienstoorlogen van de 16e en 17e eeuw riepen vragen op over de rol van godsdienst in de samenleving.
Steeds vaker vonden denkers dat:
geloof een zaak van het individuele geweten is;
de staat of de vorst niet moet voorschrijven wat mensen moeten geloven;
verschillende geloofsrichtingen verdraagzaam (tolerant) tegenover elkaar zouden moeten zijn.
Gewetensvrijheid betekent:
het recht van ieder individu om in zijn binnenste te geloven en denken wat hij wil, zonder dwang van buitenaf.
Veel verlichte denkers (bijv. Voltaire) bekritiseerden:
de macht van kerkelijke instellingen;
intolerantie en vervolging van andersdenkenden;
het idee dat één kerk de enige waarheid bezit.
Tegelijk gingen sommigen niet zover dat ze geloof volledig afwezen. Velen waren deïst:
zij geloofden in een Schepper die de wereld volgens natuurwetten in gang gezet had, maar zich daarna niet meer met details bemoeide.
Belangrijk verlicht idee: de staat moet niet langer religie opleggen, maar ruimte laten aan individuele geloofskeuze. Dat werd gezien als een voorwaarde voor een rechtvaardige samenleving.
Een kernidee van de Verlichting was dat mensen bepaalde rechten niet van de vorst krijgen, maar van nature bezitten.
Natuurrechten zijn:
grondrechten die ieder mens heeft omdat hij mens is, zoals het recht op leven, vrijheid en bezit.
Locke ging uit van een natuurtoestand: een denkbeeldige situatie vóórdat er staten en regeringen zijn. Daar hebben mensen al natuurrechten. Om die rechten beter te beschermen, sluiten mensen volgens hem een sociaal contract:
een denkbeeldige overeenkomst tussen vrije individuen om samen een staat te vormen die hun rechten beschermt.
Belangrijke punten bij Locke:
De staatsmacht is niet van God afkomstig, maar uiteindelijk van het volk: dit heet volkssoevereiniteit.
De overheid is een “trustee”, een soort beheerder van de rechten van burgers.
Als de overheid deze natuurrechten schendt, hebben burgers zelfs het recht op opstand.
Hiermee ondermijnde Locke het klassieke droit divin (goddelijk recht) van koningen:
de opvatting dat een vorst rechtstreeks door God is aangesteld en daarom onbegrensde macht heeft.
Een rechtvaardige samenleving moet volgens dit denken juist de rechten van individuen beschermen, niet de macht van de vorst.
Jean-Jacques Rousseau ging nog verder dan Locke. Ook hij dacht in termen van natuurtoestand en sociaal contract, maar hij legde sterk de nadruk op gelijkheid en algemene wil.
Belangrijke ideeën van Rousseau:
In de natuurtoestand zijn mensen vrij en in zekere zin gelijk, maar eigendom en bezit zorgen voor ongelijkheid en corruptie.
Een rechtvaardige samenleving moet het algemeen belang boven privébelangen stellen.
De algemene wil (volonté générale) is:
de wil van het volk als geheel, gericht op het algemeen belang, niet op optelsommetjes van individuele ego’s.
Rousseau koppelde hieraan:
sterkere nadruk op gelijkheid, ook van armen en zelfs van groepen zoals slaven;
ideeën over meer directe democratie, waarin burgers zelf actief deelnemen aan besluitvorming;
kritiek op extreme rijkdom en sociale ongelijkheid.
Rousseau’s denkbeelden waren radicaal voor zijn tijd. Ze zouden grote invloed krijgen op de Franse Revolutie en latere democratische bewegingen.
Montesquieu richtte zich vooral op de vraag hoe macht kan worden beperkt, zodat ze niet misbruikt wordt.
Hij analyseerde staatsvormen en kwam tot het idee van de scheiding der machten:
de gedachte dat de staatsmacht verdeeld moet worden over drie machten:
de wetgevende macht (maakt wetten),
de uitvoerende macht (voert wetten uit),
de rechterlijke macht (spreekt recht).
Als deze machten gescheiden zijn en elkaar controleren en in evenwicht houden (checks and balances), is de kans kleiner dat één persoon of instelling absolute macht naar zich toetrekt.
Dit was een directe kritiek op het absolutisme:
een staatsvorm waarbij de vorst alle macht in handen heeft en nauwelijks wordt beperkt door wetten of andere organen.
Montesquieu’s scheiding der machten werd één van de belangrijkste bouwstenen voor latere grondwetten (bijv. in de Verenigde Staten en Frankrijk).
Ook op het gebied van economie ontstonden verlichte ideeën. Een centrale figuur is Adam Smith.
Hij bekritiseerde het oude mercantilistische beleid (sterke inmenging van de staat in handel en productie) en pleitte voor meer economische vrijheid:
Mensen streven hun rationele eigenbelang na: ze willen winst maken, efficiënt werken, goede producten leveren.
Als de staat die werking van vraag en aanbod niet teveel hindert, zorgt de “onzichtbare hand” van de markt voor een goede verdeling van arbeid en goederen.
Smith vond dat de staat wel taken had (bijv. veiligheid, rechtspraak, infrastructuur), maar niet alles in de economie moest willen sturen. Voor een rechtvaardige samenleving was volgens hem nodig dat:
de markt wordt vrijgelaten binnen algemene spelregels;
privileges en monopolies van bepaalde groepen worden afgeschaft;
belasting en regels redelijk en voorspelbaar zijn.
Zo ontstond een verlicht denken over de verhouding tussen staat en economie, dat een basis vormt voor latere liberale ideeën.
Een ander belangrijk gevolg van de Verlichting was de ontwikkeling van een nieuwe politieke cultuur.
Er ontstond een publieke sfeer: een ruimte (fysiek en mentaal) waarin burgers over publieke zaken discussiëren buiten directe controle van de staat.
Verlichte ideeën verspreidden zich via boeken, pamfletten, tijdschriften, maar ook via salons, coffeehouses en leesgezelschappen.
Werken als de Encyclopédie (van Diderot en d’Alembert) probeerden alle kennis samen te brengen en toegankelijk te maken.
Voor het eerst moesten vorsten serieus rekening gaan houden met een publieke opinie:
de verzamelde meningen en oordelen van een breder publiek over politiek en samenleving.
Tegelijk reageerden veel vorsten en kerken met censuur:
sommige boeken werden verboden;
auteurs konden vervolgd worden;
drukkers en uitgevers liepen risico.
Toch kreeg het idee wortel dat macht niet alleen van boven naar beneden werkt, maar dat kritische burgers ook een stem hebben – een fundamenteel verlicht uitgangspunt.
Ondanks alle kritiek bleef het ancien régime in veel landen bestaan, vaak met een absolute vorst aan het hoofd. Tegelijk probeerden sommige vorsten zich “modern” te tonen door inspiratie te halen uit het verlichte denken. Dit noemen we verlicht absolutisme of “verlichte despotie”.
Verlicht absolutisme is:
een bestuursvorm waarbij de vorst zich blijft beroepen op absolute macht, maar wel sommige ideeën van de Verlichting toepast om bestuur en samenleving te “moderniseren”.
Voorbeelden (die je in examens vaak tegenkomt) zijn vorsten als Frederik II van Pruisen, Jozef II van Oostenrijk en Catharina II van Rusland, die:
hervormingen doorvoerden in rechtspraak, onderwijs of religieuze tolerantie;
economische ontwikkeling stimuleerden;
soms censuur en foltering beperkten.
Maar:
zij hielden de uiteindelijke macht stevig in eigen hand;
het standenstelsel en veel ongelijkheden bleven bestaan;
het volk had geen echte politieke macht.
Zo bestond het ancien régime voort, maar met een laag verlicht vernis. Dat maakte de botsing met radicalere verlichtingsideeën (zoals die van Rousseau) later des te explosiever.
In de tweede helft van de 18e eeuw werden verlichtingsideeën over natuurrechten, volkssoevereiniteit, scheiding der machten en vrijheid niet alleen besproken in boeken en salons, maar ook in praktijk gebracht. Dat gebeurde vooral in twee grote democratische revoluties:
Een democratische revolutie is een omwenteling waarbij het volk (of een deel ervan) bestaande machtsverhoudingen omverwerpt en nieuwe politieke rechten, grondwetten en vormen van staatsburgerschap invoert.
De Amerikaanse Revolutie (1776–1783) en de Franse Revolutie (1789–1799) waren sterk beïnvloed door de Verlichting, maar lieten tegelijk zien hoe beperkt die idealen in de praktijk vaak bleven: slavernij, ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en koloniale overheersing bleven grotendeels bestaan. Ook onder Napoleon (1799–1813) werden revolutionaire ideeën over recht en staatsinrichting verspreid door Europa, maar gecombineerd met autoritaire heerschappij.
In de achttiende eeuw werden de Britse koloniën in Noord-Amerika bestuurd door de Britse koning en Parlement, maar hadden ze veel zelfbestuur in hun eigen koloniale vergaderingen. Verlichtingsideeën bereikten de kolonisten via:
literatuur uit Europa (werken van Locke, Montesquieu, Voltaire, Rousseau);
pamfletten en kranten;
briefwisselingen en debatten in koloniale elites.
Belangrijke verlichte ideeën die aansloegen:
natuurrechten: het idee dat mensen van nature rechten hebben (leven, vrijheid, bezit);
volkssoevereiniteit: alle macht komt uiteindelijk van het volk;
beperkte macht van de overheid en bescherming van individuele vrijheden.
Toen Groot-Brittannië na 1763 nieuwe belastingen invoerde (bijvoorbeeld op suiker en thee) zónder dat de kolonisten vertegenwoordigd waren in het Britse Parlement, ontstond verzet. De leus werd:
“No taxation without representation” – geen belasting zonder vertegenwoordiging.
Kolonisten zagen de Britse maatregelen als schending van hun rechten als Engelse burgers én van de verlichte principes van rechtvaardig bestuur.
Het verzet in de kolonies werd georganiseerd via committees of correspondence:
lokale en koloniale comités die via brieven en pamfletten informatie uitwisselden, protestacties coördineerden en het publieke debat aanwakkerden.
Zij hielpen bij:
het boycotten van Britse goederen;
het organiseren van protesten (zoals de Boston Tea Party);
het verspreiden van verlicht geïnspireerde argumenten.
Een cruciale rol speelde het pamflet Common Sense (1776) van Thomas Paine:
geschreven in begrijpelijke taal;
stelde dat het onlogisch en onrechtvaardig was dat een kolonie door een verre koning werd geregeerd;
verdedigde het idee van een republiek gebaseerd op volkssoevereiniteit en rechten van burgers.
George Washington werd opperbevelhebber van het koloniale leger en groeide uit tot symbool van de onafhankelijkheidsstrijd.
In juli 1776 namen vertegenwoordigers van dertien koloniën de Declaration of Independence aan:
een onafhankelijkheidsverklaring waarin zij verklaarden dat mensen “created equal” zijn met onvervreemdbare rechten (zoals “life, liberty and the pursuit of happiness”), en dat regeringen hun rechtvaardige macht ontlenen aan de instemming van de geregeerden.
Hier zie je direct de invloed van Locke (natuurrechten, sociaal contract).
Na de oorlog (formeel beëindigd in 1783) moesten de voormalige koloniën zichzelf politiek opnieuw organiseren. De eerste poging (Articles of Confederation) gaf de centrale overheid weinig macht. Daarom werd in 1787 een nieuwe Grondwet opgesteld.
Belangrijke verlichte elementen:
scheiding der machten (Montesquieu):
wetgevende macht: Congres (Senate en House of Representatives);
uitvoerende macht: president;
rechterlijke macht: onafhankelijke federale rechterlijke macht, met als hoogste orgaan het Supreme Court.
checks and balances: machten kunnen elkaar controleren (bijv. vetorecht president, rechterlijke toetsing, impeachment).
federalisme:
verdeling van macht tussen de nationale overheid en de afzonderlijke staten.
Omdat sommigen vreesden dat de nieuwe federale overheid te machtig zou worden, werd kort daarna de Bill of Rights (1791) aangenomen:
de eerste tien amendementen op de Grondwet, waarin basisrechten van burgers worden vastgelegd, zoals vrijheid van godsdienst, meningsuiting, vergadering en bescherming tegen willekeurige arrestatie.
Dit alles was een directe toepassing van verlichte ideeën over grondrechten en grondwetten:
Een grondwet is een document waarin de basisregels van de staatsinrichting en de belangrijkste rechten van burgers zijn vastgelegd.
Grondrechten zijn fundamentele rechten van burgers tegenover de staat (zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, eigendomsrecht).
In de praktijk waren de verlichte idealen in de Verenigde Staten sterk beperkt. Formeel golden de rechten voor alle burgers, maar:
slaafgemaakten (vooral in de zuidelijke staten) waren eigendom en hadden géén rechten;
inheemse volken (Native Americans) hadden geen staatsburgerschap en werden vaak met geweld van hun land verdreven;
vrouwen hadden geen kiesrecht en weinig juridische zelfstandigheid.
De nieuwe republiek was dus in de praktijk een witte mannen-democratie.
Dit staat in scherp contrast met KA 29:
de VS maakten deel uit van de trans-Atlantische slavenhandel:
een systeem waarbij miljoenen Afrikanen met geweld naar Amerika werden gebracht om als slaaf te werken op plantages;
er waren plantagekoloniën in het zuiden waar de economie draaide op slavernij.
Tegelijkertijd ontstond er in dezelfde periode een begin van het abolitionisme:
het abolitionisme is de beweging die streefde naar afschaffing van de slavernij en de slavenhandel, vaak op basis van verlichte ideeën over menselijkheid en gelijkheid.
Voorbeelden:
religieuze groepen zoals Quakers veroordeelden slavernij;
sommige noordelijke staten schaften slavernij geleidelijk af;
in 1808 verbood de VS de import van nieuwe slaafgemaakten (maar de slavernij zelf bleef bestaan).
De Amerikaanse Revolutie toonde dus zowel de kracht als de grenzen van verlichte ideeën in de praktijk.
In Frankrijk bestond het ancien régime met een standensamenleving:
eerste stand: geestelijkheid,
tweede stand: adel,
derde stand: iedereen daaronder (boeren, stedelijke burgerij, arbeiders).
De derde stand betaalde het grootste deel van de belastingen maar had de minste privileges. Verlichtingsideeën (o.a. van Voltaire, Montesquieu, Rousseau) leidden tot groeiende kritiek:
op de voorrechten van adel en geestelijkheid;
op de ongelijkheid voor de wet;
op het ontbreken van politieke vertegenwoordiging.
Door financiële problemen (o.a. dure oorlogen en het hulpen aan de Amerikaanse Revolutie) zag Lodewijk XVI zich genoodzaakt in 1789 de Staten-Generaal bijeen te roepen:
een vergadering van vertegenwoordigers van de drie standen.
De derde stand voelde zich ondervertegenwoordigd en riep zich uit tot Nationale Vergadering, die claimde het hele volk te vertegenwoordigen. In de zomer van 1789 volgden:
de Bestorming van de Bastille (symbool van koninklijke willekeur);
opstanden op het platteland tegen feodale rechten.
In augustus 1789 werd de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger aangenomen:
legt principes vast als vrijheid, gelijkheid voor de wet, volkssoevereiniteit en vrijheid van meningsuiting;
vormt een typische toepassing van verlichte ideeën op het staatsrecht.
In 1791 kreeg Frankrijk een grondwet en werd een constitutionele monarchie:
een staatsvorm waarin de macht van de koning is beperkt door een grondwet en een gekozen vergadering.
Wel gold censuskiesrecht:
alleen mannen die een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden of voldoende bezit hadden, mochten stemmen of gekozen worden.
De revolutie bracht dus belangrijke verlichte principes in de praktijk, maar nog binnen een beperkte kring.
De situatie bleef instabiel:
Koning en buitenlandse vorsten stonden vijandig tegenover de revolutie;
Er waren oorlogen met buurlanden;
Binnen Frankrijk bestonden grote meningsverschillen over hoe ver de revolutie moest gaan.
In 1792 vond een tweede revolutie plaats:
de monarchie werd afgeschaft;
Frankrijk werd een republiek;
de koning werd terechtgesteld na een rechtszaak.
De macht kwam in handen van de jakobijnen:
een radicale politieke groepering die vergaande gelijkheid en democratie nastreefde en bereid was daarvoor geweld te gebruiken.
Onder leiding van Robespierre voerden zij:
algemeen mannenkiesrecht in (geen census meer);
politiek van economische gelijkheid (prijsmaximum, maatregelen tegen speculanten);
een harde aanpak van vermeende vijanden van de revolutie.
Deze periode noemen we het Schrikbewind of de Terreur (1793–1794):
fase waarin de revolutionaire regering tegenstanders massaal vervolgde en liet executeren, vaak met de guillotine.
Ook Olympe de Gouges, schrijfster van de Verklaring van de Rechten van de Vrouw en de Burgeres, werd geëxecuteerd toen zij gelijkberechtiging van vrouwen eiste. Dit laat zien hoe beperkt zelfs een radicale revolutie kon blijven in de toepassing van verlichte gelijkheidsidealen.
Tijdens de Terreur werd in 1794 de slavernij in Franse koloniën formeel afgeschaft – een toepassing van verlichte gelijkheid op slaafgemaakten – maar dat zou later door Napoleon weer worden teruggedraaid (1802).
Na de val van Robespierre en een aantal jaren van onstabiel bestuur greep Napoleon Bonaparte in 1799 de macht via een staatsgreep.
Hij:
presenteerde zich als de man van orde en “verworvenheden van de revolutie”;
maakte een eind aan de politieke chaos;
kroonde zichzelf in 1804 tot keizer.
Hoewel Napoleon steeds autoritairder regeerde, voerde hij in Frankrijk en in veroverde gebieden belangrijke hervormingen door. De belangrijkste was de Code Napoléon (1804):
een serie burgerlijke wetboeken waarin veel revolutionaire en verlichte principes werden vastgelegd, zoals gelijkheid van (mannelijke) burgers voor de wet, bescherming van eigendom en afschaffing van feodale privileges.
Belangrijke kenmerken van de Code:
één nationaal, geschreven burgerlijk recht in plaats van lokale, feodale gewoonten;
formele gelijkheid van (mannelijke) burgers voor de wet;
secularisering van het recht (minder directe invloed van kerkelijke regels);
bescherming van eigendom en contractvrijheid.
Tegelijk:
behield Napoleon een autoritaire macht;
beperkte hij persvrijheid en politieke oppositie;
herstelde hij de slavernij in Franse koloniën (1802).
Door Napoleons veroveringen werden de Code Napoléon en andere revolutionaire hervormingen in grote delen van Europa ingevoerd. Daarmee verspreidden verlichte ideeën over recht en staatsinrichting zich tot ver buiten Frankrijk – ook na zijn nederlaag (1813/1815) zouden veel hervormingen blijvend zijn.
Na de nederlaag van Napoleon wilden de Europese grootmachten tijdens het Congres van Wenen (1814–1815) vooral orde en stabiliteit herstellen. Ze probeerden veel van de situatie vóór de Franse Revolutie terug te brengen:
vorsten weer op de troon,
grenzen herzien,
revolutie en “overdreven” vrijheid onder controle krijgen.
Deze periode heet de restauratie:
een poging om de oude politieke orde (ancien régime) te herstellen na de revolutietijd.
Toch kon men niet zomaar terug naar 1788:
veel Napoleontische hervormingen bleven bestaan, zoals de Code Napoléon (burgerlijk wetboek met gelijkheid voor de wet en afschaffing van feodale rechten);
verlichtingsideeën over grondrechten, volkssoevereiniteit en scheiding der machten waren bekend geraakt bij een breed geschoold publiek;
de industriële revolutie veranderde de economie radicaal en bracht nieuwe groepen (arbeiders, burgerlijke ondernemers) op het politieke toneel.
Tussen 1813 en 1900 ontstonden overal in Europa politieke stromingen en bewegingen – liberalisme, socialisme, nationalisme, confessionalisme en feminisme – die allemaal in meer of mindere mate voortbouwden op, of reageerden op, de Verlichting. Hun opkomst veranderde de politieke cultuur voorgoed: er kwamen grondwetten, partijen, verkiezingen, massabewegingen en debatten over de sociale kwestie en emancipatie.
De overwinnaars van Napoleon (o.a. Oostenrijk, Pruisen, Rusland, Groot-Brittannië) wilden:
revoluties voorkomen;
macht evenwichtig verdelen om oorlogen te vermijden (machtsevenwicht);
monarchieën en aristocratische invloed herstellen.
Toch bleek de klok niet volledig terug te draaien:
In veel gebieden bleven Napoleontische wetboeken en hervormingen gelden.
De Code Napoléon bevatte principes als gelijke behandeling van mannelijke burgers voor de wet, afschaffing van feodale privileges en bescherming van eigendom.
Het idee dat macht beperkt moest worden door wetten en grondrechten bleef rondzingen.
Er was een generatie gevormd die had meegemaakt dat grondwetten en parlementen mogelijk waren.
De politieke cultuur in Europa werd dus een soort hybride:
officieel werd de oude orde hersteld;
in de praktijk bleven verlichte principes (rechtsgelijkheid, geschreven wetgeving, invloed van burgers) aanwezig als norm of ideaal, waar tegenstanders en voorstanders zich toe moesten verhouden.
In de 19e eeuw voltrok zich de industriële revolutie, eerst in Groot-Brittannië, later in andere delen van Europa:
een diepgaande economische verandering waarbij handwerk en agrarische productie geleidelijk plaatsmaken voor fabriekssystemen, machines, stoomkracht en massaproductie.
Gevolgen:
snelle verstedelijking: massale trek naar de stad voor fabriekswerk;
ontstaan van een grote arbeidersklasse (proletariaat) met lage lonen, lange werkdagen en slechte woonomstandigheden;
scherpe tegenstelling tussen kapitaalbezitters (fabrikanten, ondernemers) en arbeiders.
Dit geheel noemen we de sociale kwestie:
het geheel van problemen rond de leef- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse, en de vraag welke rol overheid, werkgevers en samenleving daarin moesten spelen.
De sociale kwestie dwong politiek en samenleving om na te denken over:
wat vrijheid betekent als iemand economisch afhankelijk is;
of gelijkheid ook materiële gelijkheid of in elk geval bestaanszekerheid inhoudt;
of de staat zich moet bemoeien met arbeidsomstandigheden, lonen, kinderarbeid, huisvesting.
Daarmee werden verlichte kernbegrippen als vrijheid, gelijkheid en rechten van de mens concreet getest in een nieuwe industriële context.
Het liberalisme is de stroming die de vrijheid van het individu centraal stelt:
liberalen benadrukken burgerlijke vrijheden (meningsuiting, godsdienstvrijheid, persvrijheid), de rechtsstaat, bescherming van eigendom en een beperkte overheid.
Liberalen baseerden zich sterk op verlichte denkers als Locke en Montesquieu:
de staat moet de rechten van burgers beschermen;
macht moet worden beperkt en gescheiden (wetgevend, uitvoerend, rechterlijk);
burgers moeten via grondwetten en parlementen invloed kunnen uitoefenen.
In de 19e eeuw streden liberalen in veel landen voor:
grondwetten en parlementen;
afschaffing van feodale privileges van adel en kerk;
gelijke burgerrechten voor burgers (in de praktijk meestal mannelijke burgers);
uitbreiding van het kiesrecht.
Maar liberalen waren vaak terughoudend met volledige democratie:
zij kozen meestal voor censuskiesrecht:
alleen mannen die een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden of voldoende bezit hadden, mochten stemmen.
Voorbeelden van liberale stappen:
Afscheiding van België (1830) uit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden: Belgen verzetten zich tegen het autoritaire en centralistische beleid van koning Willem I en stichtten een constitutionele monarchie met een liberale grondwet.
Nederlands grondwet van Thorbecke (1848): versterkte de macht van het parlement, maakte ministers verantwoordelijk (en niet de koning), en legde klassieke grondrechten vast.
Ook elders in Europa waren de revoluties van 1848 sterk geïnspireerd door liberalisme en nationalisme: burgers eisten grondwetten, parlementen en meer inspraak.
Langzaam maar zeker leidde deze strijd tot voortschrijdende democratisering:
een proces waarbij steeds meer groepen (eerst mannelijke burgers, later ook arbeiders en vrouwen) politieke rechten en kiesrecht kregen.
Het nationalisme is de stroming die uitgaat van het belang van het volk of de natie:
een natie wordt vaak gezien als een gemeenschap met gedeelde taal, geschiedenis, cultuur en soms religie, die in één eigen staat zou moeten samenleven.
Het nationalisme werd beïnvloed door:
verlichtingsideeën over volkssoevereiniteit (de macht hoort bij het volk);
de ervaring van de revoluties en Napoleontische tijd, waarin grenzen en regimes vaak veranderden;
de Romantiek, die gevoelens, geschiedenis en volkscultuur idealiseerde.
Verlicht element:
het idee dat legitimiteit niet alleen van een koning komt, maar van het volk als collectief.
streven naar broederschap binnen één volk of staat.
Gevolgen:
Nationalisme was een drijvende kracht achter de eenwording van Italië en Duitsland in de 19e eeuw.
In multi-etnische rijken (zoals het Habsburgse rijk of het Ottomaanse rijk) leidde nationalisme tot spanningen en streven naar onafhankelijkheid van nieuwe staten (bijv. Griekenland, Servië, later andere Balkanlanden).
Nationalisme kon dus:
verlicht lijken (volk regeert zichzelf, burgers horen bij een natie met gelijke rechten),
maar ook botsen met verlichtingsidealen van universele rechten (rechten van alle mensen, ongeacht natie) door uitsluiting van minderheden.
Het socialisme vertrekt van het ideaal van gelijkheid en solidariteit, niet alleen juridisch maar ook materieel:
socialisten vinden dat de samenleving (via staat of gemeenschap) moet ingrijpen om uitbuiting te voorkomen en meer rechtvaardige verdeling van welvaart te bereiken.
Socialisme bouwt gedeeltelijk voort op de Verlichting:
geloof in maakbaarheid van samenleving;
idee dat ongelijkheid niet “natuurlijk” of door God gegeven hoeft te zijn;
beroep op redelijkheid en rechtvaardigheid.
Maar het is ook een kritiek op burgerlijk-liberale Verlichting:
puur formele vrijheid is weinig waard als mensen economisch gevangen zitten;
eigendom en kapitaal geven in praktijk onevenredig veel macht.
In reactie op de sociale kwestie ontstonden in de 19e eeuw:
coöperaties van arbeiders (bijv. winkels of banken in gezamenlijk bezit);
vakbonden, die streden voor hogere lonen, kortere werktijden en betere omstandigheden;
socialistische partijen.
Binnen het socialisme ontstonden stromingen:
communisten (zoals Karl Marx en Friedrich Engels) voorspelden een sociale revolutie:
arbeiders zouden het kapitalistische systeem omverwerpen;
privébezit van productiemiddelen (fabrieken, machines) zou afgeschaft worden;
een klasseloze samenleving zou ontstaan.
anarchisten wilden niet alleen het kapitalisme, maar ook de staat afschaffen; zij vertrouwden op vrijwillige samenwerking en zelfbestuur.
sociaaldemocraten streefden naar geleidelijke hervormingen via verkiezingen, parlementaire samenwerking en sociale wetgeving (bijv. beperking kinderarbeid, verzekering tegen ziekte en ongeval).
Deze bewegingen maakten van arbeiders een politieke factor en zetten de discussie over rechtvaardigheid en sociale rechten centraal in de politieke cultuur.
Vanaf het einde van de 19e eeuw organiseerden ook religieuze groepen zich in politieke partijen. Dit noemen we confessionalisme:
confessionalisme is een stroming waarbij politiek wordt georganiseerd langs lijnen van geloof (confessie), bijvoorbeeld katholieke of protestantse partijen.
Deze partijen kwamen op als reactie op:
de secularisering (afnemende invloed van kerk in politiek en samenleving);
de liberale nadruk op individuele vrijheid zonder duidelijke christelijke basis;
de groeiende invloed van socialisme, dat soms anti-religieus was.
Confessionele partijen:
verdedigden waarden als gezin, kerk, orde en traditionele verhoudingen;
waren vaak conservatief op cultureel gebied;
maar namen de sociale kwestie serieus vanuit een christelijk perspectief.
Zij ontwikkelden ideeën over christelijk-sociale politiek:
beleid geïnspireerd door christelijke naastenliefde en gerechtigheid, dat streefde naar bescherming van zwakkeren (arbeiders, armen) via sociale voorzieningen en arbeidswetgeving.
Zo ontstond bijvoorbeeld:
katholieke arbeidersbewegingen;
protestantse organisaties die zich inzetten voor betere arbeidsomstandigheden;
religieuze partijen die sociale wetten steunden (bijv. beperkt verbod op kinderarbeid, ziekte- en ongevallenverzekeringen).
Dit was een duidelijke vermenging van verlichtingsideeën (aandacht voor rechten en welzijn van individuen) met religieuze waardesystemen.
De Verlichting had in theorie verkondigd dat alle mensen gelijke rechten hebben. In de praktijk was dat lang beperkt tot mannen. In de 19e eeuw leidde dit tot feminisme:
een emancipatiebeweging die streeft naar gelijke rechten en kansen voor vrouwen op gebieden als onderwijs, arbeid, politiek en recht.
Emancipatie betekent:
het streven van achtergestelde groepen naar gelijke rechten en volwaardige deelname aan de samenleving.
Feministen:
wezen op de tegenstrijdigheid tussen verlichte principes van vrijheid/gelijkheid en de achterstelling van vrouwen;
streden voor kiesrecht (suffragette-beweging), toegang tot onderwijs en beroepen;
bekritiseerden het burgerlijk gezinsideaal, waarin de man kostwinner en de vrouw huisvrouw moest zijn.
In Nederland is bijvoorbeeld Aletta Jacobs belangrijk:
eerste vrouwelijke arts;
actief in de strijd voor vrouwenkiesrecht;
hield zich ook bezig met maatschappelijke thema’s als prostitutie, geboortebeperking, drankmisbruik en opvoeding – allemaal kwesties waarin ze het belang van vrouwen en kinderen verdedigde.
Feminisme maakte daarmee duidelijk dat de verlichte belofte van “rechten van de mens” nog lang niet voor iedereen gold, en dwong politieke cultuur om geslacht als politiek thema te erkennen.
Ook andere emancipatiebewegingen (bijv. bewegingen van arbeiders, religieuze minderheden, nationale minderheden) maakten gebruik van de verlichtings-taal van rechten, rechtvaardigheid en gelijkheid.