In B9 hebben we gekeken naar natuurlijke bevolkingsgroei. Daarbij ging het om geboorte, sterfte, vruchtbaarheid, vergrijzing, vergroening en het demografisch transitiemodel.
Maar bevolking verandert niet alleen doordat mensen worden geboren of sterven.
Bevolking verandert ook doordat mensen verhuizen.
Wanneer mensen voor langere tijd van woonplaats veranderen, spreken we van migratie. Migratie kan plaatsvinden binnen een land, tussen buurlanden, binnen een wereldregio of tussen continenten.
Migratie is dus de ruimtelijke kant van bevolkingsverandering.
Geboorte en sterfte veranderen de bevolking van binnenuit.
Migratie verandert de bevolking door beweging.
Na deze paragraaf kun je:
uitleggen wat migratie is;
uitleggen wat sociale groei en migratiesaldo betekenen;
het verschil uitleggen tussen immigratie en emigratie;
het verschil uitleggen tussen interne migratie, regionale migratie en internationale migratie;
begrippen zoals immigrant, emigrant, asielzoeker, vluchteling en ongedocumenteerde migratie gebruiken;
uitleggen wat pushfactoren en pullfactoren zijn;
uitleggen wat kettingmigratie is;
gevolgen van migratie voor het herkomstgebied beschrijven;
gevolgen van migratie voor het bestemmingsgebied beschrijven;
uitleggen waarom migratie politiek gevoelig is;
uitleggen waarom migratie samenhangt met economie, bestuur, cultuur, ruimte en macht.
Naast natuurlijke groei bestaat er ook sociale groei.
Sociale groei gaat over bevolkingsverandering door migratie.
De sociale groei wordt gemeten met het migratiesaldo.
De formule is:
migratiesaldo = immigratie - emigratie
Immigratie betekent dat mensen een gebied binnenkomen om daar voor langere tijd te wonen.
Emigratie betekent dat mensen een gebied verlaten om ergens anders voor langere tijd te gaan wonen.
Als er meer mensen binnenkomen dan vertrekken, is het migratiesaldo positief.
Als er meer mensen vertrekken dan binnenkomen, is het migratiesaldo negatief.
Sociale groei is dus geen groei door geboorte, maar groei door verplaatsing.
In B9 zagen we dat de totale bevolkingsverandering het demografisch saldo wordt genoemd.
Dat bestaat uit twee onderdelen:
demografisch saldo = natuurlijke groei + migratiesaldo
Een land kan dus groeien door een geboorteoverschot, door immigratie, of door een combinatie van beide.
Een land kan ook krimpen door een sterfteoverschot, door emigratie, of door een combinatie van beide.
Dit is belangrijk, omdat landen met lage geboortecijfers toch kunnen blijven groeien door migratie. Andersom kunnen landen met veel geboortes toch te maken krijgen met leegloop in bepaalde regio’s als veel jongeren vertrekken.
Bij bevolking moet je dus altijd twee vragen stellen:
wat gebeurt er met geboorte en sterfte?
wat gebeurt er met migratie?
Pas samen geven die vragen het volledige beeld.
Migratie is het verplaatsen van mensen van de ene woonplaats naar een andere woonplaats voor langere tijd.
Migratie kan tijdelijk of blijvend zijn. Sommige mensen verhuizen voor werk of studie en keren later terug. Anderen bouwen een nieuw leven op in het bestemmingsgebied.
Migratie kan vrijwillig zijn, maar ook gedwongen. Iemand kan vertrekken omdat hij ergens betere kansen ziet, maar ook omdat oorlog, vervolging, armoede of klimaatproblemen blijven onmogelijk maken.
Migratie gaat dus nooit alleen over afstand.
Het gaat ook over kansen, veiligheid, inkomen, familie, toekomstverwachtingen en macht.
Veel mensen denken bij migratie meteen aan mensen die van Afrika of Azië naar Europa trekken. Dat beeld is te beperkt.
Veel migratie vindt plaats binnen hetzelfde land. Dit noemen we interne migratie.
Voorbeelden van interne migratie zijn:
mensen die van het platteland naar de stad verhuizen;
jongeren die naar een universiteitsstad trekken;
werknemers die verhuizen naar een regio met meer werk;
ouderen die naar een rustiger gebied verhuizen;
gezinnen die uit dure steden naar omliggende gemeenten trekken.
Een belangrijke vorm van interne migratie is rurale-urbane migratie. Dat betekent migratie van het platteland naar de stad.
Deze vorm van migratie speelt een grote rol bij urbanisatie. Steden groeien niet alleen door geboorte, maar ook doordat mensen uit landelijke gebieden naar stedelijke gebieden trekken.
Naast interne migratie bestaat er ook migratie tussen landen.
Internationale migratie betekent dat mensen van het ene land naar het andere land verhuizen.
Maar ook hier moet je goed naar schaalniveau kijken.
Veel migratie vindt plaats binnen dezelfde macro-regio. Migratiestromen binnen West-Afrika, binnen Zuid-Amerika of binnen Zuidoost-Azië zijn geografisch zeer belangrijk, ook al krijgen ze in Europese media minder aandacht.
Migratie richting Europa of Noord-Amerika bestaat natuurlijk wel, maar is niet het hele verhaal.
De wereldbevolking beweegt op veel meer manieren dan alleen “van arm naar rijk Westen”.
Zoals vaak bij aardrijkskunde:
het beeld in het nieuws is niet altijd hetzelfde als het ruimtelijke patroon op de kaart.
Bij migratie is het belangrijk om begrippen precies te gebruiken.
Een immigrant is iemand die een land of gebied binnenkomt om daar voor langere tijd te wonen.
Een emigrant is iemand die een land of gebied verlaat om ergens anders voor langere tijd te gaan wonen.
Voor dezelfde persoon kun je dus twee woorden gebruiken, afhankelijk van het perspectief.
Iemand die vanuit Turkije naar Duitsland verhuist, is voor Turkije een emigrant en voor Duitsland een immigrant.
Het hangt dus af van de kant van de grens waar je staat.
Niet elke migrant heeft dezelfde juridische status.
Een asielzoeker is iemand die bescherming aanvraagt in een ander land, omdat hij of zij gevaar loopt in het land van herkomst. De aanvraag is dan nog in behandeling.
Een vluchteling is iemand die officieel bescherming krijgt, omdat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of gevaar.
Dat gevaar kan te maken hebben met:
oorlog;
geweld;
religie;
nationaliteit;
politieke overtuiging;
vervolging;
het behoren tot een bepaalde sociale groep.
Niet elke migrant is dus een vluchteling.
En niet elke asielzoeker is juridisch al erkend als vluchteling.
Deze verschillen zijn belangrijk, omdat ze bepalen welke rechten en plichten iemand heeft.
Migratie kan legaal of ongedocumenteerd zijn.
Bij legale migratie verloopt migratie via officiële kanalen. Iemand heeft dan bijvoorbeeld:
een visum;
een werkvergunning;
een studievisum;
een verblijfsvergunning;
een erkende asielstatus.
Bij ongedocumenteerde migratie verblijft iemand in een land zonder geldige verblijfsdocumenten.
Dat kan gebeuren doordat iemand zonder toestemming de grens oversteekt, maar ook doordat een tijdelijk visum verloopt en iemand toch blijft.
De term “illegale migratie” wordt nog veel gebruikt, maar ongedocumenteerde migratie is vaak preciezer en neutraler.
Een mens is niet illegaal.
De verblijfsstatus kan wel onrechtmatig zijn.
Voor aardrijkskunde is vooral belangrijk dat ongedocumenteerde migratie vaak samenhangt met grensbeleid, economische ongelijkheid, oorlog, arbeidsvraag en beperkte legale migratieroutes.
Om te verklaren waarom mensen migreren, gebruiken geografen vaak het model van pushfactoren en pullfactoren.
Pushfactoren zijn afstotingsfactoren. Dit zijn negatieve kenmerken van het herkomstgebied die mensen stimuleren of dwingen om te vertrekken.
Pushfactoren kunnen economisch zijn:
werkloosheid;
armoede;
lage lonen;
gebrek aan toekomstperspectief;
mislukte oogsten;
schulden.
Pushfactoren kunnen politiek zijn:
oorlog;
geweld;
dictatuur;
mensenrechtenschendingen;
vervolging;
corruptie;
onveiligheid.
Pushfactoren kunnen ook fysisch zijn:
droogte;
overstromingen;
natuurrampen;
mislukte oogsten;
watertekort;
landdegradatie;
langetermijneffecten van klimaatverandering.
Pushfactoren duwen mensen dus als het ware weg uit een gebied.
Maar dat betekent niet dat iedereen zomaar kan vertrekken. Migratie kost geld, informatie, netwerken en vaak ook risico. Soms zijn juist de allerarmsten niet in staat om te migreren, omdat ze de middelen niet hebben.
Pullfactoren zijn aantrekkingsfactoren. Dit zijn positieve kenmerken van het bestemmingsgebied die mensen aantrekken.
Pullfactoren kunnen economisch zijn:
werk;
hogere lonen;
betere arbeidsvoorwaarden;
kans op een hoger inkomen;
vraag naar arbeidskrachten;
betere toekomstkansen.
Pullfactoren kunnen politiek zijn:
veiligheid;
vrijheid;
bescherming tegen vervolging;
stabiele rechtsstaat;
minder geweld;
meer vertrouwen in overheid en rechtspraak.
Pullfactoren kunnen sociaal zijn:
goede gezondheidszorg;
onderwijs voor kinderen;
aanwezigheid van familieleden;
betere huisvesting;
sociale zekerheid;
grotere persoonlijke vrijheid.
Pullfactoren trekken mensen dus naar een gebied toe.
Maar ook hier geldt: het beeld van het bestemmingsgebied is niet altijd hetzelfde als de werkelijkheid. Mensen migreren vaak op basis van verwachtingen, verhalen, sociale media, netwerken en hoop.
Wanneer familieleden of bekenden al eerder zijn gemigreerd en nieuwe migranten helpen, spreken we van kettingmigratie.
Migratie wordt dan makkelijker, omdat er al contacten bestaan in het bestemmingsgebied.
Die contacten kunnen helpen met:
informatie;
tijdelijk onderdak;
werk zoeken;
taal;
papieren;
sociale steun;
uitleg over regels en gewoonten.
Kettingmigratie verklaart waarom migranten vaak terechtkomen op plekken waar al mensen uit hetzelfde herkomstgebied wonen.
Migratie volgt dus niet alleen economische lijnen.
Migratie volgt ook sociale netwerken.
Migratie ontstaat meestal niet door één enkele oorzaak. Push- en pullfactoren werken vaak samen.
Iemand vertrekt bijvoorbeeld niet alleen omdat er werkloosheid is in het herkomstgebied, maar ook omdat er elders werk lijkt te zijn.
Een vluchteling verlaat niet alleen een oorlogssituatie, maar zoekt ook een plek waar veiligheid, opvang en bescherming mogelijk zijn.
Daarom moet je bij migratie altijd twee gebieden vergelijken:
het herkomstgebied;
het bestemmingsgebied.
De geografische vraag is dus niet alleen:
waarom gaan mensen weg?
De vraag is ook:
waarom gaan zij juist dáárheen?
Migratie heeft gevolgen voor het gebied waar mensen vertrekken.
Een positief gevolg kan zijn dat migranten geld terugsturen naar familie in het land van herkomst. Dit noemen we remittances of geldovermakingen.
Deze geldstromen kunnen belangrijk zijn voor:
gezinnen;
dorpen;
onderwijs;
zorgkosten;
woningbouw;
kleine bedrijven;
lokale economieën;
soms zelfs nationale economieën.
Migratie kan ook leiden tot minder druk op de arbeidsmarkt, vooral wanneer er in het herkomstgebied weinig werk is.
Maar er zijn ook negatieve gevolgen.
Wanneer veel jonge, hoogopgeleide of ondernemende mensen vertrekken, kan een gebied kennis, arbeidskracht en initiatief verliezen. Dit noemen we brain drain.
Brain drain kan vooral problematisch zijn wanneer artsen, ingenieurs, leraren of andere geschoolde groepen vertrekken uit landen die deze mensen juist hard nodig hebben.
Migratie is dus niet simpelweg goed of slecht voor het herkomstgebied.
Het hangt af van wie vertrekt, waarheen, hoe lang, en wat er terugkomt.
Ook voor het bestemmingsgebied heeft migratie gevolgen.
Migranten kunnen:
arbeidstekorten verminderen;
bijdragen aan economische groei;
belasting betalen;
nieuwe bedrijven starten;
culturele diversiteit vergroten;
vergrijzing gedeeltelijk opvangen;
de beroepsbevolking versterken.
Veel migranten werken bovendien in sectoren waar bestemmingslanden personeel tekortkomen.
Denk aan:
landbouw;
schoonmaak;
horeca;
bouw;
logistiek;
zorg;
pakketbezorging;
fabriekswerk;
huishoudelijk werk.
Dat zijn vaak banen die zwaar, onzeker of laagbetaald zijn, en waar niet altijd genoeg lokale werknemers voor te vinden zijn.
Statistisch gezien probeert het grootste deel van de migranten vooral een nieuw bestaan op te bouwen: werken, veiligheid vinden, kinderen naar school sturen en langzaam een plek krijgen in de nieuwe samenleving.
Vooral de kinderen en kleinkinderen van migranten groeien vaak steeds sterker op binnen de taal, schoolcultuur en normen van het bestemmingsland.
Toch roept immigratie vaak veel weerstand op.
Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig. Als migranten arbeidstekorten opvullen en op lange termijn onderdeel kunnen worden van de samenleving, waarom blijft migratie dan zo’n gevoelig politiek onderwerp?
Daarvoor zijn meerdere verklaringen.
Ten eerste is migratie zichtbaar. Nieuwe talen, kledingstijlen, religies, winkels, eetgewoonten en gezichten veranderen het straatbeeld.
Voor sommige mensen voelt dat als verrijking. Voor anderen voelt het als verlies van herkenbaarheid. Zij ervaren niet alleen nieuwe buren, maar ook een verandering van hun eigen leefomgeving.
Ten tweede denken mensen vaak in groepen. Mensen maken bewust of onbewust onderscheid tussen “wij” en “zij”.
Dat is niet altijd kwaadaardig bedoeld, maar het beïnvloedt wel hoe mensen naar elkaar kijken.
Een fout van iemand uit de eigen groep wordt sneller gezien als individueel gedrag. Een fout van iemand uit een andere groep wordt sneller gekoppeld aan de hele groep.
Ook media en politiek spelen een rol.
Wanneer iemand met een migratieachtergrond een misdrijf pleegt, krijgt de herkomst soms veel aandacht. Daardoor kan bij het publiek het beeld ontstaan dat criminaliteit en migratie automatisch bij elkaar horen, ook wanneer de meeste migranten helemaal geen misdrijven plegen.
Eén opvallend incident blijft vaak beter hangen dan duizenden gewone werkdagen, schooldagen en gezinslevens.
Dat betekent niet dat problemen niet benoemd mogen worden. Criminaliteit, overlast, segregatie of slechte integratie kunnen echte problemen zijn.
Maar geografisch moet je altijd vragen:
hoe groot is het probleem?
waar komt het voor?
welke groepen worden zichtbaar gemaakt?
welke oorzaken spelen mee?
wie gebruikt het probleem politiek?
Beeldvorming bepaalt vaak hoe mensen migratie ervaren.
Niet alleen cijfers tellen, maar ook verhalen.
Onzekerheid speelt een grote rol in de weerstand tegen migratie.
In wijken waar mensen al te maken hebben met woningtekort, lage lonen, flexwerk, slechte voorzieningen of weinig vertrouwen in de overheid, kan migratie worden ervaren als extra druk.
Dan wordt de migrant soms gezien als concurrent om:
woningen;
banen;
zorg;
aandacht;
sociale zekerheid;
ruimte;
veiligheid.
Dat betekent niet dat mensen met zorgen over migratie automatisch racistisch of dom zijn. Vaak gaat het om mensen die zelf weinig grip ervaren op hun bestaan.
Als iemand al moeite heeft om een betaalbare woning te vinden of een vaste baan te krijgen, kan de komst van nieuwkomers voelen als extra bedreiging.
Daarom moet migratie altijd worden gekoppeld aan bredere sociale en economische omstandigheden.
Populistische politici maken vaak gebruik van onzekerheid rond migratie.
Zij presenteren een eenvoudig verhaal: vroeger was alles overzichtelijker, veiliger en beter, en de problemen van nu komen door “buitenlanders”, “asielzoekers” of “de elite”.
Zo’n verhaal is aantrekkelijk omdat het ingewikkelde problemen terugbrengt tot één duidelijke oorzaak en één duidelijke schuldige.
Maar de werkelijkheid is complexer.
Woningtekort ontstaat niet alleen door migratie, maar ook door:
bouwbeleid;
marktwerking;
bevolkingsgroei;
huishoudensverdunning;
ruimtelijke planning;
stijgende grondprijzen;
investeringskeuzes.
Arbeidsonzekerheid ontstaat niet alleen door migratie, maar ook door:
flexibilisering;
globalisering;
automatisering;
economische ongelijkheid;
macht van werkgevers;
afname van vaste contracten.
Sociale spanning ontstaat niet alleen door cultuurverschillen, maar ook door:
segregatie;
onderwijsverschillen;
discriminatie;
ongelijke kansen;
armoede;
gebrek aan contact tussen groepen.
Migratie kan bestaande problemen dus versterken of zichtbaarder maken, maar zij is zelden de enige oorzaak.
Daarnaast kost integratie tijd.
Mensen die als volwassene migreren, moeten vaak een nieuwe taal, arbeidsmarkt en cultuur leren kennen. Zeker wanneer zij oorlog, armoede, vervolging of gevaar hebben meegemaakt, kan het opbouwen van een nieuw leven zwaar zijn.
Sommige migranten komen met weinig diploma’s. Anderen hebben juist veel opleiding, maar hun diploma’s worden niet erkend. Daardoor moeten zij soms onder hun niveau beginnen.
De eerste generatie heeft daardoor vaak de moeilijkste start.
De tweede generatie groeit meestal al sterker op binnen het schoolsysteem, de taal en de cultuur van het bestemmingsland.
Bij de derde en vierde generatie lijken gedrag, opleidingsniveau, taalgebruik en waarden vaak steeds meer op die van de bredere samenleving, al blijven verschillen in kansen, discriminatie en sociale positie soms bestaan.
Daarom moet je migratie altijd over langere tijd bekijken.
Op korte termijn kan migratie druk geven op woningen, scholen, zorg, taalonderwijs en sociale voorzieningen.
Op lange termijn kunnen migranten en hun kinderen onderdeel worden van de samenleving, bijdragen aan de economie en de cultuur van het land blijvend veranderen.
In deze paragraaf heb je gezien dat bevolking niet alleen verandert door geboorte en sterfte, maar ook door migratie.
Migratie zorgt voor sociale groei of sociale krimp. Met het migratiesaldo kun je meten of er meer mensen binnenkomen dan vertrekken.
Je hebt geleerd dat migratie op verschillende schaalniveaus plaatsvindt: binnen landen, tussen buurlanden, binnen macro-regio’s en tussen continenten. Ook heb je geleerd dat migratie verschillende juridische vormen heeft, zoals arbeidsmigratie, asielmigratie, legale migratie en ongedocumenteerde migratie.
Pushfactoren duwen mensen weg uit het herkomstgebied. Pullfactoren trekken mensen naar het bestemmingsgebied. Maar migratie ontstaat meestal door een combinatie van oorzaken, mogelijkheden, verwachtingen, netwerken en grenzen.
Migratie heeft gevolgen voor herkomstgebieden en bestemmingsgebieden. Het kan arbeidstekorten verminderen, geldovermakingen opleveren en samenlevingen cultureel verrijken. Maar het kan ook leiden tot brain drain, druk op voorzieningen, politieke spanningen en onzekerheid.
1. Wat betekent migratie?
2. Wat is sociale bevolkingsgroei?
3. Wat is het verschil tussen immigratie en emigratie?
4. Wat is het verschil tussen een asielzoeker en een vluchteling?
5. Wat betekent migratiesaldo?
6. Waarom is migratie niet hetzelfde als toerisme of tijdelijk reizen?
7. Waarom is niet alle migratie internationale migratie?
8. Waarom is het push-pullmodel handig, maar ook beperkt?
9. Waarom speelt kettingmigratie vaak een grote rol bij migratie?
10. Waarom kan migratie in bestemmingsgebieden politieke weerstand oproepen?
11. Een land heeft 400.000 immigranten en 250.000 emigranten in één jaar.
Is het migratiesaldo positief of negatief? Leg uit.
12. Geef twee voorbeelden van pushfactoren.
13. Geef twee voorbeelden van pullfactoren.
14. Geef een voorbeeld van interne migratie.
15. Leg uit hoe remittances het herkomstgebied kunnen helpen.
16. Leg uit hoe migratie de leeftijdsopbouw van een bestemmingsland kan beïnvloeden.
17. Analyseer waarom migratie voor een herkomstgebied tegelijk positief en negatief kan zijn.
18. Leg uit hoe brain drain ontwikkeling in een herkomstgebied kan remmen.
19. Analyseer hoe woningtekort, arbeidsmarkt en migratie in een stad met elkaar kunnen samenhangen.
20. Leg uit waarom migratie vaak landt in problemen die al bestonden.
21. Is arbeidsmigratie vooral een oplossing voor arbeidstekorten, of vooral een bron van nieuwe problemen? Leg uit.
22. Moet een land vooral kijken naar strengere grenzen of vooral naar betere integratie? Leg uit.
23. Bedenk drie maatregelen waarmee een stad migratie beter kan opvangen. Leg per maatregel kort uit welk probleem ermee wordt aangepakt.