Binnen het domein Wereld staat de sociale geografie centraal. Waar de fysische geografie vooral kijkt naar natuurlijke systemen, onderzoekt de sociale geografie hoe mensen de aarde inrichten, hoe welvaart wordt verdeeld en welke invloed mondiale processen zoals globalisering daarop hebben.
In deze paragraaf leggen we de basisbegrippen uit waarmee we landen en regio’s sociaal-economisch kunnen vergelijken. Dat klinkt misschien droog, maar eigenlijk gaat het om een van de meest politieke vragen van aardrijkskunde:
Waarom hebben sommige gebieden veel macht, geld en kansen, terwijl andere gebieden structureel achterblijven?
Om die vraag goed te beantwoorden, moeten we eerst leren meten. We kijken naar armoede, rijkdom, welvaart, welzijn, inkomensongelijkheid en menselijke ontwikkeling.
Na deze paragraaf kun je:
het verschil uitleggen tussen absolute armoede en relatieve armoede;
economische indicatoren zoals BBP, BBP per hoofd, koopkracht en BRP gebruiken;
uitleggen waarom schaalniveau belangrijk is bij economische vergelijking;
het verschil uitleggen tussen welvaart en welzijn;
uitleggen waarom gemiddelden ongelijkheid kunnen verbergen;
uitleggen hoe de Lorenz-curve en de Gini-coëfficiënt inkomensongelijkheid laten zien;
uitleggen wat de Human Development Index meet;
uitleggen waarom geen enkele indicator de volledige werkelijkheid laat zien.
Om de economische structuur van de wereld te begrijpen, moeten we eerst definiëren wat armoede en rijkdom betekenen. Veel mensen hebben nog steeds een verouderd beeld van de wereld. Zij denken dat de planeet strikt verdeeld is in een klein groepje rijke westerse landen en een enorme, homogene massa van extreem arme landen.
Dat beeld is te simpel.
Als geografen kijken we niet alleen naar gevoel, nieuwsbeelden of stereotypen, maar naar data. Dan zien we een veel ingewikkelder wereld. Er zijn extreem arme mensen, maar ook middeninkomensgroepen, snelgroeiende steden, opkomende economieën, rijke elites in arme landen en arme groepen in rijke landen.
De wereld is dus niet netjes verdeeld in “rijk hier” en “arm daar”. De werkelijkheid lijkt meer op een lange trap met veel treden. Sommige mensen staan onderaan, sommige bovenaan, en heel veel mensen zitten ergens daartussen.
Binnen de geografie maken we een belangrijk onderscheid tussen twee vormen van armoede:
absolute armoede;
relatieve armoede.
Absolute armoede betekent dat mensen niet kunnen voorzien in hun basisbehoeften.
Het gaat dan om ernstige tekorten aan:
voldoende voedsel;
schoon drinkwater;
veilige huisvesting;
gezondheidszorg;
onderwijs;
sanitaire voorzieningen.
Internationaal wordt vaak gewerkt met een armoedegrens in dollars per dag, gecorrigeerd voor koopkracht. Deze grens is geen perfecte maatstaf, maar helpt om extreme armoede wereldwijd vergelijkbaar te maken.
Absolute armoede gaat dus over overleven.
De vraag is niet: kan iemand op vakantie of een nieuwe telefoon kopen?
De vraag is: kan iemand eten, drinken, wonen, leren en medische hulp krijgen?
Relatieve armoede is gekoppeld aan de samenleving waarin iemand leeft.
Je bent relatief arm wanneer je inkomen veel lager ligt dan wat in jouw land of regio normaal is. Het gaat dan niet alleen om overleven, maar ook om meedoen.
Iemand in Nederland kan relatief arm zijn als hij of zij:
moeite heeft met huur of energiekosten;
niet kan meedoen aan sociale activiteiten;
geen geld heeft voor schoolspullen, sport of vervoer;
voortdurend financiële stress ervaart.
Op mondiaal schaalniveau kan diezelfde persoon nog steeds meer materiële middelen hebben dan veel mensen in armere landen. Dat klinkt tegenstrijdig, maar het laat precies zien waarom schaalniveau belangrijk is.
Armoede betekent dus niet overal hetzelfde. Je moet altijd vragen:
op welk schaalniveau kijk ik?
met wie vergelijk ik?
welke levensstandaard is in deze samenleving normaal?
Om de economische kracht van gebieden meetbaar te maken, gebruiken geografen indicatoren. Een indicator is een statistisch kenmerk dat iets zegt over een groter verschijnsel.
Voor economische ontwikkeling gebruiken we bijvoorbeeld:
BBP;
BBP per hoofd;
koopkracht;
BRP;
inkomensverdeling;
werkloosheid;
toegang tot onderwijs en gezondheidszorg.
Indicatoren zijn handig, maar ze zijn nooit de hele werkelijkheid.
Een cijfer is een zaklamp: het verlicht iets, maar niet alles.
Daarom moet je bij aardrijkskunde altijd kritisch blijven. Een indicator kan veel laten zien, maar ook veel verbergen.
Het Bruto Binnenlands Product, afgekort BBP, is de totale geldwaarde van alle goederen en diensten die in een land in één jaar worden geproduceerd.
Voorbeelden van productie zijn:
landbouwproducten;
auto’s en computers;
transport en toerisme;
onderwijs en zorg;
financiële diensten.
Een land met een groot BBP heeft dus een grote economie. Maar dat betekent niet automatisch dat de gemiddelde inwoner rijk is. Een land met heel veel inwoners kan een enorm BBP hebben, terwijl het inkomen per persoon toch relatief laag blijft.
Daarom gebruiken we vaak het BBP per hoofd.
Het BBP per hoofd bereken je door het BBP van een land te delen door het aantal inwoners.
Dit maakt landen beter vergelijkbaar.
Voorbeeld:
Land A heeft een groot BBP, maar ook heel veel inwoners.
Land B heeft een kleiner BBP, maar veel minder inwoners.
Dan kan Land B per inwoner toch rijker zijn dan Land A.
Toch blijft ook het BBP per hoofd een gemiddelde. En gemiddelden kunnen gevaarlijk zijn. Een hoog BBP per hoofd kan bijvoorbeeld grote ongelijkheid verbergen.
Wanneer we economieën vergelijken, lopen we tegen een probleem aan: prijzen verschillen per land. Met hetzelfde bedrag kun je in het ene land veel meer kopen dan in het andere land.
Daarom gebruiken we vaak cijfers die gecorrigeerd zijn voor koopkracht. Internationaal wordt hiervoor de term Purchasing Power Parity gebruikt, afgekort PPP.
Koopkracht betekent: hoeveel goederen en diensten je daadwerkelijk kunt kopen met een bepaalde hoeveelheid geld.
Voorbeeld:
Met 10 euro kun je in Nederland misschien een eenvoudige lunch kopen. In een land met lagere prijzen kun je met hetzelfde bedrag misschien een uitgebreide maaltijd betalen. Het bedrag is hetzelfde, maar de koopkracht is anders.
Een BBP per hoofd gecorrigeerd voor koopkracht geeft daarom vaak een eerlijker beeld van wat inwoners werkelijk met hun inkomen kunnen doen.
Het BBP per hoofd geeft een landelijk gemiddelde. Maar binnen landen bestaan vaak grote regionale verschillen.
Daarom kijken geografen soms naar het Bruto Regionaal Product, afgekort BRP. Het BRP meet de economische productie van een specifieke regio of provincie.
Dit is belangrijk door schaalwisseling. Schaalwisseling betekent dat je inzoomt of uitzoomt tussen verschillende schaalniveaus.
Je kunt bijvoorbeeld kijken naar:
mondiaal schaalniveau;
nationaal schaalniveau;
regionaal schaalniveau;
lokaal schaalniveau.
Een land kan gemiddeld rijk lijken, terwijl sommige regio’s achterblijven. Andersom kan een land gemiddeld minder rijk zijn, terwijl één regio juist economisch zeer sterk is.
Voorbeeld:
Nederland heeft gemiddeld een hoog BBP per hoofd. Italië ligt gemiddeld lager. Toch is de Italiaanse regio Lombardije economisch zeer sterk ontwikkeld. Als je alleen naar nationale gemiddelden kijkt, mis je zulke regionale verschillen.
Een land met een hoog BBP per hoofd is niet automatisch een prettig land om in te leven. Daarom maken geografen onderscheid tussen welvaart en welzijn.
Welvaart gaat vooral over geld en materiële rijkdom.
Voorbeelden:
inkomen;
bezit;
productie;
consumptie;
toegang tot goederen en diensten.
Welzijn gaat over de kwaliteit van leven.
Voorbeelden:
gezondheid;
veiligheid;
onderwijs;
vrijheid;
schoon milieu;
sociale zekerheid;
vertrouwen in de overheid;
geluk en levenskwaliteit.
Een land kan dus welvarend zijn, maar toch problemen hebben met welzijn. Denk aan grote ongelijkheid, onveiligheid, luchtvervuiling, politieke onderdrukking of slechte gezondheidszorg.
Kort gezegd:
welvaart vraagt: hoeveel middelen zijn er?
welzijn vraagt: hoe goed leven mensen?
Een hoge nationale welvaart betekent niet automatisch dat iedereen daarvan profiteert. De verdeling van inkomen en bezit is minstens zo belangrijk.
Als een kleine elite een groot deel van de rijkdom bezit, kan het BBP per hoofd hoog lijken, terwijl een groot deel van de bevolking in armoede leeft.
Daarom kijken geografen ook naar inkomensongelijkheid.
Een samenleving met extreme ongelijkheid kan ruimtelijk zichtbaar worden. Je ziet dan bijvoorbeeld:
luxe wijken naast sloppenwijken;
gated communities naast informele nederzettingen;
dure privéklinieken naast slecht uitgeruste publieke ziekenhuizen;
internationale scholen naast scholen zonder basisvoorzieningen.
Ongelijkheid staat dus niet alleen in tabellen. Ongelijkheid tekent zich letterlijk af in het landschap.
De Lorenz-curve is een grafiek die laat zien hoe het totale inkomen van een land is verdeeld over de bevolking.
Op de horizontale as staat de bevolking, van arm naar rijk.
Op de verticale as staat het aandeel van het totale inkomen.
De lijn van perfecte gelijkheid loopt als een rechte diagonale lijn van linksonder naar rechtsboven. Op die lijn geldt bijvoorbeeld:
20% van de bevolking verdient 20% van het inkomen;
50% van de bevolking verdient 50% van het inkomen;
80% van de bevolking verdient 80% van het inkomen.
Dat zou een volledig gelijke inkomensverdeling zijn.
In werkelijkheid loopt de Lorenz-curve bijna altijd onder de lijn van perfecte gelijkheid.
Hoe verder de curve naar beneden doorbuigt, hoe groter de inkomensongelijkheid.
Bij een sterk ongelijke samenleving verdient de armste helft van de bevolking maar een klein deel van het totale inkomen, terwijl de rijkste groep een groot deel bezit.
Als de curve diep doorbuigt, betekent dat dus: het geld zit sterk geconcentreerd bij een kleine groep.
De Gini-coëfficiënt is een getal dat inkomensongelijkheid uitdrukt.
De score ligt meestal tussen 0 en 1.
0 betekent volledige gelijkheid.
Iedereen heeft precies hetzelfde inkomen.
1 betekent volledige ongelijkheid.
Eén persoon krijgt al het inkomen, de rest niets.
Soms wordt de Gini weergegeven tussen 0 en 100. Dan betekent 0 nog steeds volledige gelijkheid en 100 volledige ongelijkheid.
Landen met een lage Gini hebben relatief beperkte inkomensverschillen. Landen met een hoge Gini hebben grotere inkomensverschillen.
Omdat het BBP per hoofd tekortschiet om menselijke ontwikkeling te meten, gebruiken de Verenigde Naties de Human Development Index, afgekort HDI. In het Nederlands wordt dit vaak de Index van de Menselijke Ontwikkeling genoemd.
De HDI kijkt breder dan geld alleen. De index combineert drie dimensies:
levensstandaard;
gezondheid;
onderwijs.
De HDI is nuttig omdat zij laat zien dat ontwikkeling niet alleen over geld gaat. Een land met een redelijk inkomen, goede gezondheidszorg en goed onderwijs kan hoger scoren dan een land dat alleen rijk is door olie of grondstoffen.
De levensstandaard wordt gemeten met het BNI per hoofd, gecorrigeerd voor koopkracht.
BNI betekent Bruto Nationaal Inkomen. Dit is het totale inkomen dat inwoners en bedrijven van een land verdienen. Daarbij telt ook inkomen mee dat zij uit het buitenland krijgen. Per hoofd betekent dat je dit totale inkomen deelt door het aantal inwoners.
De gezondheid wordt gemeten met de gemiddelde levensverwachting bij geboorte.
Het onderwijs wordt gemeten met:
het gemiddeld aantal jaren onderwijs van volwassenen;
het verwachte aantal jaren onderwijs voor kinderen.
De HDI-score ligt tussen 0 en 1. Hoe dichter bij 1, hoe hoger de menselijke ontwikkeling.
Ook de HDI is niet perfect.
De HDI zegt bijvoorbeeld weinig over:
politieke vrijheid;
mensenrechten;
ongelijkheid binnen een land;
regionale verschillen;
milieuschade;
veiligheid;
corruptie;
positie van minderheden.
Een hoge HDI betekent dus niet dat een land geen problemen heeft. Het betekent alleen dat het land gemiddeld goed scoort op inkomen, gezondheid en onderwijs.
En zoals je inmiddels weet: gemiddeldes zijn nuttig, maar ze kunnen ook veel verbergen.
In deze paragraaf heb je geleerd hoe geografen welvaart, welzijn en ongelijkheid meten. Je hebt gezien dat armoede niet overal hetzelfde betekent, dat economische cijfers altijd op schaalniveau moeten worden bekeken, en dat gemiddelden grote verschillen kunnen verbergen.
BBP, BBP per hoofd, koopkracht, BRP, Gini en HDI zijn allemaal nuttige instrumenten. Maar geen enkel cijfer vertelt het hele verhaal.
Daarom is de belangrijkste geografische houding: meten, vergelijken, inzoomen en kritisch blijven.
In de volgende paragraaf kijken we naar de vraag waarom sommige gebieden zich sterker ontwikkelen dan andere. Dan gaat het over bestuur, macht, corruptie en de indeling van de wereld in centrum, semiperiferie en periferie.
Kort gezegd:
cijfers laten zien dát ongelijkheid bestaat.
Maar daarna komt de echte geografische vraag:
waarom blijft die ongelijkheid bestaan?
1. Wat is het verschil tussen absolute armoede en relatieve armoede?
2. Wat betekent BBP per hoofd?
3. Wat meet de HDI?
4. Wat betekent koopkracht?
5. Waarom is BBP per hoofd geen perfecte maatstaf voor ontwikkeling?
6. Waarom is koopkracht belangrijk als je landen met elkaar vergelijkt?
7. Waarom kan een rijk land toch relatief weinig welzijn bieden?
8. Waarom vertellen nationale gemiddelden nooit het hele verhaal?
9. Geef een voorbeeld van relatieve armoede in een rijk land.
10. Leg uit waarom schaalwisseling nodig is bij economische indicatoren zoals BBP en BRP.
11. Een land heeft een hoge levensverwachting, veel schooljaren en een redelijk hoog inkomen per hoofd.
Welk ontwikkelingscijfer past hierbij het beste: BBP per hoofd, HDI of Gini-coëfficiënt? Leg uit.
12. Leg uit hoe ongelijkheid zichtbaar kan worden in het landschap.
13. Leg uit hoe een Lorenzcurve laat zien of inkomen gelijk of ongelijk verdeeld is.
14. Analyseer waarom een hoge nationale welvaart niet automatisch betekent dat iedereen in een land profiteert.
15. Welke indicator vind jij beter om ontwikkeling te meten: BBP per hoofd of HDI? Leg uit.
16. Is één cijfer genoeg om de ontwikkeling van een land te beoordelen? Leg uit.
17. Bedenk zelf een set van vier indicatoren waarmee je ontwikkeling eerlijker kunt meten dan met alleen BBP per hoofd. Leg kort uit waarom je deze vier kiest.