De Democratische Republiek Congo, afgekort DRC, is een van de duidelijkste voorbeelden van de resource trap.
Het land is extreem rijk aan natuurlijke hulpbronnen, zoals koper, kobalt, coltan, diamant, goud, waterkracht en tropisch bos.
Toch leeft een groot deel van de bevolking in armoede en heeft het land te maken met geweld, corruptie, zwakke infrastructuur en politieke instabiliteit.
Dat lijkt tegenstrijdig.
Maar juist daarom is Congo geografisch zo belangrijk.
Congo laat zien dat grondstoffenrijkdom niet automatisch ontwikkeling betekent.
Zonder goed bestuur, veiligheid, infrastructuur, verwerking en eerlijke verdeling kan natuurlijke rijkdom juist leiden tot conflict, afhankelijkheid en uitbuiting.
De bodem is rijk.
Maar veel mensen blijven arm.
Bij Congo kun je de volgende begrippen toepassen:
periferie;
resource trap;
grondstoffenval;
kolonialisme;
kleptocratie;
kobalt;
coltan;
artisanale mijnbouw;
exportvalorisatie;
MNO;
geopolitiek;
afwenteling in ruimte;
technologische globalisering;
energietransitie;
conflictgrondstoffen.
De koloniale geschiedenis van Congo is uitzonderlijk gewelddadig.
Aan het einde van de negentiende eeuw werd Congo tijdens de Conferentie van Berlijn toegewezen aan de Belgische koning Leopold II als privébezit. Het gebied werd toen Congo-Vrijstaat genoemd.
Leopold II richtte een systeem in dat vooral gericht was op de winning van rubber en ivoor. De lokale bevolking werd met extreem geweld gedwongen om productiequota te halen.
Later nam de Belgische staat het gebied over als Belgisch-Congo. De exploitatie verschoof steeds sterker naar mijnbouw, vooral in de regio Katanga.
Daar werden grondstoffen zoals koper en diamant gewonnen.
De koloniale economie was niet gericht op brede ontwikkeling van de Congolese bevolking. Onderwijs, politieke inspraak en lokale economische opbouw bleven zeer beperkt.
Congo werd ingericht als wingewest.
Niet als samenleving die zelfstandig sterker moest worden.
In 1960 werd Congo onafhankelijk.
De eerste democratisch gekozen premier, Patrice Lumumba, wilde de grondstoffenrijkdom gebruiken voor de ontwikkeling van Congo zelf. Hij wilde meer controle over de eigen hulpbronnen en minder afhankelijkheid van buitenlandse belangen.
Maar Congo werd al snel meegezogen in de Koude Oorlog. Westerse landen wilden voorkomen dat Congo richting de Sovjet-Unie zou bewegen. De controle over grondstoffen en politieke invloed speelde daarbij een grote rol.
Lumumba werd binnen korte tijd afgezet en vermoord.
Daarna kwam Mobutu Sese Seko aan de macht. Hij regeerde decennialang als dictator en veranderde het land in een kleptocratie.
Een kleptocratie is een bestuurssysteem waarin de machthebbers de staatsinkomsten gebruiken voor eigen verrijking.
De staat werd zwak, corrupt en afhankelijk.
Infrastructuur, onderwijs, zorg en bestuur werden onvoldoende opgebouwd.
Hier zie je hoe kolonialisme, Koude Oorlog en slecht bestuur samen ontwikkeling kunnen blokkeren.
Congo is een duidelijk voorbeeld van de resource trap of grondstoffenval.
De resource trap betekent dat een land met veel grondstoffen toch arm, instabiel of afhankelijk blijft.
Dat kan gebeuren door:
afhankelijkheid van enkele exportproducten;
prijsschommelingen op de wereldmarkt;
corruptie;
buitenlandse inmenging;
zwak bestuur;
geweld rond mijngebieden;
weinig verwerking in eigen land;
winst die wegvloeit naar buitenlandse bedrijven of elites.
Congo levert veel grondstoffen aan de wereldeconomie, maar voegt zelf weinig waarde toe.
Dat betekent dat de meeste winst niet in Congo blijft.
De ruwe grondstof vertrekt.
De waarde wordt elders toegevoegd.
De winst wordt elders gemaakt.
Vandaag staat Congo opnieuw centraal in de wereldeconomie door kobalt en coltan.
Kobalt is belangrijk voor lithium-ionbatterijen. Die worden gebruikt in:
smartphones;
laptops;
elektrische auto’s;
batterijen voor energieopslag;
andere moderne technologie.
Coltan wordt gebruikt in elektronische apparaten, onder andere voor onderdelen die elektrische lading kunnen opslaan.
Door de groei van digitale technologie en elektrische mobiliteit is de vraag naar deze grondstoffen sterk toegenomen.
Congo is daardoor belangrijk voor de technologische globalisering én voor de energietransitie.
Dat maakt de positie van Congo strategisch.
Maar strategisch belangrijk zijn betekent niet automatisch macht hebben.
Wie de grondstof bezit, controleert niet altijd de keten.
Een deel van de mijnbouw in Congo gebeurt in zogenaamde artisanale mijnen.
Dat zijn kleinschalige mijnen waar mensen vaak met eenvoudige middelen grondstoffen uit de bodem halen.
In zulke mijnen zijn de omstandigheden vaak gevaarlijk. Er is risico op instortingen, giftige stoffen, uitbuiting, lage betaling en soms kinderarbeid.
Voor veel mensen is dit werk geen keuze uit luxe. Het is een manier om te overleven in een economie met weinig formele banen.
Artisanale mijnbouw laat dus twee dingen tegelijk zien.
Aan de ene kant is er mondiale vraag naar moderne technologie.
Aan de andere kant zijn er lokale mijnwerkers die onder zware omstandigheden grondstoffen winnen.
De elektrische auto in het centrum begint soms met gevaarlijk handwerk in de periferie.
Een belangrijk probleem is dat Congo weinig exportvalorisatie heeft.
Exportvalorisatie betekent dat een land meer waarde toevoegt aan producten voordat ze worden geëxporteerd.
Congo exporteert vaak ruwe of beperkt bewerkte grondstoffen. De verdere verwerking gebeurt vooral elders, bijvoorbeeld in China of andere industriële landen.
Daardoor verdient Congo minder aan de uiteindelijke producten.
De keten ziet er grofweg zo uit:
Congo levert de grondstof;
buitenlandse bedrijven kopen of controleren mijnen;
verwerking gebeurt in het buitenland;
batterijen en technologie worden elders geproduceerd;
consumenten in centrumlanden kopen het eindproduct;
de grootste winst zit bij verwerking, technologie, merken en verkoop.
Veel mijnbouw in Congo is verbonden met buitenlandse bedrijven. Chinese bedrijven spelen daarbij een grote rol, maar ook bedrijven en investeerders uit andere landen zijn betrokken.
Voor China zijn Congolese grondstoffen strategisch belangrijk. Zij zijn nodig voor batterijen, elektrische auto’s, elektronica en industriële productie.
Voor westerse landen zijn deze grondstoffen ook belangrijk, omdat zij minder afhankelijk willen zijn van China in strategische technologie.
Congo ligt daardoor in het midden van een geopolitieke strijd om grondstoffen.
Maar het land zelf heeft niet altijd genoeg bestuurlijke kracht om daar maximaal van te profiteren.
Hier zie je opnieuw een kernvraag van globalisering:
wie bezit de grondstoffen, wie verwerkt ze, wie controleert de keten, en wie krijgt de winst?
In het oosten van Congo zijn grondstoffen verbonden met geweld en gewapende groepen.
Milities proberen controle te krijgen over mijnen, handelsroutes en belastingen op grondstoffen. Illegale grondstoffenstromen kunnen zo conflict financieren.
Dit betekent niet dat alle mijnbouw in Congo illegaal is of door milities wordt gecontroleerd. De werkelijkheid is complexer.
Maar in sommige regio’s is de relatie tussen mijnbouw, geweld en zwak bestuur zeer sterk.
Grondstoffen kunnen dan niet alleen rijkdom opleveren.
Ze kunnen ook een reden worden om te vechten.
De grondstof wordt dan geen motor van ontwikkeling.
Maar brandstof voor conflict.
Congo laat ook goed zien wat afwenteling in ruimte betekent.
Consumenten in centrumlanden kopen smartphones, laptops en elektrische auto’s. Die producten worden gezien als modern, schoon of duurzaam.
Maar een deel van de sociale en ecologische kosten ligt elders.
Bijvoorbeeld in Congo:
gevaarlijke mijnbouw;
kinderarbeid in sommige ketens;
vervuiling;
lage lonen;
geweld rond mijngebieden;
verlies van lokale controle;
weinig verwerking in eigen land.
Vooral bij elektrische auto’s is dit gevoelig.
De auto rijdt zonder uitlaatgassen.
Maar de grondstoffenwinning kan nog steeds sociale en ecologische schade veroorzaken.
Duurzaamheid in het centrum mag dus niet gebouwd zijn op uitbuiting in de periferie.
Voor Congo heeft globalisering verschillende lokale gevolgen.
Negatieve gevolgen zijn:
afhankelijkheid van grondstoffenexport;
weinig exportvalorisatie;
corruptie;
geweld rond mijngebieden;
zwakke infrastructuur;
armoede ondanks rijkdom;
milieuschade;
buitenlandse afhankelijkheid;
ongelijke verdeling van inkomsten.
Toch zijn er ook mogelijkheden.
Als Congo meer controle krijgt over mijnbouw, belastinginkomsten, verwerking en infrastructuur, kan de grondstoffenrijkdom bijdragen aan ontwikkeling.
Daarvoor zijn nodig:
goed bestuur;
veiligheid;
transparante contracten;
investeringen in onderwijs;
lokale verwerking;
infrastructuur;
bescherming van werknemers;
minder corruptie;
sterkere onderhandelingspositie.
De vraag is dus niet of Congo rijk is aan grondstoffen.
De vraag is of Congo die rijkdom kan omzetten in brede ontwikkeling.
Leg uit waarom Congo een voorbeeld is van de resource trap.
Leg uit waarom kobalt Congo strategisch belangrijk maakt in de moderne wereldeconomie.
Beschrijf waarom exportvalorisatie belangrijk zou zijn voor Congo.
Leg uit hoe Congo laat zien dat de energietransitie ook nieuwe afhankelijkheden kan veroorzaken.
Gebruik het begrip afwenteling in ruimte om de relatie tussen elektrische auto’s en Congolese mijnbouw uit te leggen.