Schoolexamen, SE
Het deel van het eindexamen dat door je eigen school wordt georganiseerd.
Centraal examen, CE
De landelijke schriftelijke toets aan het eind van het jaar.
Staatsexamen
Een examenroute buiten de gewone dagschool, vaak met schriftelijk en mondeling examen.
College-examen
Het mondelinge deel van het staatsexamen.
Opgavenboekje
Het boekje met de examenvragen.
Bronnenboekje
Het boekje met teksten, grafieken, tabellen, foto’s en andere bronnen.
Kaartenkatern
Een bijlage bij het examen met kaarten die je moet gebruiken.
Fysische geografie
De tak van aardrijkskunde die natuurlijke processen onderzoekt.
Sociale geografie
De tak van aardrijkskunde die onderzoekt hoe mensen de ruimte gebruiken en inrichten.
Domein A, Vaardigheden
Het domein waarin je leert werken met kaarten, bronnen, schaalniveaus en geografische redeneringen.
Domein B, Wereld
Het domein over mondiale sociale geografie, zoals globalisering, handel, migratie en machtsverhoudingen.
Domein C, Aarde
Het domein over fysische geografie op wereldschaal.
Domein D, Brazilië of Zuid-Amerika
Het gebiedsdomein, op havo Brazilië en op vwo Zuid-Amerika.
Domein E, Leefomgeving
Het domein over Nederland, waterbeheer, steden, leefbaarheid en ruimtelijke inrichting.
Geografisch redeneren
Verbanden leggen tussen gebieden, oorzaken, gevolgen, schaalniveaus en dimensies.
Oorzaak-gevolgrelatie
Een verband waarbij het ene verschijnsel leidt tot een ander verschijnsel.
Correctievoorschrift
Het landelijke nakijkmodel waarmee examenantwoorden worden beoordeeld.
Normering
De omzetting van de behaalde score naar een examencijfer.
Geografisch beeld
Een beeld van een gebied dat is gebaseerd op feiten en controleerbare gegevens.
Mentale map
Een persoonlijke kaart in je hoofd, gevormd door ervaringen, kennis, media en emoties.
Subjectief
Afhankelijk van persoonlijke mening, ervaring of gevoel.
Stereotype
Een sterk vereenvoudigd beeld van een gebied of groep mensen.
Geografische vraag
Een vraag waarmee je een gebied, proces of verschijnsel ruimtelijk onderzoekt.
Beschrijvende vraag
Een vraag die gaat over wat er is en waar het is.
Verklarende vraag
Een vraag die zoekt naar oorzaken en verbanden.
Voorspellende vraag
Een vraag die kijkt naar mogelijke toekomstige ontwikkelingen.
Waarderende vraag
Een vraag waarbij je een onderbouwd oordeel geeft.
Vraag gericht op keuzes en oplossingen
Een vraag waarbij je een maatregel, oplossing of ruimtelijke keuze onderbouwt.
Dimensie
Een invalshoek waarmee je naar een gebied of probleem kijkt.
Fysische dimensie
De invalshoek die kijkt naar de natuurlijke omgeving.
Economische dimensie
De invalshoek die kijkt naar geld, werk, productie en handel.
Politieke dimensie
De invalshoek die kijkt naar macht, bestuur, wetten en beleid.
Sociaal-culturele dimensie
De invalshoek die kijkt naar taal, religie, tradities, identiteit en leefstijl.
Demografische dimensie
De invalshoek die kijkt naar bevolkingskenmerken.
Bevolkingsdichtheid
Het aantal inwoners per vierkante kilometer.
Vergrijzing
De toename van het aandeel ouderen in de bevolking.
Dynamisch systeem
Een systeem waarin onderdelen voortdurend op elkaar inwerken.
Atmosfeer
De luchtlaag rond de aarde.
Hydrosfeer
Al het water op aarde.
Lithosfeer
De vaste buitenlaag van de aarde.
Biosfeer
Het deel van de aarde waar leven voorkomt.
Antropogene factor
De menselijke invloed op landschap en milieu.
Geofactor
Een bouwsteen van het landschap, zoals klimaat, reliëf, water of bodem.
Klimaat
Het gemiddelde weer in een gebied over een lange periode.
Ondergrond
De gesteenten en geologische basis van een gebied.
Reliëf
Hoogteverschillen in het landschap.
Bodem
De bovenste laag van de aardkorst waarin planten kunnen groeien.
Vegetatie
De plantengroei in een gebied.
Waterhuishouding
De manier waarop water in een gebied aanwezig is, beweegt en wordt opgeslagen.
Verwering
Het uiteenvallen of veranderen van gesteente door weer, water, temperatuur of organismen.
Erosie
Het wegschuren of wegspoelen van materiaal door water, wind of ijs.
Sedimentatie
Het afzetten van meegevoerd materiaal.
Fysisch-geografische kettingreactie
Een reeks veranderingen waarbij één geofactor andere geofactoren beïnvloedt.
Schaalniveau
De grootte van het gebied waarop je een verschijnsel onderzoekt.
Lokaal schaalniveau
Het schaalniveau van een kleine plek, zoals een straat, wijk of dorp.
Regionaal schaalniveau
Het schaalniveau van een groter gebied binnen of rond een land.
Nationaal schaalniveau
Het schaalniveau van een heel land.
Continentaal schaalniveau
Het schaalniveau van een werelddeel of groot deel daarvan.
Mondiaal schaalniveau
Het schaalniveau van de hele wereld.
Theorie
In wetenschappelijke zin een sterk onderbouwd verklaringsmodel.
Hypothese
Een voorlopige, toetsbare verklaring.
Toetsbaar
Zo geformuleerd dat je met gegevens kunt onderzoeken of iets klopt.
Kaart
Een vereenvoudigde weergave van een deel van de werkelijkheid.
Geoïde
De licht afgeplatte en onregelmatige vorm van de aarde.
Cartografie
Het maken van kaarten.
Kaartprobleem
Het probleem dat een bolvormig aardoppervlak niet perfect plat kan worden weergegeven.
Projectie
De manier waarop de ronde aarde wordt omgezet naar een platte kaart.
Mercatorprojectie
Een hoekgetrouwe projectie die handig is voor navigatie, maar oppervlakten sterk vervormt.
Petersprojectie
Een oppervlaktegetrouwe projectie die oppervlakten beter vergelijkt, maar vormen vervormt.
Hoekgetrouw
Een projectie waarbij hoeken en richtingen goed worden weergegeven.
Oppervlaktegetrouw
Een projectie waarbij oppervlakten in juiste verhouding worden weergegeven.
Kaartlezen
Directe informatie uit een kaart halen.
Kaartanalyse
Patronen, spreiding en verschillen op een kaart onderzoeken.
Kaartinterpretatie
Kaartpatronen verklaren.
Kaartbeoordeling
Controleren of een kaart geschikt en betrouwbaar is voor een bepaalde vraag.
Fysische kaart
Een kaart die natuurlijke kenmerken van een gebied laat zien.
Politieke kaart
Een kaart die bestuurlijke grenzen en menselijke indelingen laat zien.
Thematische kaart
Een kaart die één bepaald onderwerp weergeeft.
Choropleet
Een thematische kaart waarbij gebieden een kleur krijgen op basis van een statistische waarde.
Legenda
De uitleg van kleuren, lijnen, vlakken en symbolen op een kaart.
Schaal
De verhouding tussen afstand op de kaart en afstand in werkelijkheid.
Grote schaal
Een kaart van een klein gebied met veel detail.
Kleine schaal
Een kaart van een groot gebied met weinig detail.
Generalisatie
Het vereenvoudigen, samenvoegen of weglaten van details op een kaart.
Symbolisatie
Het weergeven van informatie met symbolen, kleuren, lijnen, vlakken of pijlen.
Satellietbeeld
Een beeld van het aardoppervlak dat vanuit de ruimte is gemaakt.
True-colour beeld
Een satellietbeeld met kleuren die lijken op wat je met je ogen zou zien.
False-colour beeld
Een satellietbeeld met kunstmatige kleuren om bepaalde informatie beter zichtbaar te maken.
Coördinaten
Getallen waarmee je een plek op aarde precies kunt aangeven.
Breedtegraad
De afstand ten noorden of zuiden van de evenaar.
Lengtegraad
De afstand ten oosten of westen van de nulmeridiaan.
Evenaar
De lijn van 0 graden breedte die de aarde verdeelt in noordelijk en zuidelijk halfrond.
Noorderbreedte, NB
Ligging ten noorden van de evenaar.
Zuiderbreedte, ZB
Ligging ten zuiden van de evenaar.
Nulmeridiaan
De lijn van 0 graden lengte door Greenwich.
Oosterlengte, OL
Ligging ten oosten van de nulmeridiaan.
Westerlengte, WL
Ligging ten westen van de nulmeridiaan.
Meridiaan
Een lengtegraadlijn van de Noordpool naar de Zuidpool.
Datumgrens
De grens rond 180 graden lengte waar de kalenderdatum verandert.
Tijdzone
Een gebied waar dezelfde officiële tijd geldt.
Tabel
Een overzicht waarin gegevens in rijen en kolommen staan.
Grafiek
Een visuele weergave van cijfers.
Diagram
Een visuele weergave van verhoudingen of verdelingen.
Cirkeldiagram
Een diagram dat laat zien hoe een totaal is verdeeld over categorieën.
Combinatiekaart
Een kaart waarop meerdere soorten informatie tegelijk staan.
Topografie
Kennis van waar landen, steden, rivieren, zeeën, gebergten en regio’s liggen.
Mentaal raamwerk
Een innerlijke structuur waaraan je nieuwe geografische kennis kunt ophangen.
Continent
Een grote landmassa.
Eurazië
De grote landmassa van Europa en Azië samen.
Afro-Eurazië
De verbonden landmassa van Afrika, Europa en Azië.
Werelddeel
Een grote wereldindeling die vaak gebaseerd is op geschiedenis, cultuur en gewoonte.
Macro-regio
Een grote regio binnen een werelddeel.
Regio
Een gebied met gedeelde kenmerken.
Blauwe planeet
Bijnaam voor de aarde, omdat het grootste deel van het oppervlak uit water bestaat.
Oceaan
Een zeer grote watermassa tussen continenten.
Grote Oceaan, Stille Oceaan
De grootste oceaan op aarde.
Atlantische Oceaan
De oceaan tussen Europa en Afrika aan de ene kant en Amerika aan de andere kant.
Indische Oceaan
De oceaan tussen Afrika, Zuid-Azië, Zuidoost-Azië en Australië.
Zuidelijke Oceaan
De oceaan rond Antarctica.
Noordelijke IJszee, Arctische Oceaan
De oceaan rond de Noordpool.
Zee
Een kleinere watermassa, vaak aan de rand van een continent of deels omsloten door land.
Meer
Een watermassa die volledig door land is omgeven.
Rivier
Een natuurlijke waterstroom die belangrijk is voor landschap, landbouw, vervoer en steden.
Klimaatgordel
Een brede zone op aarde met vergelijkbare klimaatkenmerken.
Tropen
Het gebied tussen de Kreeftskeerkring en Steenbokskeerkring.
Kreeftskeerkring
De breedtecirkel op 23,5 graden noorderbreedte.
Steenbokskeerkring
De breedtecirkel op 23,5 graden zuiderbreedte.
Tropisch regenwoud
Warm en nat bosgebied rond de evenaar met zeer hoge biodiversiteit.
Savanne
Tropisch grasland met natte en droge seizoenen.
Woestijn
Een zeer droog gebied met weinig neerslag.
Cryosfeer
Al het bevroren water op aarde.
IJskap
Een zeer grote massa landijs.
Gletsjer
Een langzaam bewegende massa ijs op land.
Zee-ijs
Bevroren zeewater.
Permafrost
Permanent bevroren bodem.
Gematigde breedten
Gebieden tussen tropen en poolgebieden met minder extreme temperaturen.
Oceanië
Werelddeel van Australië, Nieuw-Zeeland en eilanden in de Grote Oceaan.
West-Europa
Dichtbevolkte, sterk verstedelijkte en economisch hoogontwikkelde regio in Europa.
Oost-Europa
Regio in Europa die historisch sterk beïnvloed is door communisme en de Sovjet-Unie.
Zuid-Europa
Regio rond de Middellandse Zee met vaak een mediterraan klimaat.
Noord-Europa
Regio met onder andere Scandinavië en vaak koude klimaten, bossen, meren en fjorden.
Anglo-Amerika
Cultureel-economische aanduiding voor vooral de Verenigde Staten en Canada.
Latijns-Amerika
Culturele aanduiding voor Spaans- en Portugeestalige delen van Amerika.
Caribisch gebied
Eilandengebied tussen Noord- en Zuid-Amerika.
Andesgebergte
Groot gebergte langs de westkant van Zuid-Amerika.
Amazonegebied
Groot tropisch regenwoudgebied in Zuid-Amerika.
Sahara
Grote woestijn in Noord-Afrika.
Afrika ten zuiden van de Sahara
De delen van Afrika ten zuiden van de Sahara.
Amazigh, Berbers
Inheemse bevolkingsgroepen in Noord-Afrika.
Congobekken
Groot tropisch regenwoudgebied in Centraal-Afrika.
Grote Slenk
Grote breukzone in Oost-Afrika.
Apartheid
Systeem van wettelijke rassenscheiding in Zuid-Afrika tot 1994.
Noord-Azië
Regio die grotendeels bestaat uit Siberië.
West-Azië, Midden-Oosten
Strategische regio tussen Europa, Azië en Afrika, belangrijk door olie, religie en geopolitiek.
Centraal-Azië
Regio met landen als Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan, Kirgizië en Tadzjikistan.
Zuid-Azië, Indisch subcontinent
Regio met onder andere India, Pakistan en Bangladesh, begrensd door de Himalaya.
Zuidoost-Azië
Regio van schiereilanden en eilanden tussen India, China en Australië.
Oost-Azië
Regio met onder andere China, Japan, Korea, Taiwan en Mongolië.
Sinosfeer
Gebieden die historisch sterk door China zijn beïnvloed.
Het Westen
Politiek-economische en historische term voor vooral Europa, Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.
Global South
Term voor landen die historisch minder macht en welvaart hadden in de wereldorde, vaak door kolonisatie en afhankelijkheid.
Wereldorde
De manier waarop macht, welvaart en invloed wereldwijd zijn verdeeld.