In B6 hebben we gezien hoe hedendaagse globalisering werkt. Multinationals organiseren productie over grenzen heen. FDI verspreidt kapitaal en kennis. De global shift laat zien dat economische macht deels verschuift richting Azië, met China als duidelijk voorbeeld.
Maar globalisering roept ook tegenreacties op.
Dat komt omdat globalisering niet voor iedereen hetzelfde uitpakt. Sommige gebieden profiteren van nieuwe banen, investeringen en handel. Andere gebieden verliezen industrie, zekerheid, controle of leefbaarheid. Ook worden landen afhankelijker van elkaar voor strategische producten zoals energie, voedsel, medicijnen, computerchips, batterijen en digitale infrastructuur.
Daarom draait deze paragraaf om de grenzen van globalisering.
Globalisering is geen rechte lijn naar één open wereldmarkt. Het is een systeem dat steeds opnieuw botst op vragen over macht, veiligheid, ongelijkheid, milieu en controle.
De centrale vraag is dus:
wanneer wordt verbondenheid een kwetsbaarheid?
Na deze paragraaf kun je:
uitleggen waarom globalisering tegenreacties oproept;
uitleggen wat protectionisme is;
uitleggen waarom landen strategische sectoren willen beschermen;
uitleggen waarom de opkomst van China spanning veroorzaakt in centrumlanden;
uitleggen hoe nieuwe technologieën samenhangen met geopolitieke macht;
uitleggen waarom sommige regio’s in de Global South moeite hebben om hun positie te versterken;
uitleggen wat afwenteling in ruimte en afwenteling in tijd betekenen;
uitleggen wat de lineaire economie en de circulaire economie zijn;
voor vwo: uitleggen hoe neoliberalisme samenhangt met hedendaagse globalisering;
voor vwo: kritiek op de kapitalistische groeilogica geografisch uitleggen.
De nadelen van hyperglobalisering hebben geleid tot sterke politieke en maatschappelijke tegenreacties.
Veel mensen ervaren globalisering niet alleen als kans, maar ook als bedreiging. Zij zien bijvoorbeeld banenverlies, onzeker werk, druk op lonen, migratie, verlies van nationale controle, afhankelijkheid van buitenlandse productie, stijgende ongelijkheid en de groeiende macht van multinationals.
In oude industriegebieden in centrumlanden is dat goed zichtbaar. Fabrieken sloten of verhuisden naar landen met lagere lonen. Voor consumenten werden producten goedkoper, maar voor sommige werknemers verdwenen stabiele banen en regionale trots.
Dat is het dubbele verhaal van globalisering:
dezelfde globalisering die je telefoon, kleding en meubels goedkoper maakt, kan ook de fabriek sluiten waar je familie generaties lang werkte.
Daarom proberen veel landen hun economie weer beter te beschermen. Zij willen niet volledig afhankelijk zijn van mondiale productieketens die tijdens een pandemie, oorlog, handelsconflict of energiecrisis kunnen vastlopen.
Moderne globalisering is sterk gegroeid door vrijhandel. Vrijhandel betekent dat landen goederen en diensten met elkaar verhandelen met zo weinig mogelijk handelsbelemmeringen.
Door vrijhandel konden multinationals makkelijker internationale productieketens opbouwen. Onderdelen, grondstoffen en eindproducten konden relatief goedkoop over grenzen bewegen. Daardoor werden veel producten goedkoper en groeide de wereldhandel.
Maar vrijhandel heeft ook grenzen. Sommige landen en groepen krijgen te maken met banenverlies, afhankelijkheid van buitenlandse productie, druk op lonen of oneerlijke concurrentie. Ook kunnen strategische producten, zoals medicijnen, chips of energie, te afhankelijk worden van andere landen.
Daarom kiezen landen soms niet voor volledige vrijhandel, maar voor bescherming van de eigen economie.
Dat noemen we protectionisme.
Protectionistische maatregelen kunnen zijn:
invoertarieven;
importquota;
subsidies voor eigen bedrijven;
strengere regels voor buitenlandse investeringen;
eisen aan lokale productie;
staatssteun voor strategische sectoren.
Protectionisme keert terug omdat landen opnieuw nadenken over economische veiligheid.
Veel regeringen willen strategische sectoren beschermen, zoals:
computerchips;
medicijnen;
batterijen;
defensie-industrie;
energie;
voedsel;
digitale infrastructuur;
kunstmatige intelligentie;
zonnepanelen en andere groene technologie.
De gedachte is: sommige producten zijn te belangrijk om volledig afhankelijk te zijn van buitenlandse leveranciers.
Goedkoop is fijn. Maar als je tijdens een crisis geen medicijnen, chips of energie hebt, ontdek je dat goedkoop niet hetzelfde is als veilig.
Daarom spreken landen vaker over strategische autonomie. Dat betekent dat een land of regio genoeg eigen capaciteit wil hebben om niet volledig afhankelijk te zijn van andere machten.
Nieuwe technologieën zijn niet alleen economische sectoren. Ze zijn ook machtsmiddelen.
Denk aan computerchips, kunstmatige intelligentie, batterijen, elektrische auto’s, telecomnetwerken, satellieten, drones, datacenters en groene energie. Deze technologieën bepalen steeds meer wie economisch sterk, militair modern en digitaal onafhankelijk is.
Daarom proberen grote machtsblokken hun technologische positie te beschermen.
De Verenigde Staten willen bijvoorbeeld voorkomen dat strategische technologie te afhankelijk wordt van China. De Europese Unie wil minder kwetsbaar zijn voor buitenlandse leveranciers. China probeert juist minder afhankelijk te worden van westerse technologie en eigen bedrijven sterker te maken.
Hier zie je dat de globalisering niet verdwijnt, maar verandert. Landen willen nog steeds handel, maar niet tegen elke prijs. Open markten worden steeds vaker gecombineerd met industriebeleid, subsidies, exportcontrole en strategische investeringen.
De markt blijft belangrijk.
Maar de staat zit weer steviger aan de knoppen.
Latijns-Amerika laat goed zien hoe moeilijk het is om een sterkere positie in de wereldeconomie op te bouwen.
Veel landen in deze regio zijn rijk aan grondstoffen, landbouwgrond, energie en biodiversiteit. Denk aan olie, koper, lithium, soja, vlees, koffie en ijzererts. Dat levert inkomsten op, maar maakt landen ook kwetsbaar voor schommelingen op de wereldmarkt.
In delen van Latijns-Amerika wordt gesproken over verloren decennia of gemiste ontwikkelingskansen. Daarmee wordt bedoeld dat economische groei regelmatig werd afgeremd door schuldencrises, politieke instabiliteit, afhankelijkheid van grondstoffenexport, inflatie, ongelijkheid en soms zwak bestuur.
Dit betekent niet dat heel Latijns-Amerika één verhaal is. Brazilië, Mexico, Chili, Argentinië, Colombia en andere landen hebben verschillende economieën en politieke geschiedenissen.
Maar een terugkerend probleem is dat veel landen moeite hebben om structureel hoger in de productieketen te komen. Grondstoffen worden geëxporteerd, terwijl technologie, financiële controle, verwerking en merken vaak elders zitten.
Afrika staat op een bijzondere plek in de nieuwe fase van globalisering.
Aan de ene kant is het continent kwetsbaar. Veel landen hebben te maken met klimaatverandering, schulden, infrastructuurproblemen, jonge snelgroeiende bevolkingen, afhankelijkheid van grondstoffenexport en beperkte industriële verwerking.
Aan de andere kant heeft Afrika grote strategische betekenis. Het continent beschikt over grondstoffen die belangrijk zijn voor de energietransitie, zoals koper, kobalt, mangaan, lithium en andere mineralen. Ook zijn er mogelijkheden voor zonne-energie, windenergie, landbouwontwikkeling en stedelijke groei.
De vraag is of Afrika in de groene wereldeconomie opnieuw vooral leverancier wordt van ruwe grondstoffen, of dat landen meer waarde kunnen toevoegen door verwerking, industrie, energieproductie en kennisopbouw.
Dat is belangrijk. Als grondstoffen voor batterijen, elektrische auto’s en zonnepanelen vooral worden gewonnen in Afrika, maar de verwerking, technologie en winst elders zitten, ontstaat een groene versie van oude afhankelijkheid.
Dan wordt de wereld misschien duurzamer voor consumenten in het centrum, maar blijft de machtsverhouding ongelijk.
Een elektrische auto is dan schoon aan de uitlaat.
Maar de geografische vraag is: waar komen de grondstoffen vandaan, onder welke omstandigheden, en wie verdient eraan?
Globalisering verandert niet alleen de sociale en economische wereld. Zij heeft ook grote gevolgen voor de fysieke dimensie van de aarde.
De moderne wereldeconomie draait op stromen van goederen, maar die goederen bestaan niet uit lucht. Ze worden gemaakt van grondstoffen, energie, water, arbeid en ruimte.
De constante drang naar groei, goedkope productie en snelle consumptie leidt tot druk op natuurlijke systemen. Grondstoffen worden sneller gewonnen, bossen worden gekapt, water wordt verbruikt, energie wordt opgewekt en afval wordt geproduceerd.
De wereldhandel laat dus niet alleen economische sporen achter, maar ook ecologische.
Een goedkoop T-shirt, een telefoon of een pakketje uit een webwinkel lijkt klein. Maar erachter zit een hele keten van katoen, mijnbouw, energie, transport, arbeid, verpakkingen en afval.
Globalisering maakt producten zichtbaar in de winkel.
Maar vaak onzichtbaar in hun gevolgen.
Een belangrijk begrip hierbij is afwenteling.
Afwenteling betekent dat de negatieve gevolgen van productie of consumptie worden doorgeschoven naar een andere plek, een andere groep of een later moment.
Er zijn twee belangrijke vormen:
afwenteling in ruimte;
afwenteling in tijd.
Afwenteling laat zien dat een product goedkoop kan lijken omdat niet alle kosten in de prijs zitten.
De consument betaalt dan misschien weinig aan de kassa, maar iemand anders betaalt later of ergens anders de echte rekening.
Afwenteling in ruimte betekent dat negatieve gevolgen worden verplaatst naar andere gebieden.
Consumenten in het centrum kopen goedkope producten, terwijl vervuiling, mijnbouwschade, afvalbergen of slechte arbeidsomstandigheden vooral plaatsvinden in productielanden in de semiperiferie of periferie.
Voorbeelden zijn:
mijnbouwschade door metalen voor elektronica;
watervervuiling door textielproductie;
ontbossing voor soja, palmolie of veeteelt;
afvalstromen naar armere landen;
slechte arbeidsomstandigheden in productielanden.
De plek waar iets wordt geconsumeerd, is dus vaak niet de plek waar de schade het grootst is.
Dat maakt globalisering geografisch ingewikkeld. De voordelen en nadelen liggen niet op dezelfde plek.
Afwenteling in tijd betekent dat negatieve gevolgen worden doorgeschoven naar de toekomst.
De huidige generatie profiteert van goedkope productie en consumptie, terwijl toekomstige generaties te maken krijgen met klimaatverandering, uitgeputte grondstoffen, vervuilde bodems of verlies aan biodiversiteit.
Dit zie je bijvoorbeeld bij fossiele energie, plastic afval, bodemuitputting en klimaatverandering.
De winst is nu.
De rekening komt later.
Afwenteling in tijd is daarom ook een rechtvaardigheidsvraag. Toekomstige generaties kunnen niet meestemmen over de keuzes die vandaag worden gemaakt, maar krijgen wel de gevolgen.
Ultra-fast e-commerceplatforms laten een schaduwkant van moderne globalisering zien.
Consumenten in het centrum kunnen extreem goedkoop producten bestellen die aan de andere kant van de wereld worden geproduceerd. Dit lijkt efficiënt en aantrekkelijk: veel keuze, lage prijs, snelle levering.
Maar de ecologische prijs kan hoog zijn.
Denk aan:
productie van goedkope wegwerpproducten;
grondstoffengebruik;
transport via luchtvaart, scheepvaart en vrachtwagens;
verpakkingsafval;
retourzendingen;
korte levensduur van producten;
groeiende afvalbergen.
Het probleem is niet alleen dat producten verplaatst worden. Het probleem is dat het systeem mensen stimuleert om steeds meer spullen te kopen die steeds korter meegaan.
Een wereld waarin alles spotgoedkoop is, heeft vaak ergens anders een rekening liggen.
Veel moderne productie werkt volgens een lineair economisch model.
Dat model is simpel:
grondstoffen winnen;
producten maken;
producten verkopen;
producten gebruiken;
producten weggooien.
Dit noemen we ook wel: take, make, waste.
Het probleem is dat de aarde geen oneindige voorraadkast is en ook geen bodemloze prullenbak. Als grondstoffen steeds sneller worden gewonnen en afval steeds sneller groeit, loopt het systeem vast.
De lineaire economie past goed bij snelle consumptie, maar slecht bij een planeet met grenzen.
Om de planeet leefbaar te houden, is een overgang nodig naar een circulaire economie.
In een circulaire economie worden grondstoffen niet simpelweg verbruikt en weggegooid. Producten worden zo ontworpen dat materialen zo lang mogelijk in het systeem blijven.
Dat kan door:
hergebruik;
reparatie;
recycling;
langere levensduur;
minder verspilling;
modulair ontwerp;
delen in plaats van bezitten;
hoogwaardige verwerking van afval.
Een circulaire economie probeert de kringloop te sluiten. Afval wordt dan niet gezien als eindpunt, maar als grondstof voor een volgende ronde.
Dat klinkt logisch. Maar het vraagt een enorme verandering in ontwerp, productie, consumptie, wetgeving en gedrag.
Een circulaire economie is dus niet alleen beter afval scheiden.
Het is een andere manier van denken over productie en consumptie.
Binnen de maatschappelijke kritiek op hyperglobalisering onderscheiden we op vwo-niveau een specifieke beweging: de andersglobalisten.
Andersglobalisten moeten niet worden verward met antiglobalisten.
Antiglobalisten keren zich vaak fundamenteel tegen internationale verbondenheid of open grenzen.
Andersglobalisten zijn niet tegen wereldwijde netwerken of internationale samenwerking zelf. Zij verzetten zich vooral tegen de manier waarop de huidige globalisering is ingericht.
Volgens andersglobalisten is de huidige globalisering te sterk gericht op:
economische winst;
vrijhandel;
consumptie;
lage productiekosten;
belangen van multinationale ondernemingen.
Zij vinden dat globalisering anders georganiseerd moet worden: eerlijker, duurzamer en menselijker.
Andersglobalisten pleiten voor een vorm van globalisering waarin meer aandacht is voor:
sociale rechtvaardigheid;
lokale culturele identiteiten;
universele mensenrechten;
arbeidsrechten;
eerlijke handel;
ecologische duurzaamheid.
Hun kritiek is dus niet:
“weg met de wereld.”
Hun kritiek is eerder:
“de wereld is verbonden, maar voor wie werkt dit systeem eigenlijk?”
In deze paragraaf heb je gezien dat globalisering niet alleen verbinding en groei brengt, maar ook grenzen en tegenreacties.
Protectionisme keert terug omdat landen strategische sectoren willen beschermen. Centrumlanden maken zich zorgen over afhankelijkheid van China en over controle over nieuwe technologieën. Landen in de Global South proberen een sterkere positie te krijgen, maar lopen vaak tegen schulden, grondstoffenafhankelijkheid en ongelijke machtsverhoudingen aan.
Daarnaast heeft globalisering grote gevolgen voor de fysieke dimensie van de aarde. Door afwenteling in ruimte en tijd worden milieuschade en sociale kosten vaak doorgeschoven naar andere gebieden, zwakkere groepen of toekomstige generaties.
Globalisering is dus niet simpelweg goed of slecht.
Het is een systeem dat mensen, bedrijven en landen verbindt, maar ook dwingt tot de vraag:
wie profiteert, wie betaalt, en wie mag de regels veranderen?
1. Wat betekent protectionisme?
2. Noem twee manieren waarop een land de eigen economie kan beschermen.
3. Wat betekent strategische afhankelijkheid?
4. Wat betekent afwenteling?
5. Wat is het verschil tussen een lineaire economie en een circulaire economie?
6. Waarom is goedkoop produceren niet altijd hetzelfde als veilig produceren?
7. Waarom kan onderlinge afhankelijkheid tussen landen tijdens een crisis een probleem worden?
8. Waarom keert protectionisme in sommige landen terug?
9. Waarom kan globalisering leiden tot milieuschade?
10. Waarom is een product soms goedkoop, terwijl de echte kosten hoger zijn?
11. Geef een voorbeeld van afwenteling in ruimte.
12. Geef een voorbeeld van afwenteling in tijd.
13. Leg uit waarom computerchips, medicijnen of batterijen strategische producten kunnen zijn.
14. Gebruik ultra-fast e-commerce als voorbeeld van de schaduwkant van globalisering.
15. Geef een voorbeeld van een maatregel die past bij een circulaire economie.
16. Leg uit hoe protectionisme een reactie kan zijn op hyperglobalisering.
17. Analyseer waarom een land minder afhankelijk wil worden van buitenlandse productie.
18. Leg uit hoe goedkope consumptie in centrumlanden kan samenhangen met milieuschade in productielanden.
19. Analyseer waarom de energietransitie nieuwe afhankelijkheden kan veroorzaken.
20. Leg uit waarom een lineaire economie moeilijk vol te houden is op een eindige aarde.
21. Is protectionisme verstandig als producten daardoor duurder worden? Leg uit.
22. Moet economische veiligheid belangrijker zijn dan goedkope productie? Leg uit.
23. Is een circulaire economie realistisch binnen een geglobaliseerde consumptiemaatschappij? Leg uit.
24. Bedenk drie maatregelen waarmee een land minder kwetsbaar kan worden voor verstoringen in mondiale productieketens. Leg per maatregel kort uit hoe die helpt.