Het eindexamen aardrijkskunde bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen. In deze paragraaf leer je hoe deze onderdelen werken, welke domeinen bij aardrijkskunde horen en hoe je op het examen punten kunt scoren. Het belangrijkste is dat je niet alleen begrippen kent, maar ook leert uitleggen hoe geografische processen werken.
Na deze paragraaf kun je:
uitleggen wat het verschil is tussen het schoolexamen en het centraal examen;
beschrijven uit welke domeinen het examenprogramma aardrijkskunde bestaat;
herkennen hoe je punten scoort bij beschrijvende, verklarende en beredenerende examenvragen.
Je eindcijfer voor aardrijkskunde bestaat uit twee delen: het schoolexamen en het centraal examen.
Het schoolexamen (SE) vindt plaats op je eigen school. Dit kan bestaan uit schriftelijke toetsen, praktische opdrachten en geografisch onderzoek. De precieze vorm kan per school verschillen. Bij aardrijkskunde speelt geografisch onderzoek vaak een belangrijke rol, bijvoorbeeld wanneer je een vraagstuk in je eigen leefomgeving onderzoekt.
Het centraal examen (CE) is de landelijke schriftelijke toets aan het eind van het jaar. Dit examen wordt op hetzelfde moment afgenomen bij alle leerlingen van hetzelfde niveau. Havo-leerlingen maken dus hetzelfde havo-examen, en vwo-leerlingen maken hetzelfde vwo-examen.
Wanneer je geen eindexamen doet via een gewone dagschool, maar staatsexamen doet, krijg je naast het schriftelijke examen ook een mondeling examen. Dit wordt ook wel het college-examen genoemd.
Tijdens dit gesprek word je overhoord over de examenstof. Vaak moet je een casus, artikel, kaart of bron analyseren. Je laat dan zien dat je geografische begrippen en processen kunt toepassen op een concreet voorbeeld.
Als je op de dag van het examen ziek bent, moet je dit direct melden volgens de regels van je school. Doe dit zo snel mogelijk bij de juiste persoon, bijvoorbeeld de examensecretaris of de schoolleiding.
Bij geldige afwezigheid kun je het examen meestal in een later tijdvak inhalen. Dit is geen extra kans, maar een mogelijkheid om het examen alsnog te maken als je door overmacht niet aanwezig kon zijn.
Bij het centraal examen werk je met 3 verschillende onderdelen:
Het opgavenboekje
Hierin staan alle vragen die je moet beantwoorden.
Het bronnenboekje
Hierin staan teksten, grafieken, foto’s, tabellen en andere bronnen die je nodig hebt om vragen te beantwoorden.
Het kaartenkatern
Dit is een losse bijlage met kaarten. Op deze kaarten staan vaak legenda’s, schaalinformatie en ruimtelijke patronen die je moet gebruiken.
Voorbeelden van oude examens en opgaven kun je vinden via Examenblad en via oefensites zoals meestera.com.
Om aardrijkskunde goed te begrijpen, moet je het verschil kennen tussen fysische geografie en sociale geografie.
Fysische geografie gaat over natuurlijke processen en systemen. Je bestudeert bijvoorbeeld klimaat, rivieren, reliëf, bodems, vulkanisme, aardbevingen en landschappen. De centrale vraag is: hoe werkt de natuurlijke omgeving?
Sociale geografie gaat over mensen en hun ruimtelijke keuzes. Je onderzoekt bijvoorbeeld economie, steden, migratie, bevolking, globalisering en leefbaarheid. De centrale vraag is: hoe richten mensen de ruimte in en waarom gebeurt dat op die manier?
In aardrijkskunde komen deze twee vormen vaak samen. Een overstroming is bijvoorbeeld een natuurlijk proces, maar de gevolgen hangen af van menselijke keuzes, zoals waar mensen bouwen, hoe dijken worden onderhouden en welke gebieden beschermd worden.
De examenstof is verdeeld over verschillende domeinen. Deze domeinen helpen je om de grote hoeveelheid leerstof te ordenen.
Domein A: Vaardigheden
Dit is de gereedschapskist van het vak. Je leert geografische vragen stellen, kaarten lezen, bronnen gebruiken, schaalniveaus herkennen en geografische verklaringen opbouwen.
Domein B: Wereld
Dit domein gaat over sociale geografie op mondiale schaal. Je onderzoekt hoe landen en gebieden met elkaar verbonden zijn door handel, migratie, globalisering, productie en machtsverhoudingen.
Domein C: Aarde
Dit domein gaat over fysische geografie op mondiale schaal. Je leert over natuurlijke systemen zoals luchtstromen, klimaten, landschapszones, rivieren, aardbevingen en platentektoniek.
Domein D: Brazilië of Zuid-Amerika
Op havo staat Brazilië centraal. Je onderzoekt Brazilië als land met grote economische, sociale en natuurlijke verschillen.
Op vwo staat Zuid-Amerika centraal. Je bekijkt processen niet alleen binnen één land, maar ook op het schaalniveau van het hele continent.
Domein E: Leefomgeving
Dit domein richt zich op Nederland. Je onderzoekt vraagstukken rond waterbeheer, overstromingsrisico, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en ruimtelijke inrichting.
Deze methode is geschreven met havo als basisniveau. Dat betekent dat de belangrijkste begrippen, processen en examenvaardigheden eerst op een duidelijke manier worden uitgelegd.
Havo en vwo lijken bij aardrijkskunde sterk op elkaar. Beide niveaus werken met dezelfde geografische basis: je moet kaarten en bronnen kunnen gebruiken, geografische begrippen kennen, verbanden leggen en processen uitleggen met oorzaak en gevolg. Ook komen dezelfde grote domeinen terug: Vaardigheden, Wereld, Aarde, Gebieden en Leefomgeving.
Het verschil zit vooral in de diepgang. Op vwo moet je vaker grotere verbanden leggen, meer schaalniveaus combineren en abstracter redeneren. Je moet niet alleen weten wat er gebeurt, maar ook beter kunnen uitleggen hoe verschillende processen met elkaar samenhangen. Daarom bevat deze reader op sommige plekken extra vwo-verdieping.
Een duidelijk verschil is Domein D. Op havo staat Brazilië centraal. Je onderzoekt Brazilië als land met grote economische, sociale en natuurlijke verschillen. Op vwo staat Zuid-Amerika centraal. Je kijkt dan niet alleen naar één land, maar naar processen op het schaalniveau van het hele continent, zoals de invloed van het Andesgebergte, het Amazonegebied, El Niño, grondstoffen, landbouw, verstedelijking en ongelijkheid.
Kort gezegd: havo vraagt vooral om duidelijke toepassing van begrippen en processen. Vwo vraagt dezelfde basis, maar vaker met meer verdieping, meer abstractie en meer verbanden tussen gebieden, schaalniveaus en dimensies.
Het centraal examen bestaat meestal uit 7 à 8 grotere opgaven met meerdere deelvragen. De vragen zijn verdeeld over de domeinen Wereld, Aarde, Brazilië of Zuid-Amerika, en Leefomgeving.
Meestal krijg je:
opgaven over Wereld, bijvoorbeeld over productieketens, globalisering of migratie;
opgaven over Aarde, bijvoorbeeld over klimaat, landschappen, vulkanisme of aardbevingen;
opgaven over Brazilië op havo of Zuid-Amerika op vwo;
opgaven over Leefomgeving, bijvoorbeeld over waterbeheer, kustbescherming, stedelijke vernieuwing of leefbaarheid.
Soms worden domeinen gecombineerd. Een vraag kan bijvoorbeeld tegelijk gaan over fysische geografie en sociale geografie, of over Wereld en Aarde samen.
Om goed te scoren op het examen heb je drie dingen nodig.
Ten eerste moet je de begrippen kennen. Zonder begrippen kun je veel vragen niet precies genoeg beantwoorden.
Ten tweede moet je bronnen goed kunnen lezen. Je moet informatie halen uit kaarten, grafieken, tabellen, foto’s en teksten.
Ten derde moet je geografisch kunnen redeneren. Je moet dus verbanden leggen tussen oorzaak en gevolg, tussen gebieden, tussen schaalniveaus en tussen verschillende dimensies.
Naast elke vraag staat hoeveel punten je kunt verdienen. De vraagstelling geeft vaak aan wat je moet doen.
Bij een vraag van 1 punt moet je meestal iets noemen, herkennen of kort beschrijven. Je antwoord moet kort en direct zijn.
Bij een vraag van 2 punten moet je vaak een verband uitleggen. Je laat dan zien hoe het ene verschijnsel leidt tot het andere verschijnsel.
Bij een vraag van 3 punten moet je meestal meerdere stappen combineren. Vaak moet je eerst informatie uit een bron halen en daarna met je eigen kennis een geografische verklaring geven.
Werk daarom puntmatig. Schrijf je antwoord in korte, logische stappen op. Bij een uitleg begin je bij de oorzaak en werk je naar het gevolg.
Een handige structuur is:
Doordat...
Hiermee begin je met de oorzaak.
Hierdoor...
Hiermee geef je de tussenstap.
Dit leidt tot...
Hiermee eindig je met het gevolg.
Vraag:
Verklaar in twee stappen waarom het aan de kust in de winter minder koud is dan in het binnenland.
Goed antwoord:
De zee houdt warmte langer vast dan het land.
Daardoor waait er in de winter relatief warme lucht vanaf zee over het kustgebied, waardoor de temperatuur daar hoger blijft dan verder landinwaarts.
Dit antwoord is goed omdat het een duidelijke oorzaak-gevolgrelatie bevat.
Na het examen worden je antwoorden nagekeken aan de hand van een landelijk correctievoorschrift. Je krijgt punten voor volledige en juiste antwoorden. Daarna wordt je score via de landelijke normering omgezet naar een cijfer.