Dit thema volgt China’s draai van zelfbewuste regionale grootmacht naar “halve kolonie” onder westerse en Japanse druk, en daarna naar een autoritaire staat die toch economisch opklimt tot wereldspeler. Na militaire nederlagen en ongelijke verdragen verliest de Qing-dynastie legitimiteit; de revolutie van 1911 opent een periode van instabiliteit waarin nationalisten en communisten strijden om de toekomst van China.
De Japanse expansie en burgeroorlog monden uit in 1949 in de Volksrepubliek onder Mao, met radicale massapolitiek (o.a. Grote Sprong Voorwaarts, Culturele Revolutie) die enorme ontwrichting veroorzaakt. Vanaf de jaren 70–80 verschuift het accent naar internationale opening en economische hervormingen onder Deng, terwijl het politieke systeem autoritair blijft; rond 2001 is China via wereldhandel en modernisering uitgegroeid tot grootmacht.
Tot ver in de 18e eeuw was het Qing-rijk een regionale grootmacht in Oost-Azië.
De Qing-dynastie (1644–1911) was de laatste keizerlijke dynastie, geregeerd door Mantsjoe-heersers over een reusachtig rijk met Han-Chinese meerderheid.
China zag zichzelf als middenrijk (Zhongguo): het culturele centrum, omringd door minder ontwikkelde “barbaren”. Buurlanden (zoals Korea, Vietnam) stonden in een schatplichtige verhouding (tributair systeem) tot de Chinese keizer.
In de 19e eeuw kantelde dit beeld drastisch. Terwijl Europa door industrialisatie sneller produceerde en sterker bewapend raakte, raakte China in een spiraal van:
militaire nederlagen,
“ongelijke verdragen” en territoriaal verlies,
interne opstanden en hongersnoden,
mislukte hervormingen en toenemend legitimiteitsverlies van de Qing.
Tussen 1842 en 1911 veranderde China van regionale grootmacht in een door buitenlandse machten en Japan aangetaste halve kolonie, waarin het centrale gezag nauwelijks nog functioneerde.
De macht van de Qing was gebaseerd op het confucianisme:
een denksysteem gebaseerd op de ideeën van Confucius, waarin orde ontstaat door hiërarchische relaties (heerser–onderdaan, vader–zoon), deugdzaam bestuur en ritueel gedrag.
Bestuurders werden idealiter gekozen via zware ambtelijke examens:
examens in klassiek Chinees en confuciaanse teksten die toegang gaven tot bestuursfuncties.
Rond 1800 begon dit systeem scheuren te vertonen:
de bevolking groeide sterk → landtekort, spanningen tussen boeren;
corruptie en nepotisme onder ambtenaren namen toe;
lokale bestuurders lieten misstanden en belastingen vaak uit de hand lopen;
het centrale hof in Peking raakte ver verwijderd van problemen in de provincie.
China bleef economisch grotendeels agrarisch en hield vast aan de gedachte dat het zelfvoorzienend was. Men onderschatte hoe sterk Europese staten door industrialisatie waren veranderd qua productie, technologie en militaire slagkracht.
In de 19e eeuw ontwikkelden Europese landen een moderne vorm van imperialisme:
imperialisme waarbij industriële staten hun macht uitbreiden door gebieden economisch, militair en politiek te domineren, vaak zonder volledige kolonisatie, maar via handel, verdragen en invloedssferen.
Britse handelaren wilden de Chinese markt openbreken. Omdat China weinig westerse producten wilde, werd massaal opium uit Brits-Indië het land binnengesmokkeld. Toen de Qing-regering de opiumhandel probeerde te stoppen, greep Groot-Brittannië militair in.
Eerste Opiumoorlog (1839–1842)
China werd verslagen door een beter bewapende Britse vloot.
In 1842 moest China het Verdrag van Nanking tekenen – het eerste grote “ongelijke verdrag”.
Ongelijke verdragen:
verdragen die buitenlandse mogendheden aan China oplegden, waarin China concessies moest doen (bijv. openstelling van havens, afstaan van gebieden, lage importtarieven, extraterritorialiteit), zonder gelijkwaardige tegenprestatie.
Belangrijkste gevolgen:
Hongkong werd een Britse kolonie;
meerdere verdragshavens (treaty ports) gingen open voor westerse handel;
buitenlanders kregen extraterritorialiteit:
ze vielen in China onder hun eigen recht en rechtbanken, niet onder Chinese wetten;
China verloor controle over zijn douanetarieven: importheffingen werden laag gehouden, wat de Chinese economie kwetsbaar maakte.
In een Tweede Opiumoorlog (1856–1860) dwongen Groot-Brittannië en Frankrijk verdere openstelling en privileges af. Andere mogendheden (VS, Rusland) kregen vergelijkbare rechten.
China verloor door deze oorlogen:
militaire prestige;
fiscale inkomsten uit de handel;
controle over eigen grenzen en economie.
De regionale grootmacht was zichtbaar niet opgewassen tegen het geïndustrialiseerde Westen.
De externe vernederingen vielen samen met ernstige binnenlandse crises:
overbevolking en hongersnoden;
stijgende belastingen en corruptie;
zwakke, traag reagerende centrale overheid.
Het resultaat waren grote opstanden, vaak met religieuze of etnische tint:
Taiping-opstand (1850–1864):
massale opstand onder leiding van Hong Xiuquan, die zichzelf zag als jongere broer van Jezus. Hij wilde het Qing-bewind omverwerpen en een “Hemels Koninkrijk van Grote Vrede” stichten.
enorme burgeroorlog, miljoenen doden;
Taiping controleerden grote delen van Zuid-China;
de Qing konden hen alleen met veel moeite en hulp van lokale legerleiders verslaan.
Nian-opstand en verschillende moslimopstanden (o.a. in het noordwesten):
toonden aan dat het rijk van binnenuit uiteen dreigde te vallen.
Deze opstanden verzwakten de Qing op meerdere manieren:
leger en schatkist werden uitgeput;
de centrale regering raakte afhankelijk van provinciale legerleiders;
regionale machthebbers (zoals Zeng Guofan, Li Hongzhang) kregen veel eigen macht – een voorproefje van latere krijgsheren (warlords).
China moest zijn beperkte middelen verdelen tussen:
onderdrukken van interne opstanden;
betalen van herstelbetalingen aan buitenlandse machten;
verdedigen van grenzen.
Dat maakte het bijna onmogelijk om effectief op buitenlandse dreiging te reageren.
Na de shock van de Taiping-opstand en de nederlagen tegen het Westen begon men aan het hof te beseffen dat China moest moderniseren. Zo ontstond de Zelfversterkingsbeweging (Self-Strengthening Movement, ca. 1860–1895).
Kernidee:
“Chinese leer als basis, westerse kennis als hulpmiddel” – de traditionele confuciaanse orde bleef het fundament, maar men wilde westerse militaire en technische kennis overnemen.
Concrete maatregelen:
bouw van moderne arsenalen en wapenfabrieken;
oprichting van scheepswerven en een moderne vloot;
aanleg van telegrafen en de eerste spoorlijnen;
uitzenden van studenten naar het buitenland;
oprichting van nieuwe scholen met westerse vakken.
Beperkingen:
veel conservatieve bewindslieden en geleerden vreesden dat te vergaande hervormingen de confuciaanse orde zouden ondermijnen;
hervormingen waren vaak technisch, zonder bijbehorende politieke vernieuwing (bijv. geen grondwet, geen verantwoording van het bestuur aan burgers);
corruptie en inefficiëntie bleven groot.
De Zelfversterkingsbeweging was dus een poging om China militair en economisch te moderniseren zonder de keizerlijke structuur fundamenteel te veranderen. Dat bleek onvoldoende om de buitenlandse druk echt het hoofd te bieden.
Terwijl China worstelde met halfslachtige modernisering, volgde Japan een radicalere weg. Na de Meiji-restauratie (vanaf 1868) voerde Japan ingrijpende hervormingen door:
afschaffing van de feodale orde;
snelle industrialisatie;
opbouw van een modern leger en vloot naar Westers model.
China merkte de gevolgen in de Eerste Chinees-Japanse oorlog (1894–1895), vooral over invloed in Korea:
China leed een zware nederlaag te land en ter zee;
in het Verdrag van Shimonoseki (1895) moest China:
de onafhankelijkheid van Korea erkennen (feitelijk kwam Korea onder Japanse invloed);
Taiwan en de Pescadores-eilanden afstaan;
een hoge herstelbetaling doen;
Japan extra handelsrechten verlenen.
Daarna raakten ook Europese machten betrokken bij een soort “scramble for China”:
Rusland kreeg invloed in Mantsjoerije;
Duitsland in Shandong;
Frankrijk in Zuid-China, aansluitend op Frans-Indochina;
Groot-Brittannië in de Jangtse-delta en verder in het zuiden.
Het rijk werd opgedeeld in invloedssferen:
gebieden waar een buitenlandse macht sterke economische en soms militaire invloed had, zonder formeel de soevereiniteit over te nemen.
China behield formeel zijn keizer, maar in de praktijk was het op veel terreinen afhankelijk van buitenlandse mogendheden.
De nederlaag tegen Japan schokte het Chinese intellectuele en politieke milieu. Jonge hervormers wilden ingrijpendere veranderingen:
Honderd Dagen-hervorming (1898):
poging van keizer Guangxu en hervormers om in korte tijd onderwijs, leger, economie en bestuur te moderniseren en zelfs een grondwet in te voeren.
stuitte op hevig verzet van conservatieve kringen;
keizerin-weduwe Cixi pleegde een paleiscoup en zette de hervorming stop;
hervormers werden verbannen of geëxecuteerd.
Daarmee verspeelde het hof een laatste kans op gecontroleerde hervorming van bovenaf.
Bokseropstand (1900)
In Noord-China ontstonden geheime genootschappen, bekend als de Boksers:
een beweging van vooral landloze boeren en jongeren, die sterk nationalistisch en anti-westers waren, en ook christenen (vaak als “buitenlandse religie”) viseerden.
De Boksers keerden zich tegen buitenlandse aanwezigheid en Chinese christenen.
Zij belegerden o.a. het buitenlandse ambassadekwartier in Peking.
Keizerin-weduwe Cixi besloot de Boksers te steunen in de hoop het buitenland weg te krijgen.
De reactie:
een achtmogendhedenleger (o.a. Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Japan, VS) trok op naar Peking;
de opstand werd bloedig neergeslagen;
in het Bokserprotocol (1901) legden de mogendheden zware straffen op:
hoge herstelbetalingen;
stationering van buitenlandse troepen op strategische plaatsen;
nog meer concessies.
De Bokseropstand was een radicale vorm van verzet tegen Westers imperialisme (KA 44), maar liep uit op een verdere verzwakking van China en een nieuwe vernedering van de Qing-regering.
Na 1901 probeerde de Qing nog een laatste serie hervormingen, soms “Nieuwe Reglementen” genoemd:
modernisering van onderwijs (ook westerse vakken);
hervorming van leger en administratie;
afschaffing van het traditionele examensysteem in 1905;
plannen voor een grondwet en een soort parlement.
Maar:
hervormingen kwamen laat en waren halfslachtig;
veel Chinezen vertrouwden de Qing niet meer;
regionale elites en nieuwe revolutionaire groepen zagen het hof als deel van het probleem, niet van de oplossing.
Sun Yat-sen en andere nationalisten vormden verenigingen als de Tongmenghui (1905):
een revolutionaire organisatie die streefde naar omverwerping van de Qing en vestiging van een republiek, gebaseerd op Sun’s “Drie Volksbeginselen”: nationalisme, democratie, volkswelvaart.
De Qing verloren steun:
bij nationalisten, die een modern, onafhankelijk China wilden;
bij boeren, die teleurgesteld waren in het falende bestuur;
bij stedelijke elites, die beter bestuur en meer invloed wilden.
In 1911 leidde een opstand in Wuchang tot een reeks revoluties in verschillende provincies. Al snel sloten vele gebieden zich aan bij de opstand:
provinciale elites riepen de onafhankelijkheid van de Qing uit;
Sun Yat-sen werd tot voorlopig president uitgeroepen;
de Qing zagen geen kans meer het rijk bijeen te houden.
In 1912 deed de laatste keizer, Puyi, afstand van de troon. Het keizerrijk viel uiteen, en China werd een republiek – maar politiek en territoriaal verzwakt, met sterke buitenlandse invloed en opkomende regionale krijgsheren.
In 1912 kwam na bijna tweeduizend jaar een einde aan het keizerlijk China. De Qing-dynastie viel en Sun Yat-sen riep de Republiek China uit. Daarmee leek China de stap te zetten naar een moderne, nationale staat met een grondwet, een gekozen parlement en een vorm van democratie.
Maar de werkelijkheid bleek weerbarstig:
het land viel uiteen in gebieden onder krijgsheren (warlords);
buitenlandse mogendheden en Japan bleven grote invloed uitoefenen;
nieuwe politieke stromingen zoals nationalisme en communisme kregen steeds meer aanhang;
Japanse bezetting en burgeroorlog verwoestten grote delen van het land.
Tussen 1912 en 1949 groeide China uit van een zwakke republiek, verscheurd door oorlog en buitenlandse inmenging, naar een communistische Volksrepubliek onder leiding van Mao Zedong. Dat proces werd aangedreven door nationale vernedering, sociale onvrede, strijd tegen imperialisme en de opkomst van massale politieke organisaties.
Na de revolutie van 1911 deed de laatste keizer, Puyi, afstand van de troon. In 1912 werd de Republiek China uitgeroepen. De belangrijkste figuur was Sun Yat-sen, leider van de nationalistische partij Guomindang (ook wel KMT):
Sun formuleerde de Drie Volksbeginselen: nationalisme (einde aan buitenlandse overheersing), democratie (politieke deelname van het volk) en volkswelvaart (sociale rechtvaardigheid).
De nationalistische partij won de eerste verkiezingen, maar de macht verschoof snel naar generaal Yuan Shikai, een invloedrijke officier:
Yuan werd president en zette Sun Yat-sen opzij;
hij probeerde zich zelfs tot keizer te laten kronen;
zijn autocratische koers maakte hem onpopulair.
Na zijn dood in 1916 viel het land uiteen in gebieden onder verschillende krijgsheren:
krijgsheren waren regionale militaire machthebbers die met hun eigen legers gebieden bestuurden en elkaar bestreden.
Gevolgen:
de centrale regering in Peking was zwak en vaak symbolisch;
oorlogen tussen krijgsheren verwoestten het platteland;
buitenlandse mogendheden en Japan maakten gebruik van de chaos om hun invloed uit te breiden.
De republiek bestond formeel, maar in de praktijk miste China een sterk, legitiem centraal gezag.
Na de Eerste Wereldoorlog hoopten veel Chinezen dat de ongelijke verdragen en buitenlandse concessies zouden worden herzien. Op de Vredesconferentie van Versailles (1919) bleek echter dat Duitse concessies in Shandong niet teruggingen naar China, maar naar Japan.
Dit leidde tot grote verontwaardiging:
op 4 mei 1919 demonstreerden studenten in Peking – de 4 Meibeweging (May Fourth Movement);
protesten verspreidden zich naar andere steden, met stakingen en boycots tegen buitenlandse producten.
De 4 Meibeweging was meer dan een spontaan protest:
zij richtte zich tegen buitenlandse inmenging én tegen de zwakte van de Chinese regering;
studenten, intellectuelen en jongeren eisten een modern, sterk China;
traditionele waarden (zoals delen van het confucianisme) werden bekritiseerd;
men pleitte voor wetenschap, democratie en gelijkheid van mannen en vrouwen.
In deze context ontstond de Nieuwe Cultuurbeweging:
een stroom van culturele en intellectuele vernieuwing, waarin men pleitte voor modern onderwijs, gebruik van spreektaal in plaats van klassiek Chinees en meer individuele vrijheid.
Onder invloed van westerse en Russische voorbeelden raakten sommigen overtuigd van socialistische en communistische ideeën als oplossing voor China’s problemen:
buitenlandse overheersing → strijd tegen imperialisme;
sociale ongelijkheid en armoede → revolutie van arbeiders en boeren;
zwakke staat → sterke partijorganisatie.
In 1921 werd in Shanghai de Chinese Communistische Partij (CCP) opgericht, aanvankelijk met een kleine groep leden, maar met een groot idee: een revolutionaire omvorming van China.
In de jaren 1920 zochten nationalisten en communisten elkaar aanvankelijk op. De Sovjet-Unie steunde beide:
de Guomindang werd gereorganiseerd volgens voorbeeld van de bolsjewistische partij (sterke partijstructuur, kaderopleiding, propaganda);
de CCP kreeg training, middelen en politieke steun.
Doel: China verenigen, de krijgsheren verslaan en buitenlandse invloed terugdringen.
Deze samenwerking heet het Eerste Verenigde Front:
een tijdelijke alliantie tussen de Guomindang (nationalisten) en de CCP (communisten) tegen gemeenschappelijke vijanden.
Noordelijke Veldtocht (1926–1928)
Onder leiding van Chiang Kai-shek – een militaire leider uit de Guomindang – trok een verenigd leger naar het noorden:
versloeg stap voor stap krijgsheren;
heroverde belangrijke steden;
versterkte de positie van de nationalisten.
Maar Chiang vreesde de groeiende invloed van de communisten. In 1927 liet hij in Shanghai en andere steden communisten en vakbondsleden massaal oppakken en vermoorden (de “Witte Terreur”):
het Eerste Verenigde Front viel uiteen;
de CCP werd in de steden grotendeels uitgeschakeld;
de comunisten vluchtten naar het platteland en bouwden daar basisgebieden op.
Vanaf dat moment vochten nationalisten en communisten om de vraag wie de Chinese natie moest aanvoeren – een strijd die tot 1949 zou duren.
Na de breuk met de communisten vestigden de nationalisten hun regering in Nanjing (Nanking). De periode 1927–1937 wordt vaak het Nanjing-decennium genoemd.
Positieve ontwikkelingen:
poging om een centraal bestuur op te bouwen over (een deel van) China;
pogingen tot industrialisatie en verbetering van infrastructuur (wegen, spoor, communicatie);
modernisering van rechtssysteem en onderwijs;
gedeeltelijke heronderhandeling van de ongelijke verdragen – in sommige havens kreeg China meer zeggenschap terug.
Maar er bleven grote problemen:
corruptie in het Guomindang-apparaat was wijdverbreid;
politieke tegenstanders werden vervolgd;
sommige regio’s bleven onder controle van half-onafhankelijke krijgsheren;
op het platteland bleven armoede en uitbuiting enorm;
veel Chinezen vonden dat de nationalisten te zacht optraden tegen buitenlandse inmenging, vooral tegen Japan.
Ondertussen probeerde de CCP zich in afgelegen gebieden te herstellen. Na een zware militaire campagne van de nationalisten tegen communistische bases in het zuiden, trok een deel van de CCP in 1934–1935 via de legendarische Lange Mars naar het noordwesten:
de Lange Mars was een lange, zware terugtocht van de communistische troepen naar een nieuw basisgebied, waarbij veel strijders omkwamen maar de kern van de partij overleefde.
Tijdens en na de Lange Mars groeide de invloed van Mao Zedong, die de CCP steeds meer zou gaan domineren. De communisten ontwikkelden daar een strategie van massamobilisatie onder de boeren, landhervormingen en gerichte propaganda – een belangrijke basis voor hun latere succes.
In 1931 bezette Japan Mantsjoerije in het noordoosten van China en richtte de marionettenstaat Mantsjoekwo (Manchukuo) op. Als staatshoofd werd de laatste keizer Puyi aangesteld, maar de werkelijke macht lag bij het Japanse leger.
Vanaf 1937 breidde Japan zijn agressie uit tot een grootschalige oorlog – de Tweede Chinees-Japanse oorlog:
incident bij de Marco Polo-brug bij Peking als aanleiding;
verovering van grote delen van Noord- en Oost-China;
wreedheden zoals het Bloedbad van Nanjing: massamoorden en verkrachtingen door Japanse troepen.
Deze oorlog dwong nationalisten en communisten tot een Tweede Verenigde Front:
officieel werkten Guomindang en CCP samen tegen Japan;
in de praktijk bleven ze elkaar wantrouwen en probeerden ze tegelijk hun eigen positie te versterken.
De nationalisten voerden vooral conventionele oorlog en trokken zich steeds verder terug, terwijl ze grote verliezen leden. De communisten kozen voor:
guerrillaoorlog achter de Japanse linies;
landhervormingen in de door hen gecontroleerde gebieden;
het opbouwen van een uitgebreid netwerk van massaorganisaties (boerenverenigingen, vrouwenorganisaties, jeugdliga’s).
Met behulp van propaganda presenteerde de CCP zich als:
consequent anti-imperialistisch;
dichter bij de boeren en gewone bevolking;
minder corrupt dan de nationalistische regering.
Zo groeide, ondanks de gruwelen van de oorlog, de aanhang van de communisten op het platteland.
Na de capitulatie van Japan in 1945 was de vraag: wie zou China gaan regeren?
Formeel was de nationalistische regering in Nanjing de wettige overheid, gesteund door de Verenigde Staten. De communisten hadden echter:
een groot territorium in Noord- en Noordwest-China;
een leger met strijdervaring;
veel steun onder boeren door landhervormingen en anti-Japanse reputatie.
Belangrijke factoren in de burgeroorlog:
De nationalisten kampten met hyperinflatie, uitputting, corruptie en weinig steun onder de bevolking.
Communisten konden in door Japanners achtergelaten gebieden snel hun invloed uitbreiden en kregen toegang tot wapens.
De Sovjet-Unie steunde de CCP politiek en indirect militair (o.a. door in Mantsjoerije Japanse wapens te laten “vallen” in handen van de CCP).
Beide partijen gebruikten propaganda en moderne communicatiemiddelen (pers, pamfletten, radio) om hun verhaal aan de bevolking te vertellen, maar de CCP wist beter aan te sluiten bij de frustraties van boeren en stedelijke armen.
De CCP presenteerde zich als:
de partij van land voor de boeren;
de kracht die zowel imperialisten als corruptie en oorlog wilde beëindigen;
de drager van een moderne ideologie: communisme, gebaseerd op socialisme en een sterke, leidinggevende partij.
In een reeks campagnes tussen 1946 en 1949 leden de nationalisten zware nederlagen. Hun bestuur werd gezien als corrupt, autoritair en niet in staat de oorlogsschade te herstellen.
Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking de Volksrepubliek China uit:
een communistische staat geleid door de CCP, met een eenpartij-systeem en een centrale rol voor de partij in alle lagen van de samenleving.
Chiang Kai-shek en de restanten van de Guomindang trokken zich terug op Taiwan, van waaruit zij bleven claimen de wettige regering van heel China te zijn.
Na 1949 raakte China direct verstrikt in de Koude Oorlog:
een ideologische en politieke machtsstrijd tussen twee blokken:
het kapitalistische Westen onder leiding van de Verenigde Staten;
het communistische blok onder leiding van de Sovjet-Unie.
Kenmerken:
De Sovjet-Unie erkende de Volksrepubliek en verleende hulp (technisch, economisch, militair).
De Verenigde Staten bleven Taiwan (de Republiek China) als vertegenwoordiger van heel China erkennen.
In de Verenigde Naties behield Taiwan tot 1971 de Chinese zetel, inclusief de permanente zetel in de Veiligheidsraad.
China werd gezien als onderdeel van het communistische blok, wat de spanningen in Azië verhoogde (o.a. in Korea en later Vietnam).
Met de stichting van de Volksrepubliek werd de communistische ideologie (KA 38) in een groot deel van China de basis voor een totalitair systeem:
een systeem waarin één partij vrijwel alle terreinen van het leven controleert (politiek, economie, maatschappij), met gebruik van propaganda, censuur en massaorganisaties.
De Volksrepubliek was daarmee zowel het resultaat van lange binnenlandse strijd als van de wereldwijde ideologische tegenstelling van de 20e eeuw.
Toen Mao Zedong in 1949 de Volksrepubliek China uitriep, was het land:
verwoest door jaren van burgeroorlog en Japanse bezetting;
grotendeels agrarisch, arm en technisch achtergebleven;
politiek instabiel, met veel analfabetisme en slechte infrastructuur.
Toch groeide China in de tweede helft van de 20e eeuw uit tot:
een militaire grootmacht met een enorm leger en kernwapens;
een economische grootmacht met een snel groeiende industrie en handelsnetwerken;
een politieke speler van formaat, met een eigen communistisch model en toenemende invloed in Azië en daarbuiten.
Dit gebeurde niet in één rechte lijn. De Volksrepubliek kende fases van:
totalitaire massamobilisatie (Grote Sprong Voorwaarts, Culturele Revolutie);
internationaal isolement en breuken binnen het communistische blok;
pragmatische economische hervormingen onder Deng Xiaoping;
integratie in de wereldeconomie (Hongkong, WTO) met behoud van een autoritaire eenpartijstaat.
Na 1949 herstelde de Chinese Communistische Partij (CCP) snel het centrale gezag:
Volksrepubliek = communistische staat waarin de CCP als enige machtspartij optreedt en alle belangrijke besluiten neemt.
Kenmerken van de nieuwe staat:
opbouw van een totalitair systeem (KA 38):
één partij, geen vrije verkiezingen;
censuur, propaganda, geheime politie;
de partij dringt door tot in dorpen, fabrieken, scholen en gezinnen;
gebruik van massaorganisaties (KA 37):
vrouwenverenigingen, jeugdliga’s, boerenorganisaties;
deze mobiliseren steun, verspreiden propaganda en controleren gedrag;
inzet van moderne propaganda- en communicatiemiddelen:
posters, massabijeenkomsten, kranten, later radio en luidsprekers in dorpen;
cultus rondom Mao (portretten, slogans, rode boekjes).
In de eerste jaren voerde de CCP een programma van:
landhervormingen → herverdeling van grond van grootgrondbezitters naar arme boeren;
nationale planeconomie naar Sovjet-model:
centraal vijfjarenplannen;
nadruk op zware industrie;
collectivisatie van landbouw.
Dit leverde aanvankelijk:
meer controle over het land;
enige sociale verbetering (alfabetisering, basisgezondheidszorg);
een gevoel van nationale eenheid na de chaotische decennia ervoor.
Maar de manier waarop dit gebeurde – via dwang, terreurcampagnes tegen “klassenvijanden” en strikte planning – legde ook de basis voor latere rampen.
In de jaren 1950 werkte China nauw samen met de Sovjet-Unie:
Sovjet-deskundigen hielpen bij de opbouw van fabrieken en infrastructuur;
China volgde het model van snelle industrialisatie via zware industrie en zware staatscontrole.
Na de dood van Stalin (1953) veranderde de Sovjetpolitiek. Chroesjtsjov bekritiseerde de personencultus rond Stalin en zocht naar vreedzame co-existentie met het Westen. Mao zag dit als verraad aan de revolutie. Dat leidde tot een Sino-Sovjetbreuk:
ideologische ruzies over de juiste marxistische lijn;
concurrentie om leiderschap in de communistische wereld;
terugtrekking van Sovjet-experts en hulp.
Mao wilde laten zien dat China zélf een revolutionaire supermacht kon worden. In 1958 lanceerde hij de Grote Sprong Voorwaarts:
poging om in korte tijd een industriële grootmacht te worden door landbouw en industrie radicaal te collectiviseren en massamobilisatie in te zetten.
Kenmerken:
vorming van grote volkscommunes op het platteland;
boeren moesten naast landbouw ook staal produceren in kleine ovens;
productiecijfers werden overdreven om loyaal te lijken aan de partij;
kritiek was gevaarlijk: wie twijfels uitte, werd snel als “rechts” of “tegenstander” gezien.
Gevolgen:
landbouwproductie stortte in door slecht beleid, dwang en leugens over oogsten;
de staat bleef hoge quota graan opeisen, zelfs bij misoogsten;
begin jaren 1960 ontstond een enorme hongersnood, waarbij tientallen miljoenen mensen stierven.
De Grote Sprong Voorwaarts was dus:
een extreem voorbeeld van totalitair beleid en mislukte planeconomie;
een zware terugslag voor China’s ontwikkeling;
een breukmoment dat binnen de partij leidde tot meer pragmatisch, maar ook intern conflict over de koers.
Na de mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts verloor Mao tijdelijk invloed aan meer pragmatische leiders. In 1966 sloeg hij terug met de Culturele Revolutie:
politieke massabeweging die officieel bedoeld was om de revolutie te “zuiveren” en “burgerlijk” denken, traditie en kapitalistische tendensen uit te bannen, maar in de praktijk leidde tot chaos en terreur.
Kenmerken:
Mao riep jongeren op om Rode Gardisten te worden – militante scholieren en studenten;
ze moesten “oude ideeën, oude cultuur, oude gewoonten en oude gebruiken” aanvallen;
intellectuelen, leerkrachten, partijfunctionarissen en vermeende “kapitalistische wegbereiders” werden publiek vernederd, gevangen of vermoord;
tempels, historische objecten, boeken en kunstwerken werden vernield.
De Culturele Revolutie was een extreem voorbeeld van:
totalitaire klassenstrijd (KA 38), onderbouwd door een sterke cultus rond de leider;
gebruik van massamedia en massaorganisaties (KA 37):
het Rode Boekje met Mao-citaten;
posters, slogans, massale bijeenkomsten;
radio en georkestreerde campagnes.
Gevolgen:
ontwrichting van onderwijs, wetenschap, cultuur en economie;
interne strijd binnen de partij;
miljoenen slachtoffers (doden, gewonden, gedeporteerden);
tijdelijke verzwakking van de staat, maar uiteindelijk versterking van de macht van Mao doordat rivalen werden uitgeschakeld.
Ironisch genoeg remde deze ideologisch gedreven chaos China’s economische en technologische ontwikkeling, terwijl andere landen in Oost-Azië (Japan, Zuid-Korea, Taiwan) juist in hoog tempo industrialiseerden.
In de context van de Koude Oorlog (KA 45) speelde China een eigen spel:
aanvankelijk leek het land een trouwe bondgenoot van de Sovjet-Unie;
na de Sino-Sovjetbreuk kwam China in toenemend isolement;
tegelijkertijd presenteerde China zich als leider van revolutionaire en anti-koloniale bewegingen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.
Dit sloot aan bij de dekolonisatie (KA 46):
het proces waarbij Europese koloniale rijken uiteenvielen en nieuwe, onafhankelijke staten ontstonden.
China:
steunde sommige anti-koloniale bewegingen en nieuwe regimes met wapens, training of politieke steun;
presenteerde zichzelf als alternatief voor zowel westers kapitalisme als Sovjet-“revisionisme”;
probeerde invloed te winnen in de Niet-Gebonden Beweging – landen die zich niet expliciet aan één van de Koude Oorlog-blokken wilden binden.
In de jaren 1970 kwam een diplomatiek keerpunt:
zowel de VS als China zagen de Sovjet-Unie als gevaarlijke rivaal;
in 1972 bracht president Richard Nixon een historisch bezoek aan China;
in 1971 kreeg de Volksrepubliek de Chinese zetel in de Verenigde Naties, inclusief de permanente zetel in de Veiligheidsraad – Taiwan raakte die plek kwijt.
Dit vergrootte China’s internationale legitimiteit en gaf het land een officiële plaats aan de top van de wereldpolitiek, ondanks zijn economische achterstand.
Na de dood van Mao in 1976 ontstond een machtsstrijd binnen de CCP. De radicaal-maoïstische “Bende van Vier” werd uitgeschakeld. De nieuwe richting werd belichaamd door Deng Xiaoping.
Deng brak met het gedachtegoed van de Culturele Revolutie en formuleerde een nieuwe lijn:
“Het maakt niet uit of de kat zwart of wit is, zolang hij maar muizen vangt.” – kortom: pragmatisme boven dogmatiek.
Deng lanceerde de Vier Moderniseringen:
modernisering van de landbouw;
modernisering van de industrie;
modernisering van wetenschap en technologie;
modernisering van de defensie.
Belangrijke economische maatregelen:
gedeeltelijke liberalisering van de landbouw (huishoudverantwoordelijkheidssysteem):
boeren mochten na het afdragen van een quota aan de staat de rest van de oogst zelf verkopen;
inrichting van Speciale Economische Zones (bijv. Shenzhen):
buitenlandse investeringen werden toegestaan;
exportgerichte industrie werd gestimuleerd;
toestaan van kleine privébedrijven in handel en diensten;
meer ruimte voor marktmechanismen, terwijl de CCP de politieke macht behield.
Dit model wordt vaak omschreven als een socialistische markteconomie of “socialisme met Chinese kenmerken”:
een mengvorm waarbij de staat en de CCP de politieke en strategische economische sectoren controleren, maar marktwerking en privé-initiatieven toestaan om groei te stimuleren.
Gevolgen:
sterke economische groei, vooral in de kustgebieden;
snelle industrialisatie en urbanisatie;
minder extreme armoede, maar grotere regionale en sociale ongelijkheid;
China werd steeds meer verweven met de wereldeconomie.
Politiek bleef de lijn hard:
oproepen tot democratisering werden niet getolereerd;
een duidelijke grens tussen economische en politieke liberalisering.
Symbool daarvan zijn de studentendemonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989:
studenten en andere burgers eisten meer vrijheid, democratische hervormingen en strijd tegen corruptie;
de partijleiding besloot tot militair ingrijpen;
het leger maakte met geweld een einde aan de protesten, wat honderden of meer doden opleverde;
de CCP liet zien dat de economische opening niet gepaard zou gaan met politieke democratie.
Na 1989 zetten Deng Xiaoping en later Jiang Zemin de economische koers voort en zelfs versneld door:
verdere uitbreiding van markthervormingen;
aanmoediging van buitenlandse investeringen;
ontwikkeling van exportgerichte industrieën;
groeiende integratie in internationale handels- en productieketens.
Tegelijk bleef de CCP:
een autoritaire greep houden op de politiek;
gebruikmaken van propaganda, censuur en controle over media;
massaorganisaties en partijstructuren inzetten om samenleving en bedrijfsleven te sturen.
In de jaren 1990 groeide China uit tot:
een belangrijke handelspartner van westerse landen, die in dezelfde periode van hoge welvaart (KA 48) massaal goederen uit China importeerden;
een land dat profiteerde van globalisering en lage lonen, terwijl het zelf selectief de eigen markt beschermde.
Belangrijke symbolische momenten:
1997: overdracht van Hongkong van het Verenigd Koninkrijk aan China;
1999: overdracht van Macao van Portugal aan China;
Beide volgens het principe “één land, twee systemen”:
China blijft een socialistische eenpartijstaat, maar Hongkong en Macao krijgen binnen de Volksrepubliek tijdelijk hun eigen kapitalistische systeem en verregaande autonomie.
Deze overgangen maakten zichtbaar:
het einde van klassieke Europese koloniale controle in deze regio (KA 46);
de verschuiving van de machtsbalans: westerse hegemonie nam af, China trad zelfbewuster op.
In 2001 trad China toe tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO):
internationale organisatie die regels stelt voor wereldhandel en handelsconflicten beslecht.
Dit markeerde:
de formele erkenning van China als belangrijke speler in de wereldeconomie;
verdere opening van de Chinese markt, maar ook meer toegang voor Chinese producten tot wereldmarkten.
Rond 2001 was China:
een snelgroeiende industriële grootmacht;
een belangrijke politieke en diplomatieke speler, met een vaste plek in de VN-Veiligheidsraad;
een militaire factor met groot leger en kernwapens;
een land dat liet zien dat een communistisch bewind gecombineerd kan worden met kapitalistische economie, zonder democratisering.