In dit thema zie je hoe een middeleeuws, overwegend agrarisch gebied verandert in een netwerk van steden waar handel, ambacht en geldverkeer de samenleving opnieuw vormgeven. Door voedseloverschotten, bevolkingsgroei en een gunstige ligging groeit een stedelijke burgerij die macht ontleent aan handel, krediet en productie (niet aan adellijke afkomst).
Steden krijgen via stadsrechten meer zelfbestuur, maar komen later onder druk door staatsvorming en centralisatie (Bourgondiërs/Habsburgers), terwijl de Reformatie en de Opstand tegen Spanje de verhoudingen op scherp zetten.
Uiteindelijk leidt dit in het noorden tot een republiek waarin regenten uit de stedelijke elite een grote politieke rol spelen, met spanningen tussen staatsgezinden en orangisten richting het Rampjaar 1672.
Rond 1050 was West-Europa nog vooral een agrarische samenleving: bijna iedereen leefde op het platteland en werkte in de landbouw. Toch begon juist in de Lage Landen – vooral in Vlaanderen – iets nieuws te ontstaan: een dicht netwerk van steden, met markten, ambachten en een eigen bestuur.
Tussen 1050 en 1302 ontwikkelde zich hier een stedelijke burgerij: een groep inwoners die hun status niet ontleende aan adel of groot grondbezit, maar aan handel, krediet en ambachtelijke productie.
Dat gebeurde niet vanzelf. Het werd mogelijk doordat:
de landbouwproductiviteit toenam, waardoor er voedseloverschotten ontstonden;
de bevolking groeide, waardoor er meer producenten en consumenten kwamen;
de handel en een monetaire economie (betalingen met geld in plaats van alleen ruilhandel) opbloeiden;
steden van vorsten stadsrechten kregen en daardoor zelfbestuur;
stedelingen zich organiseerden in gilden (beroepsverenigingen van kooplieden of ambachtslieden);
stedelijke milities in conflicten, zoals bij de Guldensporenslag (1302), aantoonden dat zij militair meetelden.
Samen legden deze ontwikkelingen de basis voor de opkomst van een stedelijke burgerij in de Nederlandse gewesten.
De basis van alles lag op het platteland. Zolang boeren nauwelijks meer produceerden dan ze zelf nodig hadden, konden er geen grote steden bestaan.
Vanaf de 11e eeuw kwamen er belangrijke landbouwvernieuwingen:
het drieslagstelsel: de akkers werden in drieën gedeeld (wintergraan, zomergraan, braak), waardoor de grond minder uitputte en de opbrengst steeg;
betere ploegen en paardentuig, waarmee ook zware kleigronden goed bewerkt konden worden;
grootschalige ontginningen van bossen en moerassen, waardoor er meer bouwland beschikbaar kwam.
Gevolg:
hogere landbouwopbrengsten per hectare;
voedseloverschotten;
een bevolkingsgroei, omdat er meer mensen konden worden gevoed.
Door die overschotten konden sommige mensen zich losmaken van de landbouw en zich richten op andere activiteiten: handel, transport, ambachtelijk werk. Zonder dit agrarische fundament had er geen stedelijke burgerij kunnen ontstaan.
De extra productie werd niet alleen lokaal opgegeten. Boeren en heren gingen hun overschotten verkopen op markten bij kastelen en kloosters. Daar konden ze in ruil gereedschap, zout, wijn, textiel en andere producten kopen.
Zo ontstond geleidelijk een agrarisch-urbane samenleving:
een samenleving waarin de landbouw nog steeds de economische basis vormt, maar waarin steden een steeds belangrijkere rol spelen als centra van handel en ambacht.
Belangrijke kenmerken:
er ontstonden weekmarkten en later jaarmarkten;
er kwam een monetaire economie op: steeds meer transacties verliepen met geld (munten) in plaats van met pure ruilhandel;
er ontwikkelde zich een netwerk van handelsroutes dat streken, gewesten en landen met elkaar verbond.
Voor de stedelijke burgerij was dit cruciaal. Alleen in een economie waarin producten en geld circuleren, kan een groep van kooplieden en ambachtslieden duurzaam bestaan en rijk worden.
Binnen dit grotere Europese patroon was Vlaanderen een echte motor. De regio had:
vruchtbare landbouwgronden → hoge graanopbrengsten;
streken met intensieve schapenhouderij → veel wol, de grondstof voor laken.
Lakennijverheid is:
de ambachtelijke productie van wollen stoffen (laken), waarbij wol wordt gesponnen, geweven, gevold en geverfd.
Een vroeg centrum van deze nijverheid was Atrecht (Arras). De stad:
kocht ruwe wol in,
liet die bewerken door wevers en vollers,
exporteerde het afgewerkte laken naar heel Europa.
Daarnaast lag Atrecht gunstig ten opzichte van grote jaarmarkten in Noord-Frankrijk, waar kooplieden uit heel Europa samenkwamen. Zo raakte de stad ingebed in een internationaal handelsnetwerk dat tot de Italiaanse stadstaten reikte.
Tegen 1300 werd Atrecht als nijverheidscentrum overvleugeld door andere Vlaamse steden, vooral Brugge. Brugge lag:
aan waterwegen die uitmondden in de Noordzee;
op de route tussen de Hanze-steden (een samenwerkingsverband van Noord-Duitse en Scandinavische handelssteden) en gebieden in Spanje en Italië.
Brugge werd zo een stapelmarkt:
een stad waar goederen uit heel Europa werden aangevoerd, opgeslagen, verhandeld en weer doorgevoerd.
Deze concentratie van handel en nijverheid trok ondernemers, kooplieden en ambachtslieden aan – de kern van de stedelijke burgerij.
Stedelingen hadden belang bij duidelijke regels en bescherming van hun economische activiteiten. Tegelijk hadden vorsten en edellieden geld nodig, bijvoorbeeld om oorlog te voeren. Dat leidde tot een uitruil.
Heren verleenden of verkochten stadsrechten:
een pakket privileges voor een nederzetting, zoals het recht op markt, stadsmuren, eigen rechtspraak en soms belastingvoordelen.
In ruil daarvoor:
betaalde de stad jaarlijks een vaste bedesom of belasting;
leverde ze soms soldaten of hulp bij de verdediging.
Met stadsrechten konden steden:
een eigen stadsbestuur vormen (schepenen, raden),
eigen stadswetten vastleggen,
muren en poorten bouwen ter verdediging.
Inwoners die het poorterrecht kregen, werden poorters:
een poorter is een stedeling die officieel burgerrecht heeft in een stad en daarmee toegang tot markten, bescherming door het stadsrecht en vaak politieke invloed.
Zo ontstond een juridische scheidslijn tussen:
burgers (poorters met rechten),
en niet-burgers (plattelanders, losse arbeiders, nieuwkomers zonder poorterrecht).
De groep poorters vormt de kern van de stedelijke burgerij.
Binnen de burgerij zaten grote verschillen.
Aan de top stonden de patriciërs:
een kleine groep zeer rijke burgerfamilies (meestal kooplieden en bankiers) die de politiek en economie van de stad domineerden.
Zij dreven internationale handel, verstrekten leningen aan vorsten en bezaten vaak ook land.
Daarnaast waren er koopliedengilden:
verenigingen van kooplieden die hun belangen beschermden (bijvoorbeeld rond tol, transport en krediet).
Een brede laag werd gevormd door ambachtslieden (wevers, vollers, bakkers, smeden), georganiseerd in ambachtsgilden:
gilden zijn beroepsorganisaties die de toegang tot een vak, de opleiding, de kwaliteit en soms de prijzen van producten regelden.
Gilden hadden ook een politieke rol. In sommige steden kregen gilden vertegenwoordigers in de raad of mochten ze meebeslissen bij belangrijke besluiten.
Rijke kooplieden konden hun positie versterken door:
leningen aan vorsten en edelen te geven,
in ruil privileges of invloed in het stadsbestuur te eisen,
schenkingen te doen aan kerken en kloosters (status, netwerken).
Zo groeide de stedelijke burgerij uit tot een machtsfactor naast adel en geestelijkheid.
De opkomst van de burgerij verliep niet harmonieus. In Vlaamse steden ontstonden spanningen:
tussen patriciërs, die hun rijkdom en macht wilden behouden,
en het gemeen: de bredere laag van ambachtslieden en kleine burgers, die meer inspraak en betere economische voorwaarden eisten.
Tegelijk stonden steden regelmatig tegenover hun feodale heren, zoals de graaf van Vlaanderen of de Franse koning, die de stedelijke autonomie wilden beperken.
Een belangrijk moment is de Guldensporenslag (1302) bij Kortrijk:
een veldslag waarin Vlaamse stedelijke milities (ambachtslieden en boeren) een Frans ridderleger versloegen.
De reeks gouden spoorstukken van gesneuvelde ridders gaf de slag zijn naam. Het belang:
stedelijke strijdkrachten bleken evenwaardig of zelfs sterker dan klassieke ridderlegers;
de politieke positie van steden en hun burgerij werd hierdoor versterkt;
vorsten moesten voortaan meer rekening houden met de macht van stedelijke gemeenschappen.
Rond 1300 waren de steden in Vlaanderen en Brabant de economische motor van de Lage Landen. In die steden had zich een stedelijke burgerij gevormd:
een groep stadsbewoners met burgerrecht (poorters), die hun positie ontleenden aan handel, ambacht, krediet en stedelijk bestuur, niet aan adellijke afkomst.
Tussen 1302 en 1602 veranderde de positie van die burgerij ingrijpend. De economische zwaartepunten verschoven van Brugge naar Antwerpen en later Amsterdam. Tegelijkertijd ontstond onder de Bourgondische en Habsburgse vorsten een proces van staatsvorming en centralisatie:
staatsvorming is het proces waarbij een vorst verschillende gebieden tot één bestuurseenheid probeert te maken;
centralisatie betekent dat macht en besluitvorming meer naar het centrale bestuur worden getrokken ten koste van lokale machthebbers.
Daar bovenop kwamen grote religieuze spanningen door de Reformatie, die in steden veel steun vond en uiteindelijk leidde tot het conflict in de Nederlanden (de Opstand) en de stichting van een nieuwe Nederlandse staat. Al deze ontwikkelingen beïnvloedden de macht, rol en mogelijkheden van de stedelijke burgerij – soms versterkend, soms beperkend.
Na de tijd van de Guldensporenslag (1302) bleven Vlaanderen en Brabant het economische zwaartepunt van de Lage Landen.
Brugge speelde in de late middeleeuwen een centrale rol als stapelmarkt:
een handelsstad waar goederen uit veel gebieden werden aangevoerd, opgeslagen, verhandeld en daarna weer doorgevoerd.
Kooplieden uit heel Europa ontmoetten elkaar in Brugge. Ze handelden in wol, laken, graan, wijn, specerijen en luxegoederen. Brugge was bovendien een belangrijk financieel centrum, waar wisselbrieven, leningen en verzekeringen werden geregeld. Dat gaf de stedelijke burgerij – vooral de rijke kooplieden – een enorme economische en daarmee ook politieke invloed.
Vanaf de 15e eeuw verschoof dit zwaartepunt echter naar Antwerpen. De stad lag gunstig aan de Schelde, was bereikbaar voor grotere zeeschepen en had via de Noordzee goede verbindingen met Engeland, Spanje en Portugal. Antwerpen werd het centrum van de handel in goederen uit de Spaanse en Portugese koloniale rijken: suiker, zilver, specerijen, kleurstoffen.
Voor de burgerij betekende dit:
Antwerpen werd de plek waar men grote fortuinen kon opbouwen;
Antwerpse kooplieden traden op als bankiers van Europese vorsten;
Antwerpse burgers kregen internationale netwerken en invloed in diplomatie en oorlog.
In de noordelijke Nederlanden ontwikkelde Amsterdam zich vanaf de 14e eeuw tot een gespecialiseerde haven voor de graanhandel op het Oostzeegebied. Deze handel heet vaak de moedernegotie:
de stabiele, relatief weinig risicovolle handel in bulkgoederen (zoals graan), die de basis legde voor de latere rijkdom van Holland.
Al vóór 1600 had de Amsterdamse burgerij dus een solide economische basis, die na 1585 (de val van Antwerpen) explosief zou groeien.
In de steden nam de burgerij gaandeweg steeds meer taken over die eerder vooral bij de geestelijkheid lagen.
Voorbeelden:
Armenzorg en gasthuizen (voor zieken en reizigers) werden steeds meer door stadsbesturen en burgerlijke instellingen georganiseerd;
onderwijs (bijvoorbeeld Latijnse scholen) kwam onder invloed van stedelijke bestuurders en rijke burgers;
in stadsbesturen ging men nadenken in termen van het bonum commune:
Latijn voor “gemeenschappelijk goed”; het idee dat bestuurders moeten handelen in het algemeen belang van alle stedelingen, niet alleen voor een kleine elite.
Deze ontwikkeling versterkte het zelfbewustzijn van de burgerij. Zij zagen zichzelf niet meer alleen als belastingbetalers, maar als dragers van de stedelijke gemeenschap. Dat maakte het later makkelijker voor burgers om ook op hoger niveau – provinciaal en gewestelijk – bestuursverantwoordelijkheid op te eisen.
De relatie tussen burgerij en kerk veranderde ook. In de 14e en 15e eeuw ontstonden in steden religieuze bewegingen zoals de moderne devotie:
een vernieuwingsbeweging binnen het katholicisme, die nadruk legde op persoonlijke vroomheid, eenvoud, innerlijke navolging van Christus en het zelf lezen van religieuze teksten.
In steden als Deventer en Zwolle ontstonden huizen van de Broeders en Zusters van het Gemene Leven, die veel aandacht hadden voor onderwijs en lezen. Deze religieuze cultuur paste goed bij een geletterde stedelijke burgerij.
In de 16e eeuw kreeg de Reformatie voet aan de grond:
de brede religieuze beweging die de katholieke kerk wilde hervormen en leidde tot nieuwe kerken.
Twee stromingen zijn belangrijk:
het lutheranisme, gebaseerd op de ideeën van Maarten Luther;
het calvinisme, gebaseerd op Johannes Calvijn, met nadruk op uitverkiezing, soberheid en een strenge levenswandel.
Vooral het calvinisme vond veel steun in steden. Stedelingen:
waren geletterd en hadden toegang tot drukwerk;
waren al gewend zelfstandig te denken over bestuur en recht;
herkenden in het calvinistische arbeidsethos en de nadruk op discipline iets van hun eigen stedelijke mentaliteit.
De Reformatie gaf de burgerij dus ook een religieuze taal om kritiek op de bestaande orde te uiten. Godsdienstige verschillen werden al snel politiek geladen.
In de 15e eeuw kwamen veel Nederlandse gewesten in handen van de Bourgondische hertogen. Zij wilden van al die losse graafschappen en hertogdommen meer één geheel maken. Dat is staatsvorming.
Concrete stappen:
instelling van gezamenlijke instellingen, zoals de Staten-Generaal (vanaf 1464):
een vergadering van vertegenwoordigers van standen (adel, geestelijkheid, steden) uit verschillende gewesten, die advies gaf over bijvoorbeeld belastingen;
poging tot centralisering van rechtspraak via centrale hoven;
nieuwe, gezamenlijke belastingen.
Voor steden en hun burgerij had dit twee kanten:
Positief: een stabieler, groter rijk met gedeelde regels was goed voor handel en rechtzekerheid;
Negatief: stedelijke particularistische vrijheden kwamen onder druk.
Particularisme betekent:
het vasthouden aan eigen rechten, privileges en gewoonten van steden en gewesten, zelfs als dat het algemeen of centraal belang in de weg zit.
Stedelijke burgerij en vorst hadden elkaar nodig, maar stonden tegelijk vaak tegenover elkaar in onderhandelingen over belasting, rechtspraak en autonomie.
De Habsburgers (eerst Karel V, daarna Filips II) zetten de Bourgondische lijn door en versterkten de centralisatie:
nieuwe centrale raden voor financiën, binnenlands bestuur en rechtspraak;
pogingen om belastingen beter te organiseren;
aanstelling van stadhouders en ambtenaren die vooral aan de vorst verantwoording schuldig waren, niet aan lokale elites.
Daar bovenop kwam in de 16e eeuw het religieuze aspect. De Habsburgers wilden de eenheid van de katholieke kerk bewaren en het protestantisme terugdringen.
Maatregelen:
ketterverordeningen (bloedplakkaten) tegen verspreiding van “ketterse” ideeën;
optreden van inquisitie en bisschoppelijke rechtbanken;
strenge straffen op het bezit van verboden boeken en op het bijwonen van protestantse samenkomsten.
Omdat het protestantisme vooral in steden veel aanhang had, raakte de stedelijke burgerij direct in de vuurlinie. Ze hadden dus zowel economisch als religieus redenen om kritisch te staan tegenover de centralisatiepolitiek van de Habsburgers.
De spanningen tussen burgerij en landsheer escaleerden in de jaren 1560.
De Beeldenstorm (1566) was een golf van vernielingen van katholieke kerkversiering door radicale protestanten en ontevreden gelovigen, vooral in stedelijke gebieden.
Filips II stuurde de hertog van Alva om orde op zaken te stellen.
Alva:
richtte de Raad van Beroerten op (door tegenstanders “Bloedraad” genoemd), die opstandelingen en vermeende ketters berechtte;
probeerde nieuwe belastingen (zoals de Tiende Penning) in te voeren, wat steden economisch hard trof.
Veel steden moesten nu kiezen:
trouw blijven aan de koning en de katholieke kerk;
of zich aansluiten bij het groeiende verzet onder leiding van o.a. Willem van Oranje.
De daaropvolgende Opstand (Tachtigjarige Oorlog) was in de praktijk voor een groot deel een oorlog om en tegen steden: belegeringen, blokkades, plunderingen. De stedelijke burgerij zat midden in deze strijd en bepaalde in hoge mate of een plaats “Spaans” of “opstandig” werd.
Een kantelmoment was de Val van Antwerpen (1585):
Spaanse troepen heroverden de stad;
de Schelde werd door de opstandige gewesten afgesloten, waardoor Antwerpen zijn functie als stapelmarkt verloor.
Gevolgen:
veel kapitaalkrachtige kooplieden, ambachtslieden en intellectuelen vluchtten naar het noorden, vooral naar Holland (Amsterdam, Leiden, Haarlem, Delft);
zij namen hun kapitaal, handelsnetwerken en kennis mee.
In de noordelijke gewesten vormden de opstandige provincies vervolgens een republiek (officieel erkend in 1648). De stedelijke burgerij, met name in Holland, werd daar de kern van de nieuwe regentenklasse:
de bestuurslaag van rijke burgers die stadsbesturen, provinciale staten en de Staten-Generaal domineerden.
Zo veranderde de burgerij door economische verschuiving, politieke strijd en religieuze conflicten van een lokale stedelijke elite in de bestuurslaag van een nieuwe staat.
Aan het begin van de 17e eeuw was de Nederlandse Republiek een bijzonder verschijnsel. In veel Europese landen streefden vorsten naar absolutisme:
een bestuursvorm waarin de vorst alle belangrijke macht in handen heeft en niet of nauwelijks wordt beperkt door standen, parlement of onafhankelijke rechtspraak.
In de Republiek was er juist géén koning, maar een statenbond van zeven soevereine gewesten. Steden speelden daarin een hoofdrol, en hun elites – de regenten – maakten de dienst uit in bestuur en economie:
regenten zijn leden van de stedelijke en provinciale bestuurselite, meestal rijke burgers die functies in raden en colleges bekleden.
De vraag is in hoeverre deze burgerij de koers van de Republiek bepaalde op drie belangrijke terreinen:
de oorlogseconomie en wereldhandel;
de bijzondere staatsinrichting;
de economische en culturele bloei, en uiteindelijk de neergang van de Gouden Eeuw.
De Republiek bleef tot 1648 in oorlog met Spanje (Tachtigjarige Oorlog). Daarna volgden conflictsituaties met Engeland en Frankrijk. Deze situatie dwong de Republiek tot een oorlogseconomie:
een economie waarin productie, handel en belastingheffing sterk gericht zijn op het financieren van leger en vloot.
De stedelijke burgerij, vooral in Hollandse steden, speelde daarin de hoofdrol. Zij investeerden in schepen, werven, handelsnetwerken en compagnieën.
Belangrijk was de ontwikkeling van handelskapitalisme:
een vorm van economie waarin kooplieden winst maken door goederen goedkoop in te kopen, te vervoeren, te laten bewerken en duurder te verkopen, vaak op grote afstand en met gebruik van krediet en verzekeringen.
De VOC (1602) en de WIC (1621) zijn schoolvoorbeelden van dit systeem:
De VOC kreeg een monopolie op handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop (Azië).
De WIC richtte zich op Atlantische handel, inclusief de zeer problematische slavenhandel.
Beide compagnieën werden gefinancierd door aandeelhouders uit de burgerij en bestuurd door raden waarin regenten de dienst uitmaakten.
Door te beslissen waarheen schepen gingen, in welke producten werd gehandeld en met wie men verdragen sloot, stuurde de burgerij rechtstreeks de economische en vaak ook de politieke koers van de Republiek. De staat volgde vaak de belangen van koopmans- en regentenfamilies.
De Republiek was geen democratie in moderne zin, maar ook geen koninkrijk. Zij was een statenbond (confederatie):
een samenwerkingsverband van soevereine gewesten die bepaalde zaken, zoals buitenlandse politiek en oorlog, gezamenlijk regelen, maar veel zelfstandigheid behouden.
Kenmerken:
Elk gewest had eigen Staten (vergadering van vertegenwoordigers van adel en steden).
De gezamenlijke Staten-Generaal beslisten over oorlog, vrede en buitenlandse zaken.
Binnen de gewesten domineerden de regenten uit de steden; zij bepaalden wie in de gewestelijke staten zat en wie naar de Staten-Generaal werd gestuurd.
Daarnaast was er de functie van stadhouder, meestal vervuld door een lid van het Huis Oranje:
de stadhouder was officieel vertegenwoordiger van de vorst (later vooral legeraanvoerder), met veel militaire en symbolische macht, maar geen koning.
Spanningsveld:
Veel regenten waren staatsgezind: zij wilden de macht vooral bij de gewesten en steden houden en geen te sterke stadhouder.
Een deel van de bevolking en sommige elites waren Oranjegezind: zij zagen in de stadhouder een noodzakelijke leider en beschermer.
De ontwikkeling dat de Republiek géén absoluut koningschap kreeg en langdurig als republiek voortbestond, is in hoge mate te danken aan de regenten-burgerij. Zij blokkeerden pogingen om de macht te veel in één hand (de Oranjes) te leggen, zolang de internationale situatie dat toeliet.
De economische voorspoed en relatief ruime gewetensvrijheid trokken in de 17e eeuw veel migranten aan:
kooplieden en ambachtslieden uit de Zuidelijke Nederlanden;
Duitse, Engelse en Scandinavische arbeiders;
Joodse gemeenschappen en hugenoten (Franse protestanten).
Vooral de zeegewesten (Holland en Zeeland) verstedelijkten sterk. Een groot deel van de bevolking woonde in steden – een uitzonderlijk hoog percentage voor die tijd.
De bedrijvigheid van de burgerij is terug te zien in:
de aanleg van de grachtengordel in Amsterdam: een planmatige uitbreiding van de stad met grachten en grachtenpanden die zowel praktisch (waterbeheer, transport) als symbolisch (status) belangrijk was;
de aanleg van droogmakerijen zoals de Beemster, waarmee landbouwgrond werd gewonnen op meren;
het netwerk van trekschuiten tussen steden in Holland en Utrecht: een vroege vorm van openbaar vervoer.
De stedelijke burgerij bepaalde zo letterlijk de ruimtelijke ontwikkeling van de Republiek: hoe steden er uitzagen, hoe het landschap werd ingedeeld en hoe mensen en goederen zich verplaatsten.
De Gouden Eeuw staat ook bekend om haar culturele bloei. Opvallend is dat deze bloei niet werd gedragen door een hofcultuur, maar door de burgerij.
Kunstenaars als Rembrandt, Vermeer, Frans Hals en vele anderen werkten vooral in opdracht van burgers: portretten van regenten, groepsportretten van schutterijen, taferelen uit het dagelijks leven.
Architectuur (grachtenpanden, stadspaleizen, buitenplaatsen) weerspiegelde burgerlijke normen: zakelijkheid, nette representatie, soms weelde, maar minder pronkzucht dan bij absolute vorstenhoven.
De burgerij investeerde ook in wetenschap en onderwijs: universiteiten, drukkerijen, kaartenmakers, natuurwetenschappers.
De smaak, belangstelling en waarden van de regenten en gegoede burgers bepaalden dus in hoge mate welke kunst, wetenschappelijke werken en gebouwen er werden gemaakt. De culturele identiteit van de Republiek was in essentie burgerlijk, niet vorstelijk.
Met de Vrede van Münster (1648) eindigde de oorlog met Spanje. De Republiek bleef een belangrijke handelsstaat, maar de internationale context veranderde.
Landen als Engeland en Frankrijk voerden een mercantilistisch beleid:
economisch beleid waarbij de staat probeert de eigen handel en industrie te beschermen en te bevorderen, bijvoorbeeld via importheffingen en navigatieregels, om de rijkdom en macht van de staat te vergroten.
Voorbeelden zijn de Engelse Navigation Acts, die buitenlandse schepen uit een deel van de handel wilden weren. Dat trof de scheepvaart en handel van de Republiek direct.
Binnen de Republiek reageerde een deel van de burgerij – vooral de bovenlaag – door:
zich terug te trekken uit de actieve handel;
hun geld te beleggen als renteniers in buitenlandse leningen en staatsobligaties;
politieke functies binnen een kleine kring van families te houden.
Zo ontstond een oligarchie:
een bestuurssysteem waarin de macht in handen is van een kleine groep families, die elkaar ambten en invloed toespelen.
De burgerij als geheel was dus niet overal meer bepalend – vooral een beperkte regentenelite trok de touwtjes in handen, terwijl kleinere burgers en het volk minder zeggenschap hadden.
De spanning tussen regentenelite en “gewone” stedelingen kwam scherp naar voren in het Rampjaar 1672. In dat jaar werd de Republiek gelijktijdig aangevallen door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen.
Reacties:
Veel mensen zochten een sterke leider en keerden zich tot het Huis Oranje. De stadhouder werd gezien als beschermer van land en geloof.
Staatsgezinde regenten, zoals Johan de Witt, kregen de schuld van de crisis en verloren hun positie.
Na 1672 liep de economische voorsprong van de Republiek langzaam terug:
De concurrentie van Engeland, met Londen als opkomend financieel centrum, werd steeds sterker.
Handel, scheepvaart en bankwezen verplaatsten zich geleidelijk in de richting van Londen.
Hier zie je de grenzen van de macht van de burgerij. De beslissingen van regenten (weinig centralisatie, veel kapitaal in het buitenland, traag reageren op mercantilistische concurrentie) hadden de Republiek kwetsbaar gemaakt in een steeds harder wordende wereldmarkt.