China is een van de belangrijkste voorbeelden van de global shift.
In twee eeuwen veranderde China van een rijk centrum van het Aziatische wereldsysteem naar een verzwakte periferie, daarna naar de werkplaats van de wereld, en vervolgens naar een opkomende supermacht.
China laat zien dat de positie van landen in de wereldorde kan veranderen.
Het land is niet alleen belangrijk als fabriek, maar ook als technologisch, politiek, militair en financieel machtscentrum.
China is daardoor een sleutelcasus voor de multipolaire wereldorde.
De vraag is niet meer of China meedoet aan globalisering.
De vraag is hoeveel globalisering door China wordt vormgegeven.
Bij China kun je de volgende begrippen toepassen:
global shift;
semiperiferie;
centrumkenmerken;
schaalwisseling;
FDI;
Speciale Economische Zones;
MNO;
werkplaats van de wereld;
exportvalorisatie;
staatsgeleid kapitalisme;
autoritair bestuur;
technologische innovatie;
Nieuwe Zijderoute;
Belt and Road Initiative;
multipolaire wereldorde.
Tot aan het begin van de negentiende eeuw was China een van de rijkste en machtigste economieën ter wereld.
Het Chinese keizerrijk produceerde veel goederen waar Europese handelaren grote belangstelling voor hadden, zoals zijde, porselein en thee.
China had zelf weinig behoefte aan Europese producten. Daardoor ontstond voor het Verenigd Koninkrijk een ongunstige handelsbalans.
Om die handelsbalans te doorbreken, begonnen Britse handelaren opium naar China te smokkelen. Dit leidde tot de Opiumoorlogen in de negentiende eeuw.
China verloor deze oorlogen. Westerse machten en later ook Japan dwongen China via ongelijke verdragen om havens open te stellen, gebieden af te staan en buitenlandse invloed te accepteren.
Deze periode staat in China bekend als de Eeuw van Vernedering.
China verloor politieke controle, economische macht en internationale status.
Een oud centrum werd gedwongen naar de periferie van het westerse wereldsysteem.
In 1949 greep de Communistische Partij onder leiding van Mao Zedong de macht. De Volksrepubliek China werd gesticht.
China koos voor een communistisch model met een strak geleide planeconomie. De staat controleerde productie, landbouw, industrie en handel.
Het land werd grotendeels afgesloten van de kapitalistische wereldmarkt.
Deze periode zorgde voor nationale eenheid en staatscontrole, maar ook voor grote economische problemen. Beleid zoals de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie leidde tot ontwrichting, productieverlies en menselijk leed.
China bleef lange tijd relatief arm en geïsoleerd.
Het had veel mensen, veel ruimte en veel potentieel.
Maar weinig aansluiting op de moderne wereldeconomie.
De grote ommekeer begon vanaf 1978 onder Deng Xiaoping.
China stelde de economie stap voor stap open voor buitenlandse investeringen, handel en marktmechanismen. Tegelijk bleef de politieke macht stevig in handen van de Communistische Partij.
Dit model wordt vaak omschreven als socialisme met Chinese kenmerken.
In de praktijk betekende dit:
meer ruimte voor bedrijven;
buitenlandse investeringen toelaten;
exportgerichte industrie stimuleren;
speciale economische zones oprichten;
marktprikkels gebruiken;
politieke controle behouden.
China koos dus niet voor westerse liberalisering met democratische hervormingen.
Het koos voor economische opening onder autoritair staatsbestuur.
Een belangrijk instrument waren de Speciale Economische Zones, afgekort SEZ’s.
Dit zijn gebieden waar buitenlandse bedrijven gunstige voorwaarden kregen om te investeren en te produceren.
Voorbeelden van voordelen waren:
lagere belastingen;
soepelere regels;
toegang tot goedkope arbeid;
goede exportmogelijkheden;
nabijheid van havens;
infrastructuurinvesteringen;
ondersteuning door de staat.
Een bekend voorbeeld is Shenzhen. Dit gebied groeide uit van een relatief kleine plaats tot een enorme hightechmetropool.
De SEZ’s maakten China aantrekkelijk voor westerse en Aziatische multinationals. Bedrijven konden er goedkoop produceren voor de wereldmarkt.
Zo werd China de werkplaats van de wereld.
Vanaf de jaren tachtig en negentig groeide China uit tot een centrale plek in mondiale productieketens.
Miljoenen producten werden in China geassembleerd:
kleding;
speelgoed;
elektronica;
meubels;
machines;
onderdelen;
computers;
consumentengoederen.
China bood bedrijven een combinatie van lage lonen, veel arbeidskrachten, goede infrastructuur, exportzones, havens en politieke stabiliteit.
Voor westerse consumenten betekende dit goedkopere producten.
Voor China betekende het banen, exportinkomsten, infrastructuur, industrialisatie en kennisopbouw.
Maar China bleef niet alleen assembleren.
Het gebruikte de instroom van FDI ook om technologie, vaardigheden en industriële ervaring op te bouwen.
Inmiddels is China niet meer alleen de goedkope fabriek van de wereld.
Het land probeert hoger in de productieketen te komen. China wil niet alleen producten maken voor buitenlandse merken, maar ook zelf technologie, merken, platforms en standaarden ontwikkelen.
China is sterk geworden in sectoren zoals:
zonnepanelen;
batterijen;
elektrische auto’s;
telecomtechnologie;
5G-netwerken;
kunstmatige intelligentie;
hogesnelheidstreinen;
digitale betalingen;
industriële machines;
e-commerceplatforms.
Voorbeelden van Chinese bedrijven zijn BYD, Huawei, Alibaba, Tencent en CATL.
Hier zie je exportvalorisatie op grote schaal.
China probeert niet alleen arbeid te leveren.
China probeert kennis, technologie en controle te bezitten.
China is moeilijk in één hokje te plaatsen.
Aan de ene kant heeft China nog kenmerken van de semiperiferie:
grote regionale ongelijkheid;
miljoenen arbeidsmigranten;
lagere inkomens dan veel centrumlanden;
sterke verschillen tussen kust en binnenland;
gebieden met vervuiling en kwetsbare arbeid.
Aan de andere kant heeft China duidelijke centrumkenmerken:
technologische innovatie;
grote multinationals;
geopolitieke macht;
militaire modernisering;
wereldwijde investeringen;
sterke infrastructuur;
controle over belangrijke productieketens.
China laat dus zien dat het centrum-periferiemodel nuttig is, maar niet te simpel gebruikt mag worden.
Een land kan tegelijk kenmerken hebben van meerdere posities.
Daarom is schaalwisseling belangrijk.
De kustregio’s en grote steden van China lijken centrumachtig.
Sommige binnenlandse regio’s zijn veel minder ontwikkeld.
Om zijn positie in de wereld te versterken ontwikkelde China de Nieuwe Zijderoute, ook wel de Belt and Road Initiative, BRI.
Dit is een groot netwerk van investeringen in infrastructuur, zoals:
havens;
spoorwegen;
snelwegen;
pijpleidingen;
energieprojecten;
digitale netwerken;
logistieke knooppunten.
De Nieuwe Zijderoute verbindt China met delen van Azië, Afrika, Europa en het Midden-Oosten.
Voor China heeft dit meerdere doelen:
toegang tot grondstoffen veiligstellen;
handelsroutes versterken;
nieuwe afzetmarkten openen;
geopolitieke invloed vergroten;
Chinese bedrijven opdrachten geven;
minder afhankelijk worden van kwetsbare zeeroutes;
de eigen positie in de wereldorde versterken.
Voor ontvangende landen kan de Nieuwe Zijderoute infrastructuur opleveren.
Maar er zijn ook risico’s, zoals schulden, afhankelijkheid, politieke druk en ongelijke voordelen.
Een haven is dus nooit alleen een haven.
Het is ook een toegangspoort tot invloed.
China hanteert een ander ontwikkelingsmodel dan veel westerse centrumlanden.
Het westerse model koppelt economische ontwikkeling vaak aan democratie, vrije markt, privatisering, rechtsstaat en individuele vrijheid.
China laat zien dat snelle economische groei ook mogelijk kan zijn via staatsgeleid kapitalisme onder een autoritair politiek regime.
In dit model stuurt de staat actief:
industriebeleid;
infrastructuur;
technologieontwikkeling;
banken en investeringen;
buitenlandse handel;
onderwijs en onderzoek;
strategische sectoren.
Voor sommige ontwikkelingslanden is China aantrekkelijk als voorbeeld. Het lijkt te laten zien dat je niet per se het westerse politieke model hoeft over te nemen om economisch te groeien.
Tegelijk roept het Chinese model veel kritiek op, vooral vanwege beperkingen van politieke vrijheid, censuur, controle, mensenrechtenkwesties en de macht van de staat over burgers.
China is dus niet alleen een economisch alternatief.
Het is ook een politiek alternatief.
En juist daarom is de opkomst van China zo gevoelig.
De opkomst van China draagt bij aan een multipolaire wereldorde.
Een multipolaire wereldorde betekent dat macht niet meer geconcentreerd is bij één supermacht of één machtsblok, maar verdeeld raakt over meerdere machtscentra.
Lange tijd hadden de Verenigde Staten en hun bondgenoten een dominante positie in de wereldorde. China daagt die positie steeds sterker uit.
Dat zie je in:
handel;
technologie;
militaire macht;
diplomatie;
investeringen;
internationale organisaties;
infrastructuurprojecten;
invloed in de Global South.
China probeert niet alleen rijker te worden.
Het probeert ook mee te bepalen hoe de wereldorde eruitziet.
Dat maakt China tot een centrale speler in de eenentwintigste eeuw.
De global shift heeft China sterk veranderd.
Positieve gevolgen zijn:
sterke economische groei;
miljoenen mensen uit extreme armoede;
snelle industrialisatie;
groei van megasteden;
betere infrastructuur;
technologische ontwikkeling;
stijgende middenklasse;
grotere internationale invloed.
Maar er zijn ook negatieve gevolgen:
regionale ongelijkheid;
lucht- en watervervuiling;
druk op arbeidsmigranten;
hoge werkdruk;
sociale controle;
woningdruk in grote steden;
afhankelijkheid van export en grondstoffen;
spanningen met andere landen.
China is dus geen simpel succesverhaal.
Het is een voorbeeld van enorme groei, maar ook van enorme spanningen.
Leg uit hoe China veranderde van periferie naar semiperiferie met centrumkenmerken.
Beschrijf de rol van Speciale Economische Zones in de economische groei van China.
Leg uit hoe FDI heeft bijgedragen aan de opbouw van Chinese technologie en industrie.
Leg uit waarom de Nieuwe Zijderoute zowel economisch als geopolitiek belangrijk is.
Gebruik het begrip multipolaire wereldorde om de opkomst van China te verklaren.