Actieve leerdoelen
1. Je kunt uitleggen wat de kern van het Plakkaat van Verlatinge is en waarom dit een belangrijk document is voor de ontwikkeling van het democratisch denken in Nederland.
2. Je kunt uitleggen hoe het verlicht denken leidde tot het formuleren van grondrechten.
3. Je kunt toelichten wat de kernwaarden zijn die in een grondwet zijn vastgelegd en waarom deze de basis vormen van een rechtsstaat.
De historische ontwikkeling van vroege politieke rechten De ontwikkeling van politieke rechten en vrijheidsrechten is een langdurig historisch proces. In de Klassieke Oudheid en gedurende de middeleeuwen was de politieke invloed van het volk op het bestuur relatief gering, al was er geen sprake van een absolute uitsluiting. Binnen de Atheense directe democratie en de Romeinse Republiek bestonden al vroege vormen van politieke participatie en wetgeving. Ook in de middeleeuwen was de macht van de vorst niet volstrekt onbeperkt. Steden verwierven bestuurlijke onafhankelijkheid door het afdwingen van privileges (stadsrechten) en documenten dwongen vorsten soms om de rechten van de adel en de steden te respecteren. Het fundamentele verschil met de moderne tijd is echter dat deze middeleeuwse rechten uitsluitend exclusieve groepsrechten waren en geen universele, individuele vrijheidsrechten die tegenwoordig als vanzelfsprekend worden beschouwd.
Het Plakkaat van Verlatinge (1581) Een belangrijke gebeurtenis in de ontwikkeling van deze rechten vond plaats in 1581. Op dat moment waren de opstandige gewesten in de Nederlanden al vele jaren bezig met de Opstand tegen de centralisatiepolitiek en godsdienstpolitiek van hun vorst Filips II. In het Plakkaat van Verlatinge motiveerden de Nederlandse opstandige gewesten formeel hun besluit om hun wettige vorst af te zetten. Het vernieuwende aan dit document was de expliciete bewering dat het volk het recht had om een slecht functionerende vorst te vervangen door een andere. Dit principe vormde een vroege en cruciale stap in het democratisch denken.
De Verlichting en het rationeel optimisme In de zeventiende en achttiende eeuw kreeg de roep om vrijheid een stevig theoretisch fundament door de Verlichting. Het algemene idee van deze intellectuele stroming was het rationalisme, de stellige overtuiging dat het menselijk verstand de primaire bron van kennis is in plaats van religieuze traditie. Verlichte denkers kenmerkten zich door een rationeel optimisme. Zij geloofden dat de samenleving begrepen en structureel verbeterd kon worden door logisch nadenken. Dit rationele wereldbeeld leidde tot fundamentele kritiek op absolute vorsten die regeerden op basis van een door God gegeven recht.
De formulering van grondrechten en het sociaal contract Dit verlichte denken bevorderde de ontwikkeling van politieke rechten sterk. Filosofen, zoals Jean-Jacques Rousseau in zijn boek Het sociaal contract (1762), stelden dat alle mensen vrij en gelijk geboren zijn. Iedereen had van nature recht op leven, gezondheid, vrijheid en bezit. De politieke consequentie hiervan was dat een koning op contractbasis was aangesteld als hoofd van het bestuur. De taak van de overheid was primair om deze natuurlijke rechten te respecteren en te waarborgen. De roep om meer vrijheid voor mensen op alle terreinen van de samenleving paste perfect bij dit rationeel optimisme. Specifieke vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van vereniging en vergadering, werden expliciet geformuleerd als individuele grondrechten.
Democratische revoluties en de basis van de rechtsstaat De verspreiding van en de maatschappelijke steun voor dit verlichte denken over politiek en samenleving nam sterk toe. Deze discussie leidde in de achttiende eeuw tot democratische revoluties in westerse landen, zoals in de Britse koloniën in Amerika en in Frankrijk. Het directe gevolg van deze omwentelingen was dat de nieuw geformuleerde grondrechten juridisch werden verankerd in een grondwet. Deze grondwetten vormden het fundament voor nieuwe, moderne staten. De eerste werd aangenomen in de Verenigde Staten in 1787, gevolgd door die in Frankrijk in 1791 en de Staatsregeling in Nederland in 1798.
In een grondwet worden op zijn minst twee kernwaarden vastgelegd. Ten eerste worden de rechten en plichten van de burger omschreven, en ten tweede de regels voor het regeren. Als het goed is, moet de overheid zich strikt aan deze formele regels houden en dus de grondrechten van de burgers respecteren. Deze machtsbeperking van de overheid vormt de absolute basis van een rechtsstaat. Deze twee in de grondwet vastgelegde kernwaarden zijn daarmee het stevige fundament waarop andere democratische waarden gebaseerd zijn.
Leerdoelen
1. Je kunt beschrijven welke bijdragen Plato en Aristoteles leverden aan het denken over de relatie tussen staat en onderdanen.
2. Je kunt de omstandigheden beschrijven die resulteerden in de ideeën over de positie en de macht van de vorst van Machiavelli en Hobbes.
3. Je kunt uitleggen waarom de door Locke geformuleerde natuurrechten een andere kijk op de relatie tussen vorst en onderdanen tot gevolg had.
4. Je kunt toelichten waarom de Trias Politica van De Montesquieu aan de basis staat van de ontwikkeling in de richting van een democratische rechtsstaat.
De basis voor het westerse politieke denken werd gelegd in de Klassieke Oudheid. De Grieken waren historisch gezien de eersten die het niet langer als vanzelfsprekend beschouwden dat inwoners van een staat absolute, blinde gehoorzaamheid aan een vorst verschuldigd waren. Over hoe een staat dan wel optimaal bestuurd moest worden, verschilden de meningen sterk.
Plato en de Aristocratie De invloedrijke filosoof Plato (427 tot 347 v.Chr.) had hier een zeer uitgesproken mening over. Hij analyseerde de politiek en onderscheidde vijf verschillende staatsvormen, waarin hij tevens een duidelijke kwalitatieve rangorde aanbracht. Volgens Plato was de aristocratie (letterlijk: de heerschappij van de besten) de absolute, ideale staatsvorm. In deze visie moesten niet de massa of een tiran regeren, maar een selecte groep van de meest wijze en bekwame denkers.
Aristoteles en de corruptie van de macht De opvattingen van Plato bleven in latere tijden bijzonder invloedrijk. Dit was mede te danken aan het werk van zijn beroemde leerling Aristoteles (384 tot 322 v.Chr.). In zijn boek Politika voegde Aristoteles een belangrijke, kritische nuance toe aan het politieke denken. Hij wees er namelijk op dat zelfs de meest ideale regeringsvormen niet onfeilbaar zijn. Na verloop van tijd konden deze systemen ontsporen door menselijke corruptie en machtsmisbruik, waardoor een rechtvaardig bestuur kon afglijden naar een dictatuur.
Tijdens de Renaissance en de daaropvolgende eeuwen werd er opnieuw fundamenteel nagedacht over de relatie tussen de staat en de onderdaan, waarbij twee denkers (Machiavelli en Hobbes) vanuit een uiterst negatief mensbeeld redeneerden, en één denker (Locke) de basis legde voor de moderne rechten.
Niccolò Machiavelli: De orde van de vorst De Italiaanse diplomaat en schrijver Machiavelli (1469 tot 1527) borduurde direct voort op Aristoteles' ideeën over de corruptie van de macht. Hij schreef hierover het beroemde boek De Vorst (geschreven rond 1515 en postuum uitgegeven in 1532). Machiavelli bekeek de politiek uiterst realistisch en ging uit van een somber mensbeeld: bij de mens overheersen de slechte eigenschappen, met name egoïsme en onbetrouwbaarheid. Omdat de mens van nature zo onbetrouwbaar is, is het laten voortbestaan van de staat en het handhaven van de openbare orde het allerbelangrijkste. Dat was de absolute hoofdtaak van de vorst. Om dit doel te bereiken, mocht de vorst werkelijk alle beschikbare middelen aanwenden, desnoods door het gebruik van wreed geweld en politieke misleiding.
Thomas Hobbes: Veiligheid door overgave De Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588 tot 1679) deelde dit sombere en negatieve mensbeeld. Hobbes theoretiseerde over een ver verleden (de natuurtoestand) waarin de mensen een armoedig, akelig en kort leven leidden. In deze chaos overheerste uitsluitend het pure eigenbelang en was er sprake van een oorlog van allen tegen allen. De enige kans op verbetering van dit ellendige lot was het sluiten van een sociaal contract. In deze theoretische overeenkomst hadden de mensen vastgelegd dat ieder individu een deel van zijn natuurlijke vrijheid definitief inleverde en overdroeg aan één persoon: de absolute vorst. Als tegenprestatie moest deze vorst in de staat de openbare orde en veiligheid garanderen. Omdat deze overdracht noodzakelijk was voor overleving, mochten de positie en de macht van de vorst volgens Hobbes nooit ter discussie staan.
John Locke: Voorwaardelijke macht en natuurrechten De eveneens Engelse filosoof John Locke (1632 tot 1704) hield zich ook bezig met de fundamentele vraag aan wie de macht op aarde toekwam, maar kwam tot een volstrekt andere conclusie dan Hobbes. Locke veronderstelde een begintoestand waarin iedereen van nature vrij en gelijk was. In deze toestand bezat iedereen onvervreemdbare 'natuurlijke rechten', zoals het recht op leven, vrijheid en persoonlijk bezit. Volgens Locke werd de macht bij de vorming van een staat niet definitief aan een vorst overgedragen, maar slechts aan hem toevertrouwd. De relatie tussen de vorst en zijn onderdanen was hiermee gebaseerd op een contract van wederzijds vertrouwen. De vorst had de plicht om de natuurrechten te beschermen. Faalde hij daarin of schond hij dit vertrouwen, dan mocht het volk het contract ontbinden en zijn rechten weer in eigen hand nemen.
De Montesquieu en de scheiding der machten Waar Locke zich richtte op de rechten van de burger, richtte de Franse verlichtingsfilosoof Charles de Montesquieu (1689 tot 1755) zich op de structuur van het bestuur. Hij zocht naar een manier om het politieke systeem rechtvaardiger te organiseren en machtsmisbruik structureel te voorkomen.
In zijn boek Over de geest der wetten (1748) werkte hij het befaamde principe van de Trias Politica (de scheiding der machten) uit. Volgens De Montesquieu dienden de macht in een staat strikt in drieën te worden verdeeld:
De wetgevende macht (het maken van wetten).
De uitvoerende macht (het besturen van het land).
De rechterlijke macht (het bestraffen van overtredingen).
Deze drie machten moesten strikt van elkaar gescheiden zijn en volstrekt onafhankelijk van elkaar hun werk kunnen doen. Alleen door deze balans en wederzijdse controle was de kans het grootst dat de rechten en plichten van zowel de overheid als de individuele burgers in de praktijk gerespecteerd werden. Dit principe staat nog altijd aan de basis van de hedendaagse democratische rechtsstaat.
Leerdoelen
Je kunt beschrijven welke invloed Verlichtingsideeën in het laatste kwart van de 18e eeuw hadden op de ontwikkeling in de richting van een parlementaire democratie.
Je kunt uitleggen waarom ‘1813’ een breuklijn vormt in de politieke geschiedenis van Nederland.
Je kunt toelichten wat de betekenis is van de grondwetswijziging van 1848.
Je kunt het ontwikkelingsproces beschrijven hoe Nederland tussen 1848 en 1917/1919 een volwaardige parlementaire democratie werd.
De Patriotten en de Staatsregeling De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was nog geen echte democratie. Het bestuur lag in handen van een kleine groep machtige regenten, en daarnaast had de stadhouder als legeraanvoerder veel invloed. Onder invloed van de ideeën van de Verlichting verscheen er in 1781 een pamflet dat grote politieke impact zou hebben, getiteld Aan het Volk van Nederland. De auteur, Joan Derk van der Capellen tot den Pol, betoogde daarin dat alle mensen vrij zijn geboren. Hij riep zijn landgenoten op om zelf hun vertegenwoordigers te kiezen. Burgers die het met deze boodschap eens waren, de zogeheten patriotten, namen vervolgens in veel plaatsen de macht over. In 1787 werd stadhouder Willem V echter met behulp van Pruisische troepen weer in zijn oude machtspositie hersteld.
Onder invloed van de Franse Revolutie grepen de patriotten in 1795 voor een tweede keer hun kans. Er kwam een gekozen volksvertegenwoordiging, de Nationale Vergadering genoemd. Zij nam in 1798 de Staatsregeling aan, een document waarin veel fundamentele burgerrechten werden vastgelegd. Belangrijke voorbeelden hiervan waren het principe dat iedereen voor de wet gelijk is, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting.
De eenheidsstaat onder koning Willem I In 1813 werd Nederland een gecentraliseerde eenheidsstaat. Het land werd een constitutionele monarchie met koning Willem I als staatshoofd. Koning Willem I wilde echter het liefst als een absoluut vorst regeren, waardoor veel van de eerdere Verlichtingsidealen naar de achtergrond verdwenen. Ondanks de aanwezigheid van een grondwet kon de koning volledig naar eigen inzicht ministers benoemen en ontslaan. Vooral de politieke stroming van de liberalen verzette zich sterk tegen deze autocratische manier van regeren.
Thorbecke en de Grondwet van 1848 In 1848 kreeg de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke de opdracht om een nieuwe grondwet te schrijven. Deze grondwet wordt algemeen gezien als het begin van het parlementaire stelsel in Nederland. Door de invoering van directe verkiezingen werd de volksinvloed vergroot en nam de macht van het parlement toe, terwijl de politieke macht van de koning en de regering structureel kleiner werd. Voortaan moesten de ministers verantwoording afleggen aan het parlement, en niet langer aan de koning.
Toch was Nederland vanaf 1848 nog geen echte parlementaire democratie. Dit kwam door het censuskiesrecht, een systeem waarbij alleen mannen boven een bepaalde leeftijd in aanmerking kwamen om te stemmen, mits zij een vastgesteld minimumbedrag aan belasting betaalden.
De lange weg naar algemeen kiesrecht Rond 1850 had door dit censuskiesrecht slechts ongeveer tien procent van de volwassen mannen het recht om te stemmen. Door een stapsgewijze verlaging van de leeftijdsgrens en van de vereiste census groeide dit percentage langzaam. Een belangrijke tussenstap werd in 1887 gezet. Vanaf dat jaar kon het kiesrecht ook worden verleend op grond van kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand. Mede hierdoor kwam rond 1900 ongeveer de helft van de volwassen mannen in Nederland voor het kiesrecht in aanmerking.
Na een langdurige politieke strijd voor de uitbreiding van het kiesrecht werd de grondwet in 1917 flink aangepast. Als onderdeel van de Pacificatie kwam er algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar. Zij verwierven hiermee zowel het actieve als het passieve kiesrecht, terwijl vrouwen in 1917 uitsluitend het passief kiesrecht kregen. Ook werd in dat jaar het oude districtenstelsel vervangen door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Twee jaar later, in 1919, werd met een initiatiefwetsvoorstel het actieve kiesrecht ook definitief aan vrouwen toegekend. Vanaf dat historische moment mag Nederland een volwaardige parlementaire democratie genoemd worden.
Leerdoelen
Je kunt benoemen wat de voorwaarden zijn waaraan een goed functionerende rechtsstaat moet voldoen en uitleggen waarom deze zo belangrijk zijn.
Je kunt toelichten waarom de Staatsregeling 1798 een belangrijke factor was in het ontwikkelingsproces in de richting van een rechtsstaat in Nederland.
Je kunt toelichten waarom de Fransen in de periode 1806-1813 een belangrijke actor waren in het ontwikkelingsproces in de richting van een rechtsstaat in Nederland.
Je kunt uitleggen welke andere visie de liberalen, confessionelen en socialisten hadden op de inrichting van de Nederlandse samenleving.
De vier klassieke voorwaarden van de rechtsstaat Een goed functionerende rechtsstaat moet aan vier klassieke voorwaarden voldoen. Twee daarvan, de scheiding der machten en de strikte naleving van grondrechten, zijn al eerder behandeld. Het derde fundamentele kenmerk is het legaliteitsbeginsel. Dit principe houdt in dat alles wat de overheid doet, gebaseerd moet zijn op een bestaande wet en dat een nieuwe wet nooit met terugwerkende kracht mag worden ingevoerd om burgers te straffen. Het vierde en laatste kenmerk is de garantie dat de rechterlijke macht volstrekt onafhankelijk moet zijn van de politiek.
De ontwikkeling naar een dergelijke rechtsstaat verliep historisch gezien niet vanzelf. Veranderingen moesten vaak door de samenleving worden afgedwongen of zelfs fysiek worden bevochten. Dit complexe veranderingsproces vond plaats onder invloed van diverse factoren (zoals historische gebeurtenissen of nieuwe denkbeelden), waarbij actoren (zoals specifieke personen of maatschappelijke groepen) een belangrijke, sturende rol speelden.
De Verlichting en de Staatsregeling van 1798 In de wording van de rechtsstaat in Nederland speelden Verlichtingsideeën een cruciale rol. De idealen van volkssoevereiniteit en de Trias Politica vormden de blauwdruk. De uitgangspunten van de Staatsregeling van 1798 waren een directe vertaling hiervan: de gelijkheid van alle burgers voor de wet, de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
Voor het eerst in de geschiedenis zou er recht worden gesproken op basis van voor het hele land geldende, uniforme rechtsregels. De breuk met het verleden was enorm en de gevolgen voor de lokale machthebbers waren groot. De steden verloren hun oude privilege om zelf recht te mogen spreken. Op het platteland was deze rechtspraak vaak nog een bevoegdheid die direct in handen lag van veelal adellijke heren, een lucratieve machtspositie die zij eveneens gedwongen moesten opgeven.
De Franse periode en de Code Napoléon Omdat steden en edelen hun eeuwenoude privileges verloren, was er veel tijd en discussie nodig om het landelijk eens te worden over de daadwerkelijke uniformering van de rechtspraak. Pas tijdens de politieke periode van het Koninkrijk Holland (1806 tot 1810) en de daaropvolgende directe inlijving bij Frankrijk (1810 tot 1813) werden er echte bestuurlijke knopen doorgehakt. Als dwingende politieke actor voerden de Fransen in 1811 de Code Napoléon in, een uniform, gecentraliseerd en modern wetboek. Na het definitieve vertrek van de Fransen in 1813 werd deze juridische modernisering niet ongedaan gemaakt en bleef dit wetboek in Nederland in grote lijnen gewoon van kracht.
Van liberale nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat Gedurende de negentiende eeuw raakte het idealistische Verlichtingsidee van sociale gelijkheid enigszins op de achtergrond. Dit hing nauw samen met de dominante liberale opvatting dat iedere individuele burger primair zelf verantwoordelijk was voor zijn of haar maatschappelijke positie en welvaart. De overheid diende zich volgens hen zo min mogelijk te bemoeien met wat er in de samenleving gebeurde. Liberalen waren voorstander van een zogeheten nachtwakersstaat. Binnen dit systeem bleef het optreden van de overheid strikt beperkt tot enkele absolute basistaken, waartoe uitsluitend de landsverdediging, het handhaven van de openbare orde en veiligheid, het verzorgen van onderwijs en de aanleg en het onderhoud van grote infrastructurele werken behoorden.
Vanaf het einde van de negentiende eeuw wonnen andere politieke stromingen echter aan invloed. Zij wilden de rol van de overheid juist structureel uitbreiden om de armoede aan te pakken. Onder aanhoudende druk van de socialisten en de confessionelen vond deze uitbreiding daadwerkelijk plaats. Hierdoor veranderde de kleine, terughoudende nachtwakersstaat in de loop der tijd in een verzorgingsstaat, een politiek systeem waarin de overheid veel actiever de verantwoordelijkheid nam voor het sociale welzijn van haar burgers.
Sociale grondrechten en de eenentwintigste eeuw Als logisch gevolg van deze opbouw van de verzorgingsstaat groeide, naast het belang van de klassieke vrijheidsrechten uit de negentiende eeuw, de roep om sociale grondrechten. In tegenstelling tot klassieke grondrechten, die burgers beschermen tegen de overheid, eisen sociale grondrechten juist actief ingrijpen van de overheid. Deze rechten werden in 1983 in de Grondwet vastgelegd. Vanaf dat moment kreeg de overheid er grondwettelijk de verplichting bij om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en een schoon milieu actief te bevorderen. In de eenentwintigste eeuw is hier in het politieke debat nog een nieuw element aan toegevoegd, namelijk het structurele toezicht op de naleving van mensenrechten, waarbij de overheid niet alleen in eigen land toekijkt, maar hier ook overal ter wereld stelling in neemt.
Leerdoelen
Je kunt uitleggen waarom en op welke wijze in de 19e eeuw de politieke verhoudingen in Nederland zich wijzigden.
Je kunt de kern van de Schoolstrijd beschrijven en op welke wijze deze kwestie werd opgelost.
Je kunt beschrijven onder invloed van welke factoren en actoren in Nederland het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en waarom dit een belangrijke voorwaarde is voor een volwaardige parlementaire democratie.
De conservatieve macht voor 1848 Voor het revolutiejaar 1848 hadden burgers bijzonder weinig directe invloed op het landsbestuur. De politieke macht was stevig in handen van de koning en een klein, elitair gezelschap uit de hoogste maatschappelijke kringen. De koning koos en benoemde zelf de ministers en de leden van de Eerste Kamer. De leden van de Tweede Kamer werden indirect gekozen door de leden van de Provinciale Staten. Het merendeel van deze bestuurlijke elite had een conservatieve kijk op de samenleving, wat betekende dat zij de bestaande maatschappelijke orde wilden behouden en grote politieke vernieuwingen afwezen.
De opkomst en dominantie van de liberalen Bij de ingrijpende grondwetswijziging van 1848 was de inbreng van de liberalen doorslaggevend. Het liberalisme is een politieke stroming die het vrije en ondernemende individu centraal stelt. In deze visie moet ieder mens de gelegenheid krijgen om zich op basis van eigen talenten optimaal te ontwikkelen. Voor liberalen was er in het landsbestuur absoluut geen ruimte voor een almachtige staat die met een overdaad aan regels de ontwikkeling van het individu zou beperken.
Omdat de Tweede Kamerleden vanaf 1848 rechtstreeks werden gekozen via het censuskiesrecht (waarbij uitsluitend mannen mochten stemmen die een minimumbedrag aan belasting betaalden), werd het liberalisme direct de belangrijkste politieke stroming in Nederland. De welgestelde burgerij stemde immers op gelijkgestemden. Ter illustratie: in 1849 waren maar liefst 47 van de 68 Kamerleden liberaal.
Het confessionalisme en het bijzonder onderwijs Het daadwerkelijk samenwerken in moderne politieke partijen kwam pas dertig jaar later op gang en begon bij de confessionelen, te beginnen met de oprichting van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) in 1879. Bij de confessionelen vormde de godsdienstige overtuiging het absolute uitgangspunt bij de bepaling van politieke standpunten.
De maatschappelijke opkomst van het confessionalisme was een direct gevolg van drie nieuwe grondrechten uit de Grondwet van 1848: de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van vereniging. Door deze drie rechten strategisch aan elkaar te koppelen, ontstond bij gelovige burgers de wens om eigen scholen op te richten waar het onderwijs volledig naar eigen theologische inzichten werd gegeven. Op deze zogeheten 'bijzondere scholen' stond het geloof centraal, of dit nu katholiek of protestants-christelijk was.
De Schoolstrijd en de verzuiling Deze bijzondere scholen kwamen juridisch en financieel rechtstreeks tegenover de 'openbare scholen' te staan. Openbare scholen legden weinig nadruk op godsdienstige aspecten en werden volledig door de overheid uit de staatskas betaald. Het bijzonder onderwijs werd daarentegen niet door de overheid gefinancierd en moest door de gelovige gemeenschappen zelf worden bekostigd.
In de ogen van de katholieken en protestanten was deze ongelijke financiering een vorm van discriminatie waaraan een einde gemaakt moest worden. Dit decennialange politieke conflict over de bekostiging van het onderwijs staat bekend als de Schoolstrijd. Tijdens deze felle strijd richtten confessionelen niet alleen eigen scholen op, maar organiseerden zij zich ook op vrijwel alle andere maatschappelijke terreinen (zoals vakbonden en kranten) specifiek voor hun eigen geloofsgroep. Dit intensieve proces van maatschappelijke scheiding op basis van levensbeschouwing wordt de verzuiling genoemd.
De socialisten en de roep om kiesrecht Tegen 1888 was het aantal Tweede Kamerzetels uitgebreid tot honderd. De verhoudingen waren op dat moment als volgt: 45 liberalen, 27 protestanten en 26 katholieken. De conservatieven en een nieuwe politieke stroming, de socialisten, hadden elk slechts één Kamerlid. Het socialisme zette zich primair in voor de sterk groeiende arbeidersklasse, met de verbetering van de barre leef- en werkomstandigheden als hun absolute hoofddoel.
Voor het doorvoeren van de noodzakelijke sociale wetgeving was een ruime vertegenwoordiging in het parlement een vereiste. Het censuskiesrecht vormde hierbij een onneembare barrière: de meeste arbeiders verdienden te weinig om belasting te betalen en waren daardoor politiek monddood. Omdat er door dit systeem nauwelijks socialistische kandidaten in de Kamer werden gekozen, streefden de socialisten massaal naar de uitbreiding van het kiesrecht.
De Pacificatie van 1917 en de voltooiing van de democratie De langslepende politieke conflicten werden uiteindelijk gelijktijdig opgelost via het historische compromis: de Pacificatie van 1917. In de herziene Grondwet van 1917 werden de belangrijkste strijdpunten uitgeruild en vastgelegd. De confessionelen kregen hun zin met de volledige financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs, waarmee de Schoolstrijd eindigde. In ruil daarvoor kregen de socialisten hun gewenste invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen.
Vrouwen kregen via dit akkoord echter nog geen volledig gelijkwaardige politieke positie. De actoren die hiervoor streden, de feministen, moesten bij de Pacificatie in 1917 genoegen nemen met uitsluitend het passief kiesrecht (het recht om gekozen te worden, maar niet om zelf te stemmen). Twee jaar later, in 1919, werd dit onrecht hersteld en kregen vrouwen ook het actief kiesrecht. Vanaf dit historische moment, waarop iedereen kon meebeslissen over het landsbestuur, mag Nederland een volwaardige parlementaire democratie worden genoemd.