In de vorige paragrafen heb je de belangrijkste theorie van globalisering geleerd. Je hebt begrippen gebruikt zoals centrum, semiperiferie, periferie, mondiale arbeidsverdeling, productieketens, FDI, global shift, migratie, culturele diffusie, resource trap en strategische afhankelijkheid.
In deze paragraaf passen we die begrippen toe op echte gebieden.
Dat is belangrijk. Aardrijkskunde gaat niet alleen om definities kennen. Je moet ook kunnen uitleggen hoe begrippen zichtbaar worden op de kaart.
Daarom bekijken we vier casussen:
India en het Verenigd Koninkrijk;
de Verenigde Staten en Mexico;
de Democratische Republiek Congo;
China.
Deze voorbeelden laten zien dat globalisering niet overal hetzelfde werkt. Soms verschuift macht van het oude centrum naar de semiperiferie. Soms blijft een land gevangen in afhankelijkheid van grondstoffen. Soms ontstaat er sterke economische verwevenheid over een grens heen. En soms groeit een land zo snel dat het de hele wereldorde verandert.
Na deze paragraaf kun je:
het centrum-periferiemodel toepassen op concrete landen en regio’s;
uitleggen hoe koloniale geschiedenis nog invloed heeft op huidige machtsverhoudingen;
uitleggen hoe de global shift zichtbaar wordt in India en China;
uitleggen hoe de VS-Mexicogrens economische integratie en politieke afsluiting combineert;
uitleggen hoe Congo laat zien wat de resource trap betekent;
uitleggen hoe grondstoffen, technologie en macht met elkaar verbonden zijn;
begrippen zoals MNO, FDI, maquiladora, remittances, brain drain, exportvalorisatie en BRI toepassen;
lokale gevolgen van globalisering beschrijven;
casussen gebruiken om examenvragen over globalisering te beantwoorden.