Leerdoelen:
Je kunt uitleggen wat globalisering is en waarom dit meer is dan alleen internationale interactie.
Je kunt de verschillende geografische dimensies (economisch, sociaal-cultureel, demografisch, politiek, fysisch) onderscheiden en toepassen bij het analyseren van wereldvraagstukken.
Je kunt voorbeelden geven van verschillende schaalniveaus (lokaal, regionaal, nationaal, continentaal, mondiaal) en uitleggen waarom schaal belangrijk is voor geografische analyses.
Samenvatting: In dit hoofdstuk maak je kennis met het begrip globalisering en de basisbenadering van de aardrijkskunde op wereldniveau. We behandelen de belangrijkste dimensies en schaalniveaus die geografen gebruiken om verschijnselen in de wereld te begrijpen.
De hedendaagse wereld is steeds hechter verbonden. Globalisering is het proces van het ontstaan van steeds meer samenhang en uitwisseling wereldwijd tussen landen, bedrijven en mensen. Dit gaat verder dan simpele internationalisering: op mondiale schaal raken economieën en samenlevingen verweven. Producten, kapitaal, informatie en mensen bewegen makkelijker over grenzen dan ooit. Hierdoor ontstaat in veel opzichten een soort “mondiaal dorp” met meer standaardisering (bijvoorbeeld wereldwijd vergelijkbare producten en diensten). Tegelijk kan globalisering ook spanningen veroorzaken, bijvoorbeeld wanneer groepen mensen niet meekomen in de wereldwijde economie of wanneer lokale culturele identiteit onder druk komt te staan door mondiale invloeden.
Om mondiale vraagstukken te begrijpen, kijkt de aardrijkskunde vanuit verschillende dimensies:
De economische dimensie richt zich op onderwerpen als handel, industrie, armoede en welvaart. Bijvoorbeeld: hoe stromen goederen en geld wereldwijd?
De sociaal-culturele dimensie kijkt naar taal, religie, tradities en leefwijze. Bijvoorbeeld: hoe verspreiden muziekstijlen of taal zich over de wereld?
De demografische dimensie betreft de bevolking: geboortes, sterfte, migratie, groei en samenstelling van bevolkingen.
De politieke dimensie bekijkt machtsverhoudingen, landen, bondgenootschappen en conflicten. Bijvoorbeeld: welke rol spelen landen en organisaties in mondiale vraagstukken?
De fysische dimensie (of natuurlijke dimensie) richt zich op het milieu en de natuurlijke omgeving, zoals klimaat, landschap, hulpbronnen en ecologie.
Bij een compleet beeld van een wereldwijd verschijnsel betrek je meestal meerdere dimensies. Zo heeft bijvoorbeeld migratie zowel economische kanten (mensen zoeken werk), politieke kanten (grensbeleid, vluchtelingen), sociaal-culturele kanten (integratie, diffusie van cultuur) als demografische (bevolkingsgroei, vergrijzing in bestemmingslanden) en fysische kanten (druk op omgeving in bepaalde gebieden). Leren denken in dimensies helpt om complexe kwesties vanuit verschillende invalshoeken te begrijpen.
Geografische verschijnselen spelen zich af op verschillende schaalniveaus. Belangrijke schaalniveaus zijn onder andere:
Mondiaal (wereldwijd): bijvoorbeeld de globale temperatuurstijging of internationale handelsnetwerken.
Continentaal: bijvoorbeeld Europa of Afrika als geheel, met interne patronen en relaties.
Nationaal: het niveau van landen. Beleidskeuzes en statistieken worden vaak per land bekeken.
Regionaal: een streek of deel van een land, bijvoorbeeld de Randstad of de Sahel.
Lokaal: plaatselijk niveau, zoals een stad of dorp.
Een kenmerk van geografisch onderzoek is schakelen tussen deze niveaus. Een probleem kan op lokaal niveau anders uitzien dan op mondiaal niveau. Bijvoorbeeld: stedelijke luchtvervuiling (lokaal) kan samenhangen met mondiale klimaatverandering. Ook kunnen processen op wereldniveau lokale effecten hebben, en omgekeerd. Geografen plaatsen gebieden in context: ze bekijken hoe een lokaal gebied deel uitmaakt van een groter geheel en welke relaties er zijn tussen dat gebied en andere regio’s.
Daarnaast is het belangrijk te herkennen dat patronen zich herhalen op verschillende schaalniveaus. Zo kun je de indeling in rijke en arme gebieden (centrum en periferie, zie verderop) toepassen op de hele wereld, maar ook binnen een land of stad. Met deze basisbegrippen – globalisering, dimensies en schaal – kun je nu de verdere hoofdstukken over mondiale vraagstukken beter begrijpen.
Leerdoelen:
Je kunt de belangrijkste fasen van globalisering in de geschiedenis beschrijven, van koloniale tijd tot heden.
Je kunt uitleggen hoe het kolonialisme de basis legde voor het hedendaagse wereldsysteem van centrum en periferie.
Je begrijpt wat tijd-ruimtecompressie inhoudt en welke rol transport- en communicatietechnologie hierin spelen.
Samenvatting: Dit hoofdstuk behandelt de historische ontwikkeling van globalisering. We kijken naar de rol van kolonialisme en de fasen van globalisering door de tijd. Ook bespreken we hoe verbeteringen in transport en communicatie de wereld “kleiner” hebben gemaakt.
Wereldwijde verbindingen zijn niet nieuw; al vanaf de 16e eeuw ontstonden wereldwijde handelsnetwerken. Europese zeemogendheden verkenden de wereld en legden kolonies aan. Kolonialisme is het systeem waarbij landen (koloniserende mogendheden) gebieden overzee bezetten en besturen om er economische en politieke controle over te hebben.
We onderscheiden in de koloniale geschiedenis grofweg drie fasen:
Fase 1: Handelskolonialisme (±1500–1800). Europese landen stichtten vooral vestigingskoloniën en handelsposten op strategische plekken (met name langs kusten). Deze koloniën dienden vaak als uitvalsbasis voor handel. Denk aan Europese nederzettingen in Noord-Amerika, Zuidelijk Afrika en Azië. In deze periode werd de basis gelegd voor mondiale handelsstromen – een vroege vorm van globalisering door uitwisseling van goederen zoals specerijen, zilver, slaven en landbouwproducten.
Fase 2: Industrieel exploitatiekolonialisme (±1800–1950). In de 19e eeuw, mede door de industriële revolutie, nam de vraag naar grondstoffen en landbouwproducten enorm toe. Koloniale machten breidden hun territorium uit landinwaarts. Er ontstonden exploitatiekoloniën: koloniën die vooral bedoeld waren om grondstoffen (zoals rubber, katoen, mineralen) en agrarische producten te leveren aan het moederland. In ruil leverde het moederland industrieproducten terug. Er ontwikkelde zich een wereldwijde internationale arbeidsverdeling: koloniën specialiseerden zich als leveranciers van ruwe materialen, terwijl de koloniserende landen industrieproducten vervaardigden. Dit patroon legde de basis voor het centrum-periferie verschil (zie 2.2). In deze fase werd de hele aarde steeds meer onderling verbonden, maar de machtsverhoudingen waren ongelijk.
Fase 3: Dekolonisatie (±1950–1975). Na de Tweede Wereldoorlog raakten de Europese mogendheden verzwakt en groeide in de koloniën de roep om onafhankelijkheid. In een golf van dekolonisatie werden Aziatische, Afrikaanse en Caribische landen zelfstandig. Het formele kolonialisme eindigde. Echter, de invloed van de koloniale periode bleef bestaan in de mondiale verhoudingen.
Uit het koloniale verleden stamt het huidige wereldsysteem van centrum en periferie. In de tweede fase van globalisering waren de Europese landen en later ook Noord-Amerika het economische en politieke centrum van de wereld: hier concentreerden zich macht, kapitaal en industrie. De voormalige koloniën vormden de periferie: gebieden met een zwakkere economie, gericht op grondstoffenexport, en geringere welvaart. In de tweede helft van de 20e eeuw is daar een tussencategorie bij gekomen, de semiperiferie: landen die niet meer tot de armste periferie behoren, maar ook nog niet tot de rijkste kern. Denk aan opkomende economieën zoals China, India of Brazilië eind 20e eeuw.
Kenmerken van deze indeling:
Centrumlanden: hoog inkomen per hoofd, een diverse economie met vooral hoogwaardige industrie en diensten, politieke macht en invloed op mondiale regels.
Perifere landen: laag inkomen per hoofd, een eenzijdige economie gericht op agrarische productie en grondstoffen, weinig politieke invloed en vaak afhankelijk van centrumlanden.
Semiperifere landen: middeninkomenslanden, met groeiende industrie en diensten, vaak in transitie van afhankelijk naar meer zelfstandig.
Belangrijk om te beseffen is dat het centrum-periferie model op alle schaalniveaus toepasbaar is. Binnen een centrumland kunnen ook interne periferieën bestaan (bijvoorbeeld economisch zwakkere regio’s of achtergestelde stadswijken). Omgekeerd hebben perifere landen vaak een relatief ontwikkeld stedelijk centrum. Met andere woorden: ook regionaal en lokaal kun je vaak een kern en randgebied aanwijzen.
De koloniale verhoudingen werkten door na de onafhankelijkheid. Veel jonge staten startten rond 1960 op een grote achterstand. Ze bleven economisch afhankelijk van export van ruwe producten, terwijl ze industrieproducten moesten importeren. Omdat de prijzen van industriegoederen historisch gezien sterker stegen dan die van landbouwproducten en grondstoffen, verslechterde de ruilvoet voor veel ontwikkelingslanden. Ruilvoet betekent hier de verhouding tussen de exportprijzen en importprijzen van een land. Een ruilvoetverslechtering houdt in dat een land voor zijn export (bijvoorbeeld 100 ton cacao) steeds minder import (bijvoorbeeld minder machines of auto’s) kan terugkopen. Dit fenomeen benadeelde veel ex-koloniën en droeg bij aan hun blijvende armoede halverwege de 20e eeuw.
Toch waren er ook positieve erfenissen van het kolonialisme voor sommige gebieden. Infrastructuur (spoorwegen, havens) en onderwijsinstellingen aangelegd door koloniale mogendheden konden een basis vormen voor latere ontwikkeling. Bovendien bracht de wereldwijde handel enige ontwikkeling van werkgelegenheid in perifere gebieden, doordat de vraag vanuit het centrum banen creëerde (bijvoorbeeld in plantages of mijnen). Maar over het algemeen gold dat het centrum veruit het meeste profiteerde.
Na de dekolonisatie bleef de invloed van voormalige kolonisators deels bestaan via neokoloniale relaties: westerse landen investeerden in arme landen of verleenden leningen, vaak met voorwaarden. Ook politieke inmenging kwam voor. De machtspositie en welvaart van het Westen (Europa en Noord-Amerika) groeiden in de decennia na 1950 nog verder, terwijl veel (ex-)koloniën arm bleven. Hiermee was de wereldorde van centrum – periferie bevestigd.
Parallel aan deze historische fases verbeterde de transport- en communicatietechnologie enorm, vooral in de 19e en 20e eeuw. Deze innovaties brachten tijd-ruimtecompressie met zich mee: de relatieve afstanden in tijd, moeite en kosten tussen plaatsen op aarde werden kleiner. Enkele mijlpalen:
Transportrevoluties: De komst van stoomschepen en spoorwegen in de 19e eeuw versnelde het vervoer van goederen en mensen dramatisch. De opening van kanalen zoals het Suezkanaal (1869) en Panamakanaal (1914) verkortte zeeroutes tussen werelddelen aanzienlijk. In de 20e eeuw kwamen daar snelle vliegtuigen bij en – heel belangrijk voor wereldhandel – de containerisatie in de scheepvaart (jaren ’60). Transporttechnologie werd steeds efficiënter, waardoor een product veel sneller en goedkoper van de ene kant van de wereld naar de andere kon komen.
Communicatietechnologie: Waar informatieoverdracht ooit per brief of telegraaf weken kon duren, brachten de 20e eeuw (telefonie) en vooral de late 20e en vroege 21e eeuw een revolutie in informatie- en communicatietechnologie (ICT). Satellietverbindingen, glasvezelkabels en later het internet zorgden ervoor dat informatie vrijwel ogenblikkelijk wereldwijd verspreid kan worden. Denk aan onderzeese internetkabels en communicatiesatellieten die continenten verbinden. Dit heeft geleid tot een ongekende versnelling in nieuwsvoorziening, financiële transacties en internationale samenwerking.
Het effect van deze ontwikkelingen is tijd-ruimtecompressie: in termen van reistijd, communicatie en verzendkosten ‘krimpt’ de wereld. Afstanden die vroeger weken duurden, zijn nu in uren of seconden te overbruggen. Dit fenomeen ligt aan de basis van de recente versnelling van globalisering. Het maakt wereldwijd zaken doen, migreren of kennis uitwisselen veel makkelijker dan voorheen. In het volgende hoofdstuk zullen we zien hoe deze snellere verbindingen de hedendaagse economische globalisering mogelijk hebben gemaakt.
Leerdoelen:
Je kunt uitleggen wat economische globalisering inhoudt en welke factoren deze integratie van economieën bevorderen.
Je kent de Interactietheorie van Ullman (complementariteit, transporteerbaarheid, geen tussenliggende mogelijkheden) en kunt uitleggen waarom sommige gebieden intensief handel drijven.
Je kunt voorbeelden geven van begrippen als global shift, offshoring en outsourcing, en begrijpen hoe deze bijdragen aan de verplaatsing van economische activiteiten.
Je begrijpt wat een Speciale Economische Zone (SEZ) is en hoe landen dit gebruiken om buitenlandse investeringen aan te trekken.
Je kunt de term ruilvoet uitleggen en aangeven waarom de ruilvoet voor perifere landen vaak ongunstig was.
Samenvatting: Dit hoofdstuk richt zich op de wijze waarop economieën wereldwijd steeds meer met elkaar verweven zijn geraakt. We bespreken waarom goederen en geld zich verplaatsen (Ullman’s theorie), hoe het zwaartepunt van de wereldeconomie verschuift richting nieuwe regio’s, en welke rol multinationals, vrijhandel en organisaties als de WTO spelen. Ook bekijken we de gevolgen van economische globalisering, zoals veranderende welvaartsverhoudingen en ongelijke ruilverhoudingen.
Economische globalisering is het proces van toenemende mondiale economische interactie en integratie. Bedrijven opereren internationaal, goederen en diensten worden wereldwijd verhandeld en kapitaalstromen gaan razendsnel van het ene land naar het andere. Deze integratie wordt aangedreven door:
Technologische ontwikkelingen: Sneller transport en communicatie (zie vorig hoofdstuk) maken handel en outsourcing op wereldwijde schaal mogelijk.
Vrijhandelspolitiek: De afbouw van handelsbelemmeringen (invoerheffingen, quota, subsidies) heeft de wereldhandel gestimuleerd. Onder auspiciën van organisaties als de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zijn veel landen handelsverdragen aangegaan om vrijhandel te bevorderen. Het idee is dat wanneer landen zich specialiseren en zonder barrières handelen, alle partijen economisch kunnen groeien.
Multinationale ondernemingen: Grote MNO’s (multinationals) spelen een sleutelrol. Deze ondernemingen, zoals technologiebedrijven, autofabrikanten of kledingketens, hebben vestigingen en toeleveringsketens verspreid over meerdere landen. Ze zoeken voortdurend naar de meest efficiënte locaties voor productie en verkoop. Daarmee verbinden zij de economieën van landen onderling.
Liberaliserende overheden: Veel landen (vooral sinds de jaren 1980) hebben hun economie geopend voor de wereldmarkt door liberalisering en het toestaan van buitenlandse investeringen. Ook zijn in diverse landen Speciale Economische Zones (SEZ) of andere belastingvrije zones ingericht om buitenlandse bedrijven aan te trekken met gunstige voorwaarden (bijv. lage belastingen, goede infrastructuur, minder regels).
Niet alle gebieden verbinden zich even intensief economisch. De interactietheorie van Ullman geeft drie basisvoorwaarden waarom uitwisseling (handel, transportstromen) tussen twee gebieden op gang komt:
Complementariteit: Het ene gebied heeft iets (bijv. grondstof, product, kapitaal) wat een ander gebied nodig heeft en niet zelf (voldoende) heeft. Er is dus een aanvulling op elkaars behoeften. Bijvoorbeeld: het Midden-Oosten heeft olie, Europa heeft brandstof nodig; dit complementaire verschil stimuleert handel.
Transporteerbaarheid: De goederen of diensten moeten uitgewisseld kunnen worden tegen acceptabele kosten en tijd. Als vervoerstechnologie goed en betaalbaar is, wordt handel aantrekkelijker. Sommige producten zijn bijvoorbeeld kostbaar om te vervoeren over lange afstand (laagwaardige bulkgoederen) en zullen minder verhandeld worden tenzij transport goedkoper wordt.
Geen tussenliggende mogelijkheden: Er mag geen beter of goedkoper alternatief dichterbij zijn. Als twee landen willen handelen maar een derde land dichterbij kan hetzelfde leveren tegen lagere kosten, dan blijft de handel tussen de eerste twee beperkt. Met andere woorden, de route of verbinding komt pas tot stand als geen concurrerende optie in de tussengelegen ruimte aanwezig is.
Wanneer aan deze drie voorwaarden is voldaan, is er een goede kans op sterke interactie en handelsstromen tussen gebieden. Deze theorie verklaart bijvoorbeeld waarom juist bepaalde landen intensief met elkaar handelen: het is niet toevallig, maar gebaseerd op vraag en aanbod, transportmogelijkheden en concurrentiepositie.
Globalisering heeft ervoor gezorgd dat de productieketen (het traject van grondstof tot eindproduct) op mondiale schaal is opgedeeld. Een enkel eindproduct, zoals een smartphone of kledingstuk, wordt vaak in stappen vervaardigd in meerdere landen. Zo kan ontwerp in de VS plaatsvinden, assemblage in China, onderdelenproductie in Zuid-Korea en grondstofwinning in Afrika. Dit opknippen van productie stelt bedrijven in staat overal de voordeligste opties te benutten: goedkope arbeid hier, hoogopgeleide ingenieurs daar, een gunstig belastingklimaat elders. Outsourcing en offshoring zijn hierbij belangrijke begrippen:
Outsourcing betekent dat een bedrijf bepaalde taken uitbesteedt aan een ander bedrijf (soms in het buitenland). Denk aan een Nederlands bedrijf dat zijn klantenservice laat uitvoeren door een specialistisch callcenter in India.
Offshoring betekent dat een bedrijf een bedrijfsproces of productie verplaatst naar het buitenland, vaak om kosten te besparen. Een voorbeeld is een kledingmerk dat zijn naai-ateliers verhuist van West-Europa naar een lagelonenland in Azië.
Door deze praktijken heeft zich de afgelopen decennia een duidelijke global shift voorgedaan: een verschuiving van het economische zwaartepunt in de wereld. Waar tot ver in de 20e eeuw Europa en Noord-Amerika de industriële kern vormden, is sinds eind 20e eeuw steeds meer productie en ook innovatie naar Azië en andere opkomende regio’s verschoven. Landen als China, India, Zuid-Korea, maar ook Brazilië en Mexico zijn uitgegroeid tot economische spelers van formaat. Deze global shift blijkt bijvoorbeeld uit:
Het aandeel van Westerse economieën in de wereldproductie daalt, terwijl Aziatische economieën sterk groeien.
Traditionele industriegebieden in West-Europa en de VS kampen sinds de jaren ’70 met de-industrialisatie (verlies van industriebanen), terwijl in de semiperiferie grootschalige industrialisatie plaatsvindt.
Multinationals uit opkomende economieën zijn zelf wereldwijd actief geworden (denk aan bedrijven zoals Tata, Huawei, Samsung, Petrobras etc.), waar eerder vrijwel alle multinationals Westers waren.
Economische globalisering heeft complexe gevolgen. Aan de ene kant heeft het gezorgd voor groei van de wereldeconomie als geheel: wereldwijde welvaart is toegenomen en honderden miljoenen mensen (vooral in Azië) zijn uit extreme armoede gekomen doordat hun landen mee gingen doen aan de wereldeconomie. Nieuwe opkomende economieën hebben zich ontwikkeld tot semiperiferie of zelfs nieuwe centrumlanden.
Aan de andere kant is de economische ongelijkheid tussen en binnen landen vaak toegenomen. Enkele effecten op een rij:
Regionale ongelijkheid: Binnen landen kunnen verschillen scherper worden. Bijvoorbeeld: in China bloeien kuststeden met industrie en handel, terwijl het platteland of binnenland achterblijft. In Mexico is het noorden (dichter bij de VS, met maquiladora-fabrieken) rijker dan het zuiden. Globalisering creëert winnaars en verliezers op regionale schaal.
Sociale ongelijkheid: Binnen samenlevingen zijn de inkomens van goed geschoolde of kapitaalbezittende groepen sneller gestegen dan die van laaggeschoolde arbeiders. Dit leidt tot meer interne sociale ongelijkheid in zowel rijke landen (door outsourcing zijn sommige banen verdwenen) als in ontwikkelingslanden (nieuwe rijkdom concentreert zich bij een elite).
Mondiale ongelijkheid: Tussen landen is het beeld gemengd. Sommige perifere landen hebben zich ontwikkeld (Zuid-Korea, Singapore, later China, etc.), maar vooral delen van Sub-Sahara Afrika en enkele andere landen blijven ver achter. Die laatste groep profiteert weinig van globalisering, waardoor de kloof tussen armste en rijkere landen relatief groter kan worden.
Zoals genoemd speelt vrijhandel een centrale rol in economische globalisering. Vrijhandel houdt in dat landen onderlinge handel niet belemmeren met invoertarieven of quota, zodat goederen en diensten vrij de grens over kunnen. De gedachte is dat dit leidt tot een efficiëntere internationale arbeidsverdeling en lagere prijzen voor consumenten. Organisaties en overeenkomsten die hierbij horen:
De Wereldhandelsorganisatie (WTO) is in 1995 opgericht om wereldwijd vrije handel te bevorderen. De WTO bemiddelt bij handelsconflicten en streeft naar het verminderen van handelsbelemmeringen. Landen die lid zijn (de meeste landen ter wereld) beloven volgens gemeenschappelijke regels te handelen en bijvoorbeeld geen discriminerende invoerheffingen te hanteren.
Regionale handelsblokken en unies zijn ook belangrijk. De Europese Unie (EU) is hiervan een voorbeeld: een groep landen die onderling een vrije interne markt hebben opgericht zonder onderlinge invoerheffingen, en met gemeenschappelijke handelsregels naar buiten toe. Andere voorbeelden zijn USMCA (voorheen NAFTA) in Noord-Amerika, ASEAN in Zuidoost-Azië, MERCOSUR in Zuid-Amerika, enzovoort. Zulke samenwerkingsverbanden versterken de economische banden in een regio en vormen tezamen ook economische machtblokken in de wereld.
Vrijhandel is niet onomstreden. Kritiek is dat rijke landen de spelregels domineren en dat arme landen moeite hebben om hun markten te beschermen of hun producten af te zetten. Sommige landen of politieke bewegingen kiezen daarom (tijdelijk) voor protectionisme: het afschermen van de eigen markt om een jonge industrie te beschermen of om strategische redenen. Over het algemeen is de trend echter dat handel steeds vrijer is geworden sinds de jaren ’80.
In recente jaren zien we ook tekenen van een rem op de ongebreidelde economische globalisering. Een paar ontwikkelingen:
Reshoring: Dit is het terughalen van productie naar het thuisland nadat het eerder naar het buitenland verplaatst was. Bedrijven overwegen reshoring als offshoring toch nadelen heeft ondervonden, zoals kwaliteitsproblemen, lange levertijden of afhankelijkheid van verre toeleveranciers. Bijvoorbeeld heeft een aantal Europese bedrijven productie teruggehaald uit Azië toen automatisering de kostenverschillen verkleinde of toen kwetsbaarheden in aanvoer (zoals tijdens pandemieën) zichtbaar werden.
Politieke druk: In sommige landen groeit het verzet tegen globalisering vanuit de bevolking. Denk aan brexit in het Verenigd Koninkrijk of de Amerikaans-Chinese handelsoorlog. Nationale regeringen leggen soms weer meer nadruk op eigen productie en minder op mondiale afhankelijkheid, vanuit het idee van economische soevereiniteit of het beschermen van banen.
Duurzaamheidsoverwegingen: Hierover meer in hoofdstuk 6, maar kort gezegd beseffen bedrijven en overheden dat oneindig goederen over de hele wereld slepen milieukosten heeft. De prijs van een goedkoop geproduceerd voorwerp in een ver land houdt vaak de milieu-impact (zoals CO₂-uitstoot door transport) niet in rekening. Deze milieukosten worden nu serieuzer genomen, wat kan leiden tot heroverweging van waar men produceert en hoe lange ketens zijn.
Toch is de economische verwevenheid al heel vergevorderd. Een plotselinge omkering van globalisering is onwaarschijnlijk, maar de toekomst zal waarschijnlijk gekenmerkt worden door een balans zoeken: profiteren van wereldhandel, maar met aandacht voor eerlijkere verdeling en duurzame praktijk.
Leerdoelen:
Je kunt benoemen welke belangrijke machtblokken en internationale organisaties een rol spelen in de geglobaliseerde wereld (bijv. WTO, EU, VN, NAVO).
Je begrijpt hoe globalisering heeft geleid tot samenwerkingen zoals handelsblokken en ook tot geopolitieke concurrentie tussen grootmachten.
Je kunt uitleggen hoe staten en overheden proberen invloed uit te oefenen op of juist om te gaan met globalisering (bijvoorbeeld door handelsverdragen of migratiebeleid).
Samenvatting: Globalisering is niet alleen een economisch of cultureel proces, maar ook een politiek proces. In dit hoofdstuk bekijken we hoe landen en staten reageren op een steeds meer verbonden wereld. We bespreken de rol van internationale organisaties, de vorming van regionale samenwerkingsverbanden, en de geopolitieke verschuivingen door globalisering.
Naarmate landen economisch verweven raakten, ontstond behoefte aan politieke samenwerking en regels op wereldniveau. Enkele belangrijke spelers en samenwerkingsvormen zijn:
Verenigde Naties (VN): Opgericht in 1945, een mondiale organisatie met vrijwel alle landen als lid. De VN heeft als doel vrede en veiligheid te bewaren, mensenrechten te bevorderen en internationale samenwerking op allerlei terreinen (ontwikkeling, milieu, etc.) te stimuleren. Hoewel de VN niet direct stuurt op economie, vormt het wel een forum waar landen mondiale problemen bespreken – van klimaatverandering tot migratie.
Wereldhandelsorganisatie (WTO): Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven, richt deze zich specifiek op handelsregels en het verminderen van handelsconflicten. De WTO is belangrijk om een gelijk speelveld te houden in de wereldeconomie.
Internationale Monetaire Fund (IMF) en Wereldbank: Twee organisaties die financiële stabiliteit en ontwikkeling proberen te bevorderen. Ze verlenen leningen aan landen in nood en adviseren in economisch beleid. Hun rol is controversieel: voorstanders zien ze als hoeders van stabiliteit, critici vinden dat ze te veel Westerse belangen dienen en arme landen dwingen tot beleid dat hun bevolking kan schaden.
Nationale overheden en beleid: Staten blijven belangrijke actoren. Via wetgeving en verdragen proberen ze globalisering te sturen. Bijvoorbeeld: door migratiebeleid (visum, toelating arbeidskrachten) bepalen landen in hoeverre globalisering van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Ook handelsverdragen (vrijhandelsverdragen of juist sancties) zijn politiek instrument.
Historisch was de wereldorde na 1945 lange tijd bipolair: twee grote machtblokken stonden tegenover elkaar in de Koude Oorlog – het kapitalistische blok onder leiding van de VS versus het communistische blok onder leiding van de Sovjet-Unie. Deze periode kenmerkte zich door scherpe politieke tegenstellingen en beperkte economische globalisering tussen die blokken (er was wel veel handel binnen het Westerse blok en binnen het communistische blok, maar weinig tussen die twee werelden).
Na de val van de Sovjet-Unie (1991) ontstond een periode van unipolaire dominantie door de Verenigde Staten, vaak gezien als de enige supermacht. Globalisering versnelde in de jaren ’90 onder Amerikaanse economische en culturele invloed. Dit wordt soms geassocieerd met amerikanisering (hierover meer in hoofdstuk 5). Tegelijk wonnen samenwerkingsverbanden zoals de Europese Unie aan kracht, waardoor er meerdere machtscentra zijn.
In de 21e eeuw is er steeds meer sprake van een multipolaire wereldorde: meerdere grote mogendheden en blokken oefenen invloed uit. Naast het Westerse blok (VS, EU en bondgenoten zoals Japan, Australië) is vooral China opgestaan als economische grootmacht en steeds zelfbewustere politieke macht. Ook landen als India, Rusland, Brazilië, en coalities zoals de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika) laten hun stem horen. Deze verschuiving is nauw verbonden met de economische global shift: politieke invloed volgt economische macht.
Een voorbeeld van geopolitieke dynamiek door globalisering is de strijd om grondstoffen en invloedssferen. China investeert veel in Afrika en Azië (denk aan infrastructuurprojecten zoals de “Nieuwe Zijderoute” en havens – ook wel de parelkettingstrategie genoemd). Dit heeft niet alleen economische motieven (toegang tot markten en grondstoffen) maar ook politieke dimensies: China vergroot zo zijn strategische reikwijdte. Westerse landen, en met name de VS, zien dit soms als bedreigend voor hun eigen invloed. Zo heeft de aanleg van een Chinese marinebasis in Djibouti of de uitbouw van Chinese havens nabij India geleid tot ongerustheid bij andere grootmachten.
Globalisering stelt nationale overheden voor kansen en uitdagingen. Aan de ene kant profiteren landen van deelname aan de wereldeconomie (export, investeringen, kennisuitwisseling). Aan de andere kant verliezen staten een stuk controle: kapitaal kan weglekken, multinationals kunnen druk uitoefenen (“we vertrekken als de belasting te hoog wordt”), en mondiale problemen als klimaat of pandemieën kun je niet als enkel land oplossen.
Landen reageren hier verschillend op:
Sommige zoeken meer samenwerking: ze sluiten zich aan bij internationale akkoorden, delen soevereiniteit (zoals in de EU), en proberen samen regels op te stellen voor bijvoorbeeld klimaat (Parijs-akkoord) of migratie.
Andere landen of politici kiezen voor een meer nationalistische benadering: controle terugpakken. Voorbeelden zijn landen die zich terugtrekken uit verdragen, een eigen koers varen in handel (bijv. invoertarieven verhogen) of strenger grensbeleid voeren om de instroom van migranten te beperken.
In de discussie over globalisering is regelmatig het begrip soevereiniteit aan de orde: hoeveel zeggenschap heeft een natiestaat nog in een geglobaliseerde wereld? Een extremere tegenreactie is protectionisme of politieke bewegingen die anti-globalistisch zijn (denk aan protesten tegen de WTO, of politieke partijen die uit de EU willen treden om weer eigen beleid te kunnen voeren).
Al met al is globalisering geen autonoom proces, maar wordt het mede vormgegeven en begrensd door politieke keuzes. De politieke dimensie bepaalt of globalisering soepel verloopt (met gezamenlijke regels en instellingen) of grillig (met handelsoorlogen en conflicten). De komende hoofdstukken richten zich op andere aspecten zoals cultuur, maar de politieke context blijft altijd op de achtergrond meespelen.
Leerdoelen:
Je kunt uitleggen wat culturele globalisering inhoudt en via welke processen culturele diffusie plaatsvindt.
Je kent het begrip amerikanisering en kunt voorbeelden geven van Amerikaanse cultuurelementen die wereldwijd zijn overgenomen.
Je begrijpt waarom Engels vaak de lingua franca in de wereld is en wat dit betekent.
Je kunt aangeven welke vormen van verzet tegen culturele globalisering bestaan en waarom lokale culturen zich willen behouden.
Samenvatting: Dit hoofdstuk bespreekt hoe culturen wereldwijd met elkaar in contact komen en elkaar beïnvloeden. Via migratie, media en toerisme verspreiden taal, religie, muziek, voedsel en andere cultuurkenmerken zich. We zien enerzijds een toename van homogenisering (een meer eenvormige wereldcultuur) en anderzijds lokale tegenbewegingen die de eigen identiteit benadrukken.
Bij culturele globalisering gaat het om het proces waarbij ideeën, gewoonten en betekenissen wereldwijd worden uitgewisseld. Enkele kanalen waarlangs culturele diffusie plaatsvindt:
Migratie: Mensen die zich verplaatsen brengen hun taal, religie en gebruiken mee naar andere delen van de wereld. Historisch verspreidden bijvoorbeeld Europese kolonisten hun taal en geloof over continenten. Tegenwoordig zorgt arbeidsmigratie en vluchtelingenmigratie ervoor dat steden zeer diverse bevolkingen krijgen (denk aan een stad als Londen of Amsterdam met inwoners uit tientallen landen).
Toerisme: Toeristen komen in aanraking met lokale culturen en nemen soms elementen over (bijv. yoga uit India, sushi uit Japan). Tegelijk passen bestemmingen zich ook aan toeristen aan: internationale hotelketens, Engels sprekende gidsen, enzovoort, wat weer tot standaardisering leidt.
Media en entertainment: Televisie, films, internet en sociale media zijn misschien wel de krachtigste motor van culturele globalisering in de laatste decennia. Via Hollywood-films, Netflix-series, YouTube, Instagram en TikTok gaan muziekstijlen, modetrends en andere cultuurelementen razendsnel de wereld rond. Een gebeurtenis of viral trend op internet kan op dezelfde dag mensen op alle continenten bereiken.
Internationale handel en marketing: Multinationals verspreiden ook een stukje cultuur. Bekende merken als McDonald’s, Coca-Cola, Apple of Nike verkopen niet alleen producten, maar ook een levensstijl en herkenbare symbolen. Dit zorgt voor een zekere uniformiteit in het straatbeeld wereldwijd (dezelfde winkels en producten) en beïnvloedt consumptiepatronen en zelfs lokale eetgewoonten.
Sinds de 20e eeuw is met name de invloed van de Verenigde Staten groot geweest in de culturele globalisering – een fenomeen dat men vaak amerikanisering noemt. Hiermee bedoelen we het overnemen van Amerikaanse cultuurelementen in andere culturen. Voorbeelden zijn:
Eetgewoonten: de opkomst van fastfood wereldwijd (hamburgers, cola, etc.).
Taalgebruik: Engelse woorden dringen door in veel talen, vooral in vakgebieden als technologie, wetenschap en popcultuur.
Popcultuur: van Hollywood-films tot popmuziek (denk aan wereldwijde popsterren) en modetrends.
Waarden en ideeën: bijvoorbeeld de verspreiding van het idee van individuele vrijheid, consumentisme of Amerikaanse vormen van entertainment en sport (NBA, lifestyleprogramma’s).
Engels is de belangrijkste lingua franca in de geglobaliseerde wereld. Een lingua franca is een taal die als gemeenschappelijk communicatiemiddel dient tussen mensen met verschillende moedertalen. In de middeleeuwen was dat Latijn in Europa, later Frans in diplomatie, maar vandaag de dag is Engels de voertaal in internationale handel, wetenschap en op internet. Dat betekent dat enorme aantallen mensen naast hun eigen taal ook Engels gebruiken om zich verstaanbaar te maken over de grens. Dit vergemakkelijkt globalisering enorm, want het hebben van een gedeelde taal voor communicatie is essentieel voor samenwerking. De dominantie van het Engels komt historisch door het Britse koloniale rijk en in de 20e eeuw door de Amerikaanse economische en culturele hegemonie.
Het resultaat van deze processen is dat over de hele wereld veel mensen naar dezelfde films kijken, vergelijkbare kleding dragen, dezelfde apps gebruiken en deels in dezelfde taal communiceren. De standaardisering van cultuur is een zichtbaar effect van globalisering.
Grote multinationale ondernemingen (MNO’s) beïnvloeden cultuur op verschillende manieren. Ten eerste brengen ze nieuwe producten en diensten in landen: bijvoorbeeld de introductie van smartphones veranderde wereldwijd hoe mensen communiceren en omgaan met informatie. Ten tweede verspreiden ze een bedrijfscultuur en bijbehorende managementstijlen. Werknemers van een bedrijf als Google of Toyota, of zelfs filialen van McDonald’s, werken overal volgens min of meer dezelfde bedrijfsnormen. Hierdoor raken bepaalde werkethieken of klantbenaderingen universeel. Ten derde veranderen MNO’s soms direct het dagelijks leven: denk aan hoe Amazon het winkelgedrag (online bestellen) heeft veranderd of hoe Uber de taxi-industrie en mobiliteitsgewoonten wereldwijd beïnvloed heeft.
Internationale migratie draagt ook bij aan culturele globalisering, maar het effect is tweerichtingsverkeer. Migranten nemen hun eigen cultuur mee naar het land van aankomst (denk aan het ontstaan van “Chinatowns” of de verspreiding van keukens zoals Turks, Thais, Italiaans eten wereldwijd), maar ze nemen ook elementen van de nieuwe cultuur over of sturen die terug naar het land van herkomst. Bovendien ontstaan door migratie transnationale migratienetwerken: gemeenschappen onderhouden over de grens contact via familie, social media en bezoeken. Ideeën en trends verspreiden zich zo via diaspora’s. Migratie kan selectief zijn: vaak is er sprake van selectieve migratie, waarbij bepaalde groepen oververtegenwoordigd zijn. Bijvoorbeeld vertrekken relatief veel jonge mannen of juist hoogopgeleiden uit bepaalde landen. Dit betekent dat de culturele impact van migratie ook specifiek kan zijn (bijvoorbeeld braindrain van academici die elders kennis vergaren of religieuze gebruiken die vooral door één groep worden uitgedragen).
Waar culturen zich mengen en op elkaar gaan lijken, ontstaat ook bezorgdheid dat lokale eigenheden verdwijnen. Veel mensen hechten waarde aan hun culturele identiteit – de unieke kenmerken, tradities en waarden van hun gemeenschap of natie. Culturele globalisering kan deze identiteit onder druk zetten. Denk aan een inheemse taal die uitsterft omdat iedereen overstapt op de dominante taal, of jongeren die westerse kleding en muziek verkiezen boven traditionele gebruiken.
Dit leidt tot vormen van verzet tegen globalisering op cultureel gebied. We zien bijvoorbeeld:
Herwaardering van eigen cultuur: In reactie op amerikanisering gaan mensen bewust hun eigen taal, keuken, muziek etc. promoten. Voorbeeld: de Franse overheid heeft quota ingesteld voor Franstalige muziek op de radio, om Engelstalige popmuziek wat te weren en de eigen cultuur te steunen.
Nationalisme en regionalisme: Groepen benadrukken hun nationale of regionale identiteit sterker. Soms leidt dit tot politieke bewegingen die meer autonomie of zelfbestuur nastreven, om hun eigen koers te kunnen varen en cultuur te beschermen. Voorbeelden zijn streken met een eigen taal/cultuur die zelfstandigheid willen, of anti-immigratie sentiment dat deels cultureel ingegeven is.
Fundamentalismen: In sommige gevallen leidt culturele globalisering tot een teruggrijpen op strikt traditionele waarden, bijvoorbeeld religieus fundamentalisme, als reactie op wat men ziet als verval door westerse invloeden.
Globale bewegingen tegen eenvormigheid: Ironisch genoeg zijn er ook wereldwijd verbonden groepen die strijden vóór lokale diversiteit en tegen culturele eenheidsworst. Voorbeeld: de slow-food beweging begon in Italië als verzet tegen fastfoodketens, en groeide uit tot een internationaal netwerk dat lokale eettradities en producten promoot.
Culturele globalisering is dus geen enkelvoudig proces dat alles hetzelfde maakt. Het is een dialoog (en soms conflict) tussen het mondiale en het lokale. Er ontstaan ook hybride culturen: mengvormen van het globale en het lokale, vaak aangeduid als “glocalisation” (denk aan Bollywoodfilms die Westerse filmtechnieken combineren met Indiase tradities, of een fastfoodketen die in India vegetarische burgers introduceert naar lokale smaak). Uiteindelijk zullen culturen blijven veranderen – dat is van alle tijden – maar de snelheid en reikwijdte waarmee dit nu gebeurt is wat de globaliseringsfase uniek maakt.
Leerdoelen:
Je kunt voorbeelden geven van de voordelen en nadelen van globalisering voor het milieu.
Je begrijpt het concept afwenteling in ruimte en tijd met betrekking tot milieuproblemen.
Je kunt uitleggen hoe mondiale samenwerking nodig is voor milieuvraagstukken en welke rol duurzaamheid speelt in een geglobaliseerde wereld.
Samenvatting: In dit hoofdstuk bekijken we de fysisch-geografische kant van globalisering: de invloed op milieu en natuur. Globalisering heeft geleid tot meer productie, transport en consumptie wereldwijd, met ernstige milieugevolgen zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. Tegelijk biedt een geglobaliseerde wereld kansen om gezamenlijk milieuproblemen aan te pakken en duurzame technologie wereldwijd te verspreiden.
Globalisering wordt vaak gedreven door economische groei, maar die groei gaat gepaard met toenemende milieukosten:
Klimaatverandering: Door de groei van de industrie, energieverbruik en transport (schepen, vliegtuigen) wereldwijd, is de uitstoot van broeikasgassen sterk toegenomen. Dit leidt tot global warming en klimaatverandering. De gevolgen – van stijgende zeespiegels tot extremer weer – zijn mondiaal. Interessant is dat vooral centrumlanden historisch de grootste uitstoters zijn, terwijl perifere landen vaak de zwaarste gevolgen ondervinden (bijvoorbeeld droogte in Afrika, overstromingen in Zuidoost-Azië).
Vervuiling en milieuvervalling: De wereldwijde productie brengt vervuiling met zich mee. Lucht- en watervervuiling stoppen niet bij landsgrenzen. Bijvoorbeeld: plastic afval afkomstig uit consumptie wereldwijd komt samen in oceanen. Ook verspreiden vervuilende stoffen zich via luchtstromen over continenten heen.
Uitputting van hulpbronnen: Door de mondiale vraag zijn er grondstoffen die in rap tempo uitgeput raken. Denk aan ontbossing (veel tropisch bos gekapt voor hardhout, soja- of palmolieplantages, vaak omdat er mondiale vraag is naar die producten), overbevissing van de oceanen om aan internationale voedselvraag te voldoen, of zeldzame metalen die nodig zijn in elektronica.
Versneld transport van invasieve soorten en ziekten: De intensieve vervoersstromen van globalisering betekenen dat planten, dieren of micro-organismen meeliften naar nieuwe gebieden, waar ze soms schade aanrichten (bijvoorbeeld invasieve exoten die ecosystemen verstoren). Ook menselijke infectieziekten kunnen zich sneller verspreiden over de wereld, zoals we in pandemieën gezien hebben.
Een belangrijk begrip is afwenteling in ruimte en tijd. Dit betekent dat de negatieve gevolgen van productie en consumptie vaak worden “afgewenteld” op andere plekken of toekomstige generaties, in plaats van direct te worden gevoeld door de veroorzakers:
Ruimtelijke afwenteling: Rijke landen verplaatsen vervuilende industrieën naar armere landen waar milieuregels soepeler zijn. Zo kan een consument in Europa goedkope kleren kopen, terwijl de milieuvervuiling van de textielfabriek in bijvoorbeeld Bangladesh blijft. Feitelijk verplaatst men het probleem naar een andere locatie (vaak periferie). Ook afval wordt soms verscheept naar andere landen. De kern is dat globale ketens het mogelijk maken lastige onderdelen (zoals vervuiling) elders te laten plaatsvinden.
Tijdelijke afwenteling: Huidige generaties profiteren van welvaart en gemak, maar latere generaties dragen de lasten van milieuschade. Bijvoorbeeld: het uitputten van olie of het uitstoten van CO₂ geeft nu economische voordelen, maar de klimaatopwarming en lege olievelden zijn problemen voor de toekomst.
Omdat globalisering deze afwenteling vergemakkelijkt (je ziet de gevolgen niet direct in eigen omgeving), is er het risico dat milieuproblemen escaleren tot ze onomkeerbaar zijn.
Het is niet alleen kommer en kwel. De geglobaliseerde wereld heeft ook voordelen die kunnen worden ingezet voor het milieu:
Snelle verspreiding van kennis en technologie: Milieuvriendelijke technologieën – zoals zonnepanelen, windmolens, elektrische auto’s, efficiënte irrigatie – kunnen zich dankzij globalisering snel over de wereld verspreiden. Een doorbraak op één plek kan vrij snel elders toegepast worden. Internationale handelsnetwerken zorgen er bijvoorbeeld voor dat de prijs van duurzame technologie daalt doordat schaalvoordelen ontstaan (zonnepanelen massaal geproduceerd in China worden betaalbaar voor de hele wereld).
Internationale milieusamenwerking: Globalisering brengt ook een besef dat problemen als klimaat alleen gezamenlijk op te lossen zijn. Via internationale conferenties (bijv. de Klimaatconferenties zoals het Akkoord van Parijs) en organisaties werken landen samen. Het mondiale bereik van media en wetenschap zorgt dat er wereldwijd druk kan ontstaan om milieumaatregelen te nemen. Een ramp of milieuschandaal in één land krijgt global attention, wat tot druk leidt op bedrijven en overheden om hun gedrag te verbeteren.
Duurzame ontwikkeling als mondiaal ideaal: Begrippen als duurzaamheid en verantwoord ondernemen zijn onderdeel geworden van de wereldwijde agenda. Steeds meer multinationals voelen publieke druk om hun keten te verduurzamen (geen kinderarbeid, ontbossingsvrije grondstoffen, CO₂-neutraal werken). Consumenten over de hele wereld kunnen elkaar informeren (via internet) en gezamenlijk eisen stellen aan producten (denk aan boycots of keurmerken die internationaal werken, zoals Fairtrade of FSC-hout).
Uiteindelijk komt het neer op het vinden van een balans. Globalisering heeft lange tijd de nadruk gelegd op groei en efficiënte productie, zonder dat milieucomponenten volledig werden meegerekend. Nu is duidelijk dat het milieu wereldwijd onder enorme druk staat, wordt geprobeerd het tij te keren zonder alle voordelen van globalisering te verliezen. Concepten als de circulaire economie (alles hergebruiken, geen afval produceren) en klimaatneutraliteit worden nagestreefd, vaak via wereldwijde samenwerking.
Een concreet voorbeeld zijn de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties: 17 doelen die alle landen gezamenlijk willen halen, waarvan meerdere over milieu gaan (zoals klimaatactie, leven in zee, leven op land, maar ook doelen over eerlijk werk en economische groei). Deze SDG’s laten zien dat er een wereldwijd gedeelde ambitie is ontstaan om globalisering duurzamer en inclusiever te maken.
Toch zijn er tegengestelde belangen. Centrumlanden die hun welvaart deels op vervuiling gebaseerd hebben, vs. opkomende landen die aanvoeren dat zij ook recht hebben op ontwikkeling (ook al is die vervuilend). Dit spanningsveld oplossen vergt veel overleg en vertrouwen tussen landen – een politieke dimensie – en technische innovaties – een economische dimensie. De fysische dimensie (de planeet zelf) legt in elk geval de grens: globalisering kan alleen voortbestaan op de lange termijn als we binnen de draagkracht van de aarde opereren.
In de volgende hoofdstukken gaan we kijken naar de menselijke kant: demografie en migratie, en ten slotte belichten we een concrete casus (India en het Verenigd Koninkrijk) waarin veel van bovengenoemde aspecten samenkomen.
Leerdoelen:
Je kunt de fasen van het demografisch transitiemodel beschrijven en landen indelen naar hun fase.
Je begrijpt de oorzaken en gevolgen van vergrijzing (een ouder wordende bevolking) in verschillende regio’s.
Je kunt belangrijke push- en pullfactoren voor migratie benoemen en toelichten.
Je kent begrippen als demografische druk, selectieve migratie en migratienetwerken en kunt voorbeelden geven.
Samenvatting: In dit hoofdstuk bestuderen we de wereldbevolking: hoe die verandert en zich verplaatst. Globalisering gaat gepaard met grote migratiestromen en uiteenlopende bevolkingsontwikkelingen per regio. We bespreken het demografisch transitiemodel (waarmee je de groei van bevolkingen in fases kunt indelen) en kijken naar actuele uitdagingen zoals vergrijzing in rijke landen en aanhoudende groei in armere landen. Ook behandelen we migratie, zowel binnen landen als tussen landen, en de gevolgen daarvan.
Het demografisch transitiemodel (DTM) beschrijft de overgang van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers in vijf fasen:
Fase 1: Hoog stationair – Zowel geboorte- als sterftecijfers zijn hoog, waardoor de bevolkingsgroei laag is. Kenmerkend voor pre-industriële samenlevingen; tegenwoordig bijna geen land meer in fase 1.
Fase 2: Vroeg expansief – Betere hygiëne, medische voorzieningen en voedselvoorziening laten het sterftecijfer snel dalen, terwijl geboortecijfers nog hoog blijven. Dit leidt tot snelle bevolkingsgroei. Veel ontwikkelingslanden bevonden zich in de 20e eeuw (en sommigen nog steeds) in deze fase.
Fase 3: Laat expansief – Het geboortecijfer begint ook te dalen (door bijvoorbeeld urbanisatie, betere scholing, toegang tot anticonceptie, daling kindersterfte waardoor gezinnen minder kinderen “nodig” hebben). De groei neemt af, maar de bevolking groeit nog steeds, zij het minder snel.
Fase 4: Laag stationair – Zowel geboorte- als sterftecijfers zijn laag en in balans. De bevolkingsgroei is minimaal of nul. Dit is het geval in veel rijke westerse landen momenteel.
Fase 5: Afnemende bevolking – In sommige landen zakt het geboortecijfer zelfs onder het sterftecijfer, waardoor de bevolking krimpt als er geen migratieoverschot is. Landen als Japan en Duitsland vertonen dit patroon.
Wereldwijd bevinden landen zich in verschillende fasen van deze transitie:
Centrumlanden (rijk, ontwikkeld) zijn fase 4 of 5: hun bevolkingsgroei is zeer laag, stagnatie of zelfs krimp dreigt. Typerend is een verouderende leeftijdsopbouw met een hoog aandeel ouderen (vergrijzing).
Veel semiperiferie landen (opkomende economieën) zijn in fase 3: geboortecijfers dalen flink, maar er is vaak nog groei door demografische traagheid (veel jonge mensen die nog kinderen krijgen, al krijgen ze er minder dan hun ouders).
Veel perifere landen (vooral delen van Sub-Sahara Afrika, delen van Zuid-Azië) zitten in fase 2 of begin fase 3: hoge natuurlijke groei omdat sterfte al daalt maar geboortes nog relatief hoog zijn. Deze landen hebben doorgaans een jonge bevolking met brede bevolkingspiramides aan de onderkant.
Belangrijk om te zien is dat bevolkingsspreidingspatronen veranderen: tot omstreeks 2050 komt de meerderheid van wereldwijde bevolkingsgroei uit Afrika en Zuid-Azië, terwijl Europa en Oost-Azië (China, Japan) zullen krimpen of stagneren. Rond 2023 heeft India bijvoorbeeld China ingehaald als meest bevolkte land. Afrika’s aandeel in de wereldbevolking groeit sterk richting het einde van de 21e eeuw.
In veel rijke landen is vergrijzing een belangrijk vraagstuk. Vergrijzing betekent een stijging van het percentage ouderen (65+) in de bevolking, doordat geboortecijfers laag zijn en levensverwachting hoog. Gevolgen hiervan zijn onder andere:
Demografische druk neemt toe: de verhouding tussen de niet-actieve bevolking (jongeren <20 en ouderen >65) en de actieve beroepsbevolking (20-65) verslechtert. In vergrijzende samenlevingen moeten relatief minder werkenden het pensioen en de zorg van steeds meer ouderen financieren. Dit legt druk op pensioenstelsels en gezondheidszorg.
Tekort aan arbeidskrachten in bepaalde sectoren, wat soms aangevuld wordt met arbeidsmigranten of door langer doorwerken te stimuleren.
Verandering in vraagpatronen: een oudere samenleving besteedt bijvoorbeeld meer aan zorg en minder aan onderwijs of starterswoningen.
Tegenmaatregelen die overheden kunnen nemen om de gevolgen van vergrijzing op te vangen zijn bijvoorbeeld:
Immigratie bevorderen van jonge arbeidskrachten (een oplossing die politiek gevoelig kan zijn).
Gezinsbeleid voeren om geboortes te stimuleren (zoals kinderbijslag, betaalbaar kinderopvang, etc.), hoewel het succes daarvan vaak beperkt is.
De pensioenleeftijd verhogen zodat mensen langer werken.
Investeren in automatisering en robotica om productief te blijven met minder arbeidskrachten.
In ontwikkelingslanden speelt vergrijzing veel minder of nog niet: daar is eerder sprake van een jeugdige bevolking en soms juist druk om genoeg banen en voorzieningen voor een zeer grote groep jongeren te creëren.
Globalisering is nauw verweven met migratie, het verplaatsen van mensen van de ene naar de andere plek voor langere tijd. Migratie kan binnen een land plaatsvinden (van platteland naar stad bijvoorbeeld) of over landsgrenzen heen (immigratie/emigratie). We onderscheiden grofweg twee typen migratiemotieven:
Economische migratie: Dit betreft mensen die verhuizen om werk en een beter inkomen te vinden. Arbeidsmigranten zijn hier een groot deel van. Denk aan iemand uit Polen die in Nederland komt werken, of een Indiër die naar de Golfstaten gaat voor een baan, of interne migratie van een boerendorp naar de stad. Arbeidsmigratie gaat vaak van gebieden met weinig werk naar economische centrumgebieden met meer kansen. Dit kunnen traditionele centrumlanden zijn (VS, West-Europa), maar ook centrumgebieden in opkomende economieën (bijvoorbeeld veel Afrikanen migreren naar het relatief welvarende Zuid-Afrika, of binnen China trekken arbeiders van het arme platteland naar rijke kuststeden).
Politieke en sociaal-culturele migratie: Hieronder vallen vluchtelingen die door oorlog, vervolging of schending van mensenrechten hun land verlaten (politieke migratie). Ook migratie om gezinsredenen (gezinshereniging of -vorming) of vanwege studie kan hier gezien worden. Mensen kunnen ook vertrekken omdat ze zich niet thuis voelen in de cultuur of door discriminatie (sociaal-culturele motieven).
De redenen om ergens weg te gaan noemen we pushfactoren (afstotingsfactoren) en om ergens naartoe te gaan pullfactoren (aantrekkingsfactoren). Enkele voorbeelden:
Pushfactoren: armoede, werkloosheid, oorlog, politieke onderdrukking, natuurrampen, overbevolking.
Pullfactoren: werkgelegenheid, hogere lonen, veiligheid en vrede, vrijheid, betere voorzieningen (scholing, zorg), aanwezigheid van familie of diaspora.
Migratiestromen tegenwoordig laten zien dat:
Veel economische migratie regionaal blijft: de meeste mensen verhuizen niet naar de andere kant van de wereld maar naar een naburig rijker land. Bijvoorbeeld: binnen Afrika migreren mensen eerder naar een buurland dat iets beter af is dan meteen naar Europa. Dit werd ook gezien in examens: de meeste migranten uit Sub-Sahara Afrika blijven binnen die regio of gaan hooguit naar Noord-Afrika.
Internationale migratie richting de traditionele rijke landen blijft bestaan (zoals naar Noord-Amerika en Europa), maar kent restricties via visa en strenger beleid. Hierdoor kan migratie deels ongereguleerd of illegaal plaatsvinden, met risicovolle routes (zoals over de Middellandse Zee).
Migratiepatronen kunnen veranderen door global shift: bijvoorbeeld, door de opkomst van olie-economieën en bouwprojecten in het Midden-Oosten trekken veel Zuid-Aziatische arbeiders naar landen als Dubai, Qatar (centrumgebieden in semiperiferie).
Migratienetwerken: als eenmaal een migratiestroom op gang is gekomen van een bepaald gebied naar een ander, ontstaan gemeenschapjes en netwerken die verdere migratie faciliteren. Familie en kennissen helpen nieuwkomers, informatie over kansen reist heen en weer. Dit verklaart waarom migranten uit één dorp vaak naar dezelfde stad in het buitenland trekken – het pad is al gebaand. Deze netwerken verlagen drempels (taal, opvang, baan vinden) voor volgers.
Migratie is soms selectief: bepaalde groepen gaan eerder. Zoals genoemd jonge mannen, of juist hoogopgeleide jongeren (braindrain). Dit kan impact hebben op het herkomstland (verlies van talent) en op het bestemmingsland (aanvulling tekort sectoren, maar ook integratie-uitdagingen).
Migratie heeft effecten in meerdere dimensies:
Economisch: Geldstromen door migranten (remittances) zijn enorm. Migranten sturen vaak een deel van hun inkomen naar familie in het land van herkomst, wat in sommige economieën een groot aandeel van het nationaal inkomen is. Voor bestemmingslanden kunnen migranten economische groei stimuleren door arbeid te leveren en bij te dragen aan consumptie, maar ze kunnen ook concurreren met lokale arbeidskrachten, wat tot spanningen kan leiden.
Sociaal-cultureel: Samenlevingen worden multiculturaler. Dit verrijkt cultuur (keukens, feesten, perspectieven) en kan zorgen voor betere internationale contacten. Tegelijkertijd kan het sociale vraagstukken oproepen over integratie, discriminatie of behoud van eigen waarden. Zoals eerder genoemd kan te snelle culturele verandering voor weerstand zorgen bij zowel gastgemeenschap als migranten (die in diaspora eigen cultuur proberen te behouden).
Demografisch: Migratie kan de bevolkingssamenstelling flink beïnvloeden. Zo zorgt immigratie in vergrijzende landen voor wat verjonging van de bevolking en aanvulling van de beroepsbevolking. In sommige West-Europese landen groeit de bevolking nog uitsluitend door migratie, omdat het geboortesaldo negatief is. In herkomstlanden kan emigratie juist de bevolkingsgroei wat drukken en een tijdelijke verlichting geven als er erg veel jongeren zijn – maar als vooral de jonge, actieve groep vertrekt, kan dat de demografische druk juist verhogen (achterblijvende ouderen en kinderen).
Politiek: Migratie leidt tot beleid: landen maken afspraken (of ruzie) over wie verantwoordelijk is voor vluchtelingen, er ontstaan migratiedeals, grenzenbewaking intensifieert enz. Binnenlandse politiek ziet vaak migratie als belangrijk thema, soms leidend tot polarisatie.
In een geglobaliseerde wereld is het duidelijk dat migratie niet losstaat van andere hoofdstukken: economische globalisering zorgt voor vraag naar arbeid, culturele globalisering maakt mensen bekend met beelden van het leven elders (wat migratie aantrekkelijk kan maken), en politieke globalisering bepaalt via verdragen hoe migratie stroomt (bijvoorbeeld vrij verkeer van personen binnen de EU versus geslotenheid naar buiten).
Na dit overzicht van de wereldbevolking en migratie gaan we tot slot een casus induiken die veel elementen samenbrengt: de relatie tussen India en het Verenigd Koninkrijk, vroeger en nu.
Leerdoelen:
Je kunt verschillende indicatoren noemen (economisch, demografisch, sociaal-cultureel) waarmee je landen kunt vergelijken, en je begrijpt de beperkingen van deze indicatoren.
Je kunt beschrijven hoe de wereld in te delen is in bijvoorbeeld centrum, semiperiferie, periferie op basis van economische indicatoren, in groepen op basis van het demografisch transitiemodel, en in cultuurgebieden op basis van taal/religie.
Je begrijpt dat mondiale spreidingspatronen niet statisch zijn maar veranderen door de tijd (bijvoorbeeld door de global shift na 1980).
Je kunt uitleggen dat indelingen op nationaal niveau interne verschillen kunnen verhullen (regionale ongelijkheid binnen landen) en dat centrum-periferie-relaties op meerdere schalen voorkomen.
Samenvatting: In dit hoofdstuk brengen we de inzichten samen om te kijken naar de huidige globale verhoudingen en patronen. We leren hoe je landen kunt vergelijken aan de hand of verschillende maatstaven en hoe je de wereld kunt indelen naar welvaart, groei of cultuur. We bekijken de huidige centrum-periferieverhoudingen en hoe die verschuiven, maar ook waarom gemiddelde cijfers per land soms misleidend kunnen zijn.
Om samenhangen en verschillen in de wereld kwantitatief te beschrijven, gebruiken geografen en economen indicatoren. Dat zijn meetbare grootheden die een aspect weergeven:
Economische indicatoren: Bijvoorbeeld bruto binnenlands product per hoofd (bbp per hoofd), of het bruto nationaal product per hoofd (BNP per hoofd) – beide maatstaven voor gemiddeld inkomen/koopkracht. Ook inkomensverdeling, het aandeel van de bevolking in de landbouw vs. diensten, de ruilvoet, of het niveau van industrialisatie zijn economische graadmeters.
Demografische indicatoren: Bijvoorbeeld bevolkingsgroei (% per jaar), geboortecijfer, sterftecijfer, zuigelingensterfte, levensverwachting, urbanisatiegraad (verstedelijking). Ook het aandeel jongeren/ouderen (leeftijdsopbouw) en de demografische druk kunnen genoemd worden.
Sociaal-culturele indicatoren: Bijvoorbeeld het analfabetisme (percentage volwassenen dat niet kan lezen/schrijven) als maat voor scholingsniveau, of het percentage stadsbevolking vs. plattelandsbevolking. Ook meer direct cultureel: welke taal en religie dominant zijn, al zijn dat kwalitatieve kenmerken. De VN-ontwikkelingsindex (HDI) combineert een paar van deze soorten indicatoren (inkomen, scholing, levensverwachting) in één cijfer om human development te meten.
Met indicatoren kun je landen rangschikken en groeperen. Bijvoorbeeld, een land met een bbp per hoofd van $50.000 is duidelijk een andere categorie dan een land met $500. Maar er zijn ook beperkingen:
Gemiddelden maskeren verschillen: Nationale cijfers verbergen vaak grote regionale verschillen of sociale ongelijkheid. Een olierijk land kan een hoog gemiddeld inkomen hebben, terwijl de rijkdom bij een kleine elite zit en regio’s arm zijn. Of een land als Brazilië heeft zowel zeer ontwikkelde steden als achtergebleven plattelandsgebieden; het land gemiddeld is semiperifeer, maar intern heeft het centrum- en periferiegebieden.
Indicatoren vangen niet alles: Culturele aspecten of politieke stabiliteit zijn moeilijk in één cijfer te vangen. Bovendien kunnen landen manipuleren of slecht registreren (bijvoorbeeld bij demografische data uit conflictgebieden).
Toch zijn indicatoren nuttig om de grote patronen te zien. Zo kun je de wereld indelen in:
Hoog-inkomenslanden, midden-inkomenslanden, laag-inkomenslanden (vaak overlappend met centrum/semi/periferie).
Landen in fase 2,3,4 van DTM (fase 5 is nog zeldzaam).
Ontwikkelingslanden vs. ontwikkelde landen, hoewel deze termen steeds meer nuance vereisen.
Economisch patroon: Grofweg zien we een wereldsysteem met:
Centrumgebieden: Vroeger alleen Noord-Amerika, West-Europa, Japan/Australië. Nu moeten we hierbij ook Oost-Azië (Zuid-Korea, Taiwan, Singapore, en vooral tegenwoordig ook China als grootmacht) rekenen. Kenmerken: hoog inkomen, veel diensten, hightech-industrie, netto importeurs van grondstoffen en exporteurs van kapitaal en kennis.
Periferie: Veel landen in Sub-Sahara Afrika, delen van Zuid-Azië, sommige Latijns-Amerikaanse of Caribische landen. Kenmerken: laag inkomen, sterke afhankelijkheid van een of enkele exportproducten (grondstoffen, landbouw), groot deel van de bevolking werkt in de landbouw, beperkte industrialisering, vaak een negatieve ruilvoet (veel goedkope export, dure import).
Semiperiferie: Een brede middengroep, waaronder grote landen als India, Brazilië, Indonesië, Mexico, maar ook bijvoorbeeld Zuid-Afrika, Turkije, Vietnam. Kenmerken: middelhoog inkomen, gemengde economie (zowel industrie als diensten sterk in ontwikkeling), vaak groeiende consumptiemarkt. Deze landen hebben zich deels ontwikkeld, maar kennen intern ook grote armoede en ongelijkheid.
De verhouding tussen centrum en periferie pakt nog steeds vaak ongunstig uit voor de periferie: door een historisch zwakke positie exporteert de periferie vaak lage-waarde goederen en importeert hoge-waarde goederen, waardoor ze moeilijk economische vooruitgang boeken (slechte ruilvoet). Bovendien hebben arme landen minder politieke macht in internationale onderhandelingen, waardoor ze bijvoorbeeld beperkte inspraak hebben in handelsregels of klimaatmaatregelen die hen aangaan.
Veranderingen: Sinds de jaren 1980 is vooral de opkomst van Aziatische economieën opvallend. Global shift heeft het economische zwaartepunt verschoven richting Azië (en deels Zuid-Amerika). China is nu ’s werelds tweede (of eerste, afhankelijk hoe gemeten) economie. Hierdoor is er meer diversiteit in de periferie en semiperiferie: sommige voorheen arme landen zijn nu behoorlijk ontwikkeld. Daartegenover staan regio’s die economisch achterblijven, met name delen van Afrika die nauwelijks profiteerden van globalisering en waar conflicten en instabiliteit verdere groei remmen.
Demografisch patroon: Als we landen indelen naar fase in de demografische transitie zien we:
Rijke landen (centrum) in een laat stadium: zeer lage natuurlijke groei, sommige zelfs krimp, hoge levensverwachting, veel vergrijzing.
Armste landen (periferie) in vroeg stadium: hoge natuurlijke groei, jeugdige bevolking, dalende maar nog relatief hoge sterftecijfers, risico op overbevolking ten opzichte van voorzieningen.
Een spectrum daartussen in semiperiferie: van landen als India (die nog groeien maar waarvan geboortecijfer gedaald is) tot landen als Brazilië of China waar de groei al sterk vertraagd is en vergrijzing ook gaat spelen (China krijgt door eenjarigekind-politiek nu ook relatief snel een verouderingsprobleem).
Een algemeen beeld: wereldwijd daalt het gemiddeld aantal kinderen per vrouw al decennia. We stevenen af op een situatie in de 2e helft van de 21e eeuw waar de wereldbevolking stabiliseert of zelfs licht daalt. Maar regionaal: Europa en Oost-Azië krimpen al eerder, Afrika blijft naar verwachting nog de hele eeuw groeien (zij het vertraagd als het vruchtbaarheidscijfer daalt). Dit betekent dat Afrika’s aandeel in de wereldbevolking enorm zal toenemen (met alle uitdagingen van dien, zoals het creëren van werk en onderwijs voor een jonge bevolking), terwijl Europa’s aandeel slinkt (met uitdagingen rond krimp en vergrijzing).
Sociaal-cultureel patroon: De wereld is ook in te delen in cultuurgebieden op basis van taal, religie en geschiedenis. Vaak onderscheiden aardrijkskundeboeken bijvoorbeeld de islamitische wereld, de westerse wereld, Latijns-Amerika (Spaans/Portugees koloniale geschiedenis), Subsahara-Afrika, Zuid-Azië, Oost-Azië enz. Deze cultuurgebieden zijn door migratie en media echter minder strikt begrensd dan vroeger. Overal vind je tegenwoordig culturele mengvormen. Bijvoorbeeld, grote wereldsteden zijn kosmopolitisch met vele talen en keukens vertegenwoordigd. Toch is het nuttig om te begrijpen dat bepaalde ideeën of gebruiken regionaal clusteren en dat dit historisch komt door verspreiding (diffusie) vanuit enkele kerngebieden:
Talen zoals Engels, Spaans, Frans zijn verspreid door kolonialisme.
Religies als het christendom en de islam zijn verspreid door zowel verovering als handelscontacten en missie.
Nieuwe cultuurelementen (bijvoorbeeld technologie, mode) verspreiden zich nu grotendeels via mondiale netwerken en minder via fysieke verovering.
Cultuurgebieden zijn dus vloeibaar. Je zou kunnen zeggen dat door globalisering cultuurgebied-grenzen vager worden (“steeds moeilijker te trekken” zoals syllabus benoemt).
Zoals eerder genoemd, moet men oppassen bij globale indelingen dat die niet suggereren dat elk land intern homogeen is. Binnen landen bestaan centrum-periferie verhoudingen:
In centrumlanden (bv. VS, Duitsland) heb je regio’s die economisch floreren (steden, technologische hubs) en regio’s die krimpen of achterblijven (oude industriegebieden, afgelegen plattelandsstreken). Een stad als Londen is bijvoorbeeld het economische centrum van het VK, terwijl Noord-Engeland deels perifere trekjes heeft gekregen na de-industrialisatie.
In ontwikkelingslanden heb je vaak 1 of enkele moderne steden die als centrum fungeren (met hoofdkantoren, rijkdom, betere voorzieningen) terwijl het platteland of grensregio’s veel armer zijn. China bijvoorbeeld kent grote verschillen tussen welvarende oostkust en arme westelijke binnenlanden.
Stedelijke vs. landelijke patronen: globalisering concentreert veel groei in steden. Wereldsteden (global cities) zoals New York, Londen, Tokyo, Parijs maar ook opkomende wereldsteden als Singapore, Shanghai, Dubai, Mumbai fungeren als knooppunten in netwerken van handel, financiën en informatie. Zulke steden zijn vaak veel welvarender dan hun nationale gemiddelde en trekken migranten en investeringen aan. Tegelijk kennen ze interne sociale ongelijkheid (denk aan krottenwijken naast zakendistricten).
De mondiale patronen zijn niet statisch; ze zijn continu in beweging. Sinds de jaren 1980 (en eigenlijk al daarvoor) zien we:
Een relatieve verschuiving van macht en welvaart van het traditionele westen naar nieuwe spelers (global shift).
Een convergentie in sommige opzichten (arme landen groeien soms sneller dan rijke waardoor de kloof iets kan dichten), maar ook nieuwe breuklijnen (bijvoorbeeld binnen landen tussen winnaars en verliezers van globalisering).
Culturele grenzen worden diffuser, maar gevoelens van identiteit kunnen juist versterken.
Het indelen van de wereld helpt om het overzicht te bewaren (bijvoorbeeld in centrum/periferie of op basis van indicatoren), mits we beseffen dat dit modellen zijn met uitzonderingen en interne variatie.
In het volgende hoofdstuk passen we veel van wat we geleerd hebben toe op een specifieke casus: de relaties tussen het Verenigd Koninkrijk (VK) en India. Dat voorbeeld laat zowel historische (koloniale) banden zien als huidige economische en migratie-relaties, en geeft inzicht in hoe een voormalig imperium en voormalige kolonie in de geglobaliseerde wereld hun plek (opnieuw) bepalen.
Leerdoelen:
Je kunt beschrijven hoe de koloniale geschiedenis de band tussen India en het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft gevormd, inclusief begrippen als exploitatiekolonie en dekolonisatie.
Je begrijpt hoe globalisering de economie van het VK heeft getransformeerd (industrialisatie, de-industrialisatie, omslag naar diensten) en hoe India zich heeft ontwikkeld tot een opkomende economie.
Je kunt aangeven op welke manieren India en het VK tegenwoordig verbonden zijn (handel, investeringen, migratie, cultureel) en hoe deze relaties in meerdere dimensies plaatsvinden.
Je denkt na over de toekomstige verhouding tussen een traditioneel centrumland (VK) en een opkomend machtig land (India) in het licht van globalisering.
Samenvatting: Deze casus onderzoekt de relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en India, twee landen met een lange gezamenlijke geschiedenis. We bekijken eerst het verleden: de Britse koloniale overheersing in India en de gevolgen daarvan. Vervolgens analyseren we hoe beide landen zich in de huidige geglobaliseerde wereld ontwikkelen – het VK als voormalig wereldmacht die zich aanpast, India als gigant in opkomst. We bekijken de band tussen beide: economisch (handel en investeringen), politiek (Gemenebest, internationale samenwerking), cultureel (diaspora, taal) en demografisch (migratie). Ten slotte kijken we vooruit naar uitdagingen en kansen in deze relatie.
Het Britse Rijk in India: India (toen inclusief de huidige staten India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar) was vanaf de 17e eeuw geleidelijk onder Britse invloed gekomen. Eerst vestigde de Britse Oost-Indische Compagnie handelsposten aan de kust (bijv. Calcutta, Mumbai/Bombay, Madras). Deze fase begon als handelscontact (India leverde specerijen, textiel etc.). Gaandeweg veranderde dit in directe koloniale beheersing. In de 19e eeuw, vooral na 1857, werd India een formele kolonie van Groot-Brittannië – de kroonkolonie Brits-Indië. Het hele subcontinent kwam onder Brits bestuur. India gold als de “Kroonjuweel” van het Britse Rijk wegens zijn omvang en rijkdom aan grondstoffen en mensen.
Exploitatiekolonie: India was een typisch voorbeeld van een exploitatiekolonie. Dat wil zeggen: het werd bestuurd ten bate van het moederland. De Britten investeerden wel in infrastructuur (spoorwegen, havens) maar primair om export van grondstoffen en agrarische producten mogelijk te maken en troepen te verplaatsen. Ruwe katoen, indigo, specerijen, thee, opium, jute – tal van producten stroomden vanuit India naar Britse fabrieken of markten. Tegelijk werd een afzetmarkt gecreëerd voor Britse industriële goederen. Lokale ambachtelijke sectoren (zoals de Indiase textielnijverheid) werden verdrongen door massaproducten uit Britse fabrieken. Dit is een voorbeeld van de internationale arbeidsverdeling in koloniale vorm: kolonie levert grondstoffen, moederland levert eindproducten.
Culturele en politieke invloed: De koloniale tijd drukte ook een blijvend stempel op India. Engels werd de bestuurstaal en is tot op heden een van de officiële talen in India – het fungeert als lingua franca tussen de honderden lokale talen. Britse instituties, zoals rechtspraak, bestuur en onderwijs, werden ingevoerd. Spoorwegen en stedenbouw in koloniaal India droegen Britse kenmerken. Tegelijk hield India uiteraard een eigen sterke beschaving, waardoor Engels bestuur nooit volledig de lokale cultuur kon vervangen (bijvoorbeeld bleef de overgrote meerderheid hindoe of moslim, niet bekeerden tot christendom zoals in sommige andere koloniën sterker gebeurde).
Dekolonisatie: In de 20e eeuw groeide in India de onafhankelijkheidsbeweging, onder leiding van figuren als Mahatma Gandhi en Jawaharlal Nehru. Na lange strijd en vooral na de uitgeputting van Groot-Brittannië in de Tweede Wereldoorlog, werd India in 1947 onafhankelijk. Hierbij vond een splitsing plaats in het hindoe-meerderheidsgebied (India) en een moslimstaat (Pakistan, dat toen nog uit twee delen bestond, later viel Oost-Pakistan in 1971 weg als Bangladesh). De dekolonisatie van India markeerde het begin van het einde van het Britse wereldrijk. Tegen 1960 waren vrijwel alle Britse koloniën zelfstandig.
Commonwealth: Ondanks de onafhankelijkheid bleven er banden bestaan. In 1949 werd het Gemenebest van Naties (Commonwealth) opgericht, een vrijwillig verbond van het VK en veel van zijn voormalige koloniën. Hierin zitten momenteel 50+ landen, waaronder India. Het is vooral symbolisch en bedoeld om culturele en economische banden te onderhouden. Zo studeerden na onafhankelijkheid nog veel Indiërs in Groot-Brittannië, Britse bedrijven bleven actief in India en andersom. Het Gemenebest kent sportevenementen (Commonwealth Games) en overleg, maar geen politieke macht. India bleef binnen deze groep, wat duidt op een zekere continuïteit in relaties, zij het op basis van gelijkheid en vrijwilligheid nu.
Transformatie van de economie: Het Verenigd Koninkrijk (VK) was in de 18e en 19e eeuw de bakermat van de industrialisatie. Als eerste geïndustrialiseerde natie ter wereld kende het een enorme voorsprong. Steden als Manchester, Birmingham, Glasgow bloeiden door textiel, staal, scheepsbouw en machine-industrie. Dit maakte het VK rijk en machtig (met hulp van de koloniale inkomsten). Echter, na de Tweede Wereldoorlog en zeker vanaf de jaren 1960 zette in het VK (zoals in veel oude industriegebieden in West-Europa) de de-industrialisatie in: traditionele industrieën gingen sluiten of krimpen. Oorzaken: verouderde technologie, concurrentie uit lagelonenlanden, mijnen en fabrieken waren uitgeput of niet rendabel meer. In Noord-Engeland, Wales en Schotland vielen veel banen weg in kolen, staal en scheepsbouw.
Tegelijkertijd ontwikkelde het VK zich tot een diensten-economie. Vooral Londen en Zuid-Engeland transformeerden in de late 20e eeuw tot centra van zakelijke dienstverlening. Tegenwoordig is rond 80% van het Britse bbp afkomstig uit de dienstensector. Vooral de financiële dienstverlening is belangrijk: Londen is een van ’s werelds grootste financiële centra (met de London Stock Exchange, vele banken, verzekeraars, hedgefondsen). Andere diensten zoals media, onderwijs (veel buitenlandse studenten aan Britse universiteiten), creatieve industrie en ICT dragen ook bij.
Effecten regionaal: Deze economische verschuiving gaf een ruimtelijk patroon van ongelijkheid binnen het VK. De oude industriegebieden in Noord-Engeland en in de Midlands raakten in verval en kampen tot op heden vaker met werkloosheid en lagere inkomens. Daartegenover staat Zuidoost-Engeland (in het bijzonder Groot-Londen) dat erg welvarend is. Dit is een intern centrum-periferie contrast. De regering heeft in de loop der jaren geprobeerd te investeren in achtergebleven regio’s, maar het verschil blijft groot.
Samenleving en migratie: Het VK is door zijn verleden en globalisering zeer divers geworden. Tijdens het imperialistische tijdperk trokken al Britten de wereld over (vestigingskoloniën) maar in de tweede helft 20e eeuw gebeurde het omgekeerde: mensen uit de (ex-)kolonies kwamen naar het VK. Grote groepen immigranten kwamen bijvoorbeeld uit India, Pakistan, Bangladesh, maar ook uit Caribische eilanden en Afrika (landen die Brits geweest waren). In de jaren 1950-1970 kwamen velen om te werken in wederopbouw en de diensten, wat de Britse samenleving multicultureel maakte. Tegenwoordig is rond 7% van de Britse bevolking van Zuid-Aziatische afkomst en een vergelijkbaar percentage van Afrikaanse of Caribische afkomst.
Deze migratie leidde tot migrantenwijken in steden (bijv. Indiase en Pakistaanse gemeenschappen in Londen, Birmingham, Leicester etc.). Het heeft ook tot culturele verrijking geleid – denk aan de alomtegenwoordigheid van curry-restaurants en Bollywood-films op Britse TV-zenders, het Engels verrijkt met leenwoorden uit Hindi/Urdu, enzovoort. Aan de andere kant zijn er integratievraagstukken en spanningen geweest. Over het algemeen geldt dat de voormalige koloniale band migratie vergemakkelijkte: men sprak al Engels, had familie of netwerken in het VK, of had de Britse nationaliteit (bijv. inwoners van sommige eilanden).
Politieke positie: Het VK behoort nog steeds tot de hoogontwikkelde centrumlanden, met veel invloed in internationale organisaties (het is permanent lid van de VN-Veiligheidsraad, een kernmacht, enz.). Echter, het VK heeft te maken met de afnemende dominantie van het Westen. Recente politieke keuzes, zoals de Brexit (het uittreden uit de EU in 2020), tonen aan dat het VK moeite heeft zijn positie te bepalen in de geglobaliseerde wereld: enerzijds wilde het “soevereiniteit terug” van de EU, anderzijds moet het nu nieuwe handelsakkoorden sluiten en zijn eigen weg vinden buiten een groot blok. Dit leidt het VK ertoe om oude connecties, bijvoorbeeld met het Gemenebest en in het bijzonder met een groeiende economie als India, nieuw leven in te blazen voor handel en samenwerkingen.
Economische ontwikkeling in fasen: Sinds zijn onafhankelijkheid in 1947 heeft India een grote transformatie doorgemaakt:
Direct na onafhankelijkheid koos India onder premier Nehru voor importvervangende industrialisatie. De overheid speelde een sterke rol in de economie en men probeerde eigen industrie op te bouwen door import te beperken. Dit leidde tot ontwikkeling van een zware industrie (staal, machines) en productie van consumptiegoederen intern, maar de groei bleef gematigd door bureaucratie en weinig concurrentie.
Vanaf de jaren 1990 ging India steeds meer economisch liberaliseren. Deze omslag kwam na een financiële crisis in 1991. Tarieven werden verlaagd, buitenlandse investeringen welkom geheten, en India richtte zich op exportgerichte industrialisatie. Vrije marktzones en vrijhandelszones (vergelijkbaar met SEZ’s) werden ingesteld, vooral om productie voor export te faciliteren. Buitenlandse bedrijven begonnen te investeren vanwege India’s grote arbeidsmarkt, Engelssprekende bevolking en lage lonen. Dit trok onder meer textiel- en kledingindustrie (bijv. fabrieken voor westerse merken) en ook steeds meer hightech – bijvoorbeeld softwarebedrijven (IBM, Microsoft) openden vestigingen of lieten werk outsourcen naar India.
Tegelijk bleef India’s eigen industrie zich ontwikkelen. Tegenwoordig is India een van ’s werelds grootste staalproducenten, heeft het een enorme farmaceutische industrie, en is het een ICT-kracht (Silicon Valley bedrijven outsourcen programmeren naar Bangalore en andere Indiase steden).
Diensten en outsourcing: Al sinds de onafhankelijkheid kende India een redelijke dienstensector (vaak overheid, handel, bankwezen), maar sinds de jaren 90 is deze explosief gegroeid. Een belangrijk fenomeen is dat westerse bedrijven outsourcing toepasten naar India voor diensten: bijvoorbeeld callcenters, backoffice-werk, boekhouding, en vooral IT-services. Redenen: hoogopgeleide maar goedkopere arbeidskrachten en goede kennis van Engels, plus dankzij satelliet en internet kon men vanuit India klanten in het Westen bedienen. Steden als Bangalore, Hyderabad, Pune zijn grote IT-clusters geworden, wel eens “India’s Silicon Valley” genoemd. Deze focus op diensten is vrij uniek – waar China vooral fabriek van de wereld werd in goederen, werd India een belangrijk leverancier van diensten (en natuurlijk ook van goederen, maar relatief meer diensten dan men op vergelijkbaar inkomen zou verwachten).
Zeer snelle groei en globalisering: India heeft in de 21e eeuw een hoge economische groei gekend, soms 7-10% per jaar. Het land integreert steeds meer in de wereldeconomie: het speelt een grotere rol in internationale organisaties (India is bijvoorbeeld lid van de G20, voert campagne voor een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad, etc.). In de mondiale handel is India een grote exporteur van o.a. software, medicijnen, textiel, diamantbewerking, en een grote importeur van olie, elektronica, goud.
Interne verschillen: Ondanks de groei blijft India een land van contrasten. Ruimtelijke verschillen: het westen en zuiden van India (met steden als Mumbai, Bangalore, Chennai) zijn economisch dynamischer en welvarender dan het noorden en oosten. Sommige deelstaten hebben florerende industrieparken en goede infrastructuur, andere kampen nog met armoede, landbouwafhankelijkheid en infrastructuurtekort. Sociale verschillen: een groeiende middenklasse in de steden profiteert van globalisering, maar honderden miljoenen Indiërs leven nog in armoede, met name op het platteland. De kloof stad-platteland is aanzienlijk. Ook bestaan er nog traditionele sociale scheidslijnen (zoals kastenstelsel, al is dat officieel afgeschaft). Selectieve migratie binnen India: Veel jonge mannen trekken van dorp naar stad voor werk, wat vergelijkbaar is met de global shift patronen op wereldniveau maar dan binnen één land.
Demografie: India heeft een enorm bevolkingsaantal (ruim 1,4 miljard in 2023) en is daarmee net China voorbijgegaan als bevolkingrijkste land. Het bevindt zich demografisch in fase 3: geboortecijfers zijn gedaald van zeer hoog naar rond 2 à 2,5 kinderen per vrouw (landelijk gemiddelde), maar de bevolking groeit door het grote aandeel jonge mensen nog steeds flink. De bevolking is relatief jong; vergrijzing is nog geen urgent probleem zoals in China. Dit betekent enerzijds een potentieel demografisch dividend (jonge arbeidskrachten kunnen economische groei voortstuwen), anderzijds een enorme uitdaging om voldoende banen, onderwijs en voorzieningen te scheppen. India heeft in absolute aantallen de meeste armen ter wereld, maar ook de meeste middelbare scholieren ter wereld – de schaal is gigantisch in elk opzicht.
Gezien de geschiedenis en de globalisering zijn India en het VK op diverse manieren verbonden:
Handel en economie: Het volume van de handel tussen beide landen is aanzienlijk. Het VK importeert vanuit India onder meer farmaceutische producten, textiel/kleding, juwelen, auto-onderdelen en diensten (IT-support). India importeert vanuit het VK zaken als machines, voertuigen, consultancydiensten en onderwijs (Indiase studenten naar Britse universiteiten). Er bestaan speciale handelsregelingen binnen het Gemenebest die soms kleine voordelen geven, maar sinds Brexit zoekt het VK een omvangrijk vrijhandelsverdrag met India om de wederzijdse handel te stimuleren.
Investeringen: Wederzijdse investeringen zijn ook tekenend. Bijvoorbeeld, Indiase bedrijven investeren in het VK: Tata Group (een Indiaas conglomeraat) kocht bekende Britse bedrijven als Jaguar Land Rover (automerk) en Corus (staal, voorheen British Steel). Tata is daarmee een grote werkgever in het VK. Anderzijds zijn er nog steeds Britse bedrijven actief in India; denk aan Standard Chartered (bank), Unilever (via Hindustan Unilever) en meerdere olie-/energiebedrijven. Londen blijft bovendien een financieel knooppunt waar ook veel Indiaas kapitaal doorheen stroomt (rijke Indiërs beleggen in vastgoed in Londen, Indiase bedrijven halen kapitaal op via de Londense beurs, etc.).
Migratie en diaspora: Er is een grote Indiase diaspora in het VK. Miljoenen Britten hebben Indiase of Zuid-Aziatische roots. Dit zorgt voor persoonlijke en culturele banden: familiebezoek over en weer, Indiërs die naar het VK emigreren voor werk of studie, en in mindere mate Britten die in India werken (soms expats in bijvoorbeeld de steden of gepensioneerden die in India goedkoper gaan wonen). Ook visumbeleid is hier relevant: het VK heeft na Brexit ook zijn immigratiesysteem hervormd en werft gericht hoogopgeleiden internationaal – veel hoogopgeleide Indiërs komen zo naar het VK in de IT, gezondheidszorg (veel artsen/verpleegkundigen uit India in de NHS) of financiële sector.
Cultuur en soft power: De gedeelde taal Engels is een enorme culturele brug. Indiase elites spreken vloeiend Engels en consumeren Britse media; omgekeerd zijn Britse instituten (BBC, Britse kranten) actief in India. Er is ook een groeiende interesse in Indiase cultuur in het VK (Bollywood-films draaien in Britse bioscopen, Diwali vieringen in Londen, etc.). Tevens spelen beide landen samen in bijv. cricket – een sport door de Britten gebracht die nu India’s populairste sport is; wedstrijden tussen Engeland en India zijn symbolisch beladen en trekken veel publiek.
Politiek gezien zijn beide landen democratieën en delen waarden zoals een rechtsstaat (deels op Brits model). Binnen het Gemenebest onderhouden ze warme betrekkingen, al is India ook assertief autonoom (bijvoorbeeld in niet automatisch meegaan in alle westerse posities, India positioneert zich vaak als leider van ontwikkelingslanden of neutraal tussen machtsblokken).
De casus India-VK illustreert een bredere trend: voormalige periferielanden kunnen opklimmen en een nieuwe positie innemen in de wereldorde. India zal naar verwachting de komende decennia blijven groeien in economie en invloed. Het Verenigd Koninkrijk is nog steeds een belangrijk land, maar relatief kleiner op het wereldtoneel dan een eeuw geleden.
Mogelijke ontwikkelingen:
Economische samenwerking: Beide landen kunnen veel winnen bij intensievere handel. Het VK zoekt na Brexit nieuwe handelspartners en markten, en India’s gigantische markt en economische groei zijn aantrekkelijk. Voor India is toegang tot Britse technologie, financiële diensten en de relatief rijke consumentenmarkt ook voordelig. Een vrijhandelsverdrag zou dit kunnen bevorderen, hoewel onderhandelingen hierover soms botsen op zaken als visumkwesties en protectie van bepaalde sectoren.
Migratie en kennisuitwisseling: Waarschijnlijk zal de stroom van studenten en professionals uit India naar het VK aanhouden, gezien het VK’s behoefte aan talent en India’s grote pool aan opgeleiden. Dit kan voor beide voordelig zijn (remittances terug naar India, kennis voor het VK). Tegelijk zou dit voor India braindrain kunnen betekenen, maar India’s bevolking is zo groot dat het deels op te vangen is.
Machtsverhouding verschuift: Het is goed mogelijk dat India economisch rond 2030-2040 tot de top-3 economieën ter wereld hoort (naast VS en China). Het VK zal kleiner daarbij afsteken. Dit betekent dat op termijn India misschien meer invloed zal hebben binnen internationale organisaties dan het VK, om puur gewicht. De relatie kan dus verschuiven van de oude koloniale hiërarchie naar een verhouding waar India gelijkwaardig of zelfs dominerend is in bepaalde aspecten. Men spreekt wel van de 21e eeuw als de “Aziatische eeuw”.
Cultureel blijven de banden uniek: Weinig ex-kolonie – ex-moederland relaties zijn zo nauw als die tussen India en het VK, vanwege de taal en diaspora. Dit zou een voordeel kunnen blijven: in een multipolaire wereld kan het VK als brug fungeren tussen Westen en India (en Indiase invloedssfeer), en India kan via zijn diaspora in het Westen makkelijker soft power uitoefenen.
Uiteraard zijn er ook mogelijke spanningen: bijvoorbeeld, de Britse koloniale verleden is niet vergeten in India; kwesties als racisme of immigratiebeleid in het VK kunnen wrijving geven; India’s neutralere houding t.a.v. Rusland/China kan botsen met Britse geopolitieke standpunten. Maar over het algemeen is de casus India-VK er een van hoe globalisering historische verhoudingen transformeert: een voormalige exploitatiekolonie is nu een economisch powerhouse aan het worden, terwijl het oude imperium zich opnieuw moet positioneren zonder kolonies maar mét diaspora en historische connecties.
Beide landen blijven verbonden door de draad van de geschiedenis, maar weven nu op meer gelijkwaardige basis een nieuwe band in de geglobaliseerde wereld.
Afwenteling in ruimte en tijd: Het verschijnsel dat milieuproblemen of andere lastige effecten worden verplaatst naar een andere plaats of naar de toekomst, zodat de veroorzakers er nu geen last van hebben (bijv. rijke landen die hun vervuiling 'exporteren' naar arme landen, of huidige generaties die toekomstige generaties laten opdraaien voor milieuschade).
Americanisering: Wereldwijde verspreiding en overname van Amerikaanse cultuurelementen, zoals voedsel, muziek, taal en waarden.
Arbeidsmigratie: Migratie met het doel om in een ander land of gebied te gaan werken; economische migratie.
BBP/BNP per hoofd: Bruto Binnenlands Product / Bruto Nationaal Product per inwoner, maat voor gemiddeld inkomen of productie per persoon in een land.
Beroepsbevolking (samenstelling van): De verdeling van werkenden over sectoren (primaire sector = landbouw, secundaire = industrie, tertiaire = diensten, eventueel quartaire = hoogtechnologische diensten). Ontwikkelde landen hebben een groot deel in diensten, ontwikkelingslanden meer in landbouw.
Centrum, semiperiferie, periferie: Indeling van de wereld (of een regio) in kerngebieden met hoge welvaart en veel macht (centrum), tussengebieden met gemiddelde ontwikkeling (semiperiferie) en achtergebleven gebieden met lagere welvaart (periferie). Gebruikt in het wereldsysteemmodel.
Culturele diffusie: Verspreiding van cultuurelementen (zoals taal, religie, gewoonten) van het ene gebied naar het andere.
Culturele globalisering: Proces waarbij culturen wereldwijd steeds meer met elkaar verweven raken en wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt.
Culturele identiteit: Het gevoel van verbondenheid met een bepaalde cultuur of groep, vaak gekenmerkt door gedeelde taal, tradities, geschiedenis en waarden.
Cultuurgebied: Regio waarin de meeste mensen een aantal cultuurkenmerken delen, zoals taal, religie of leefstijl. Bijvoorbeeld het Arabische cultuurgebied of Latijns-Amerika.
Demografische druk: Verhouding tussen de niet-werkende bevolking (jongeren en 65+ samen) en de werkende bevolking (20-65 jaar). Een hoge demografische druk betekent dat relatief weinig werkenden voor de lasten van veel niet-werkenden moeten opkomen.
Demografisch transitiemodel: Model dat de overgang beschrijft van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage geboorte- en sterftecijfers in vijf fasen. Illustreert de veranderingen in bevolkingsgroei naarmate landen ontwikkelen.
Diffusie (van cultuurelementen): Zie culturele diffusie.
Dimensie (geografisch): Invalshoek van waaruit je geografische vraagstukken bekijkt. Belangrijke dimensies: fysisch (natuurlijk), economisch, sociaal-cultureel, demografisch en politiek.
Duurzaamheid: Het streven om aan huidige behoeften te voldoen zonder het vermogen van toekomstige generaties in gevaar te brengen om aan hun behoeften te voldoen. In praktijk: een ontwikkeling die economisch, sociaal én ecologisch verantwoord is.
Exploitatiekolonie: Kolonie die door het moederland bestuurd wordt om er grondstoffen en landbouwproducten vandaan te halen (uitbuiting). Er vestigen zich relatief weinig mensen uit het moederland. Voorbeelden: veel Afrikaanse en Aziatische koloniën.
Global shift: De verschuiving van het economische zwaartepunt in de wereld, bijvoorbeeld de recente verschuiving van West naar Oost (opkomst van Azië).
Globalisering (mondialisering): Proces van toenemende mondiale integratie op economisch, politiek en cultureel gebied. Grenzen vervagen en verbindingen tussen mensen en plaatsen nemen toe.
Handelsbelemmeringen: Maatregelen die de vrije import of export van goederen vertragen of tegenhouden, zoals invoertarieven, quota of subsidies aan de eigen producenten.
Lingua franca: Een taal die als gemeenschappelijke communicatietaal wordt gebruikt door mensen met verschillende moedertalen. In de huidige wereld is Engels de belangrijkste lingua franca.
Lokalisering (verzet tegen globalisering): Beweging of trend waarbij nadruk wordt gelegd op het behoud van lokale identiteit en eigenheid, als reactie op globalisering. Kan zich uiten in bijv. consumptie van lokale producten, promotie van eigen taal/cultuur.
Migratienetwerk: Het netwerk van relaties tussen migranten en achterblijvers in herkomstgebieden en eerdere migranten in bestemmingsgebieden. Zo’n netwerk (familie, vrienden) kan migratie vergemakkelijken door informatie en steun.
Multinationale onderneming (MNO): Groot bedrijf met vestigingen in meerdere landen. Speelt een sleutelrol in economische globalisering door investeringen en productie internationaal te verspreiden.
Offshoring: Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten (meestal productie of diensten) naar een ander land, vaak om kosten te besparen.
Push- en pullfactoren: Afstotings- en aantrekkingsfactoren die migratie beïnvloeden. Pushfactoren (zoals armoede of oorlog) duwen mensen weg uit een gebied; pullfactoren (zoals werk of veiligheid) trekken mensen aan naar een gebied.
Reshoring: Het terughalen van eerder geoffshorede bedrijfsactiviteiten naar het eigen land, bijvoorbeeld vanwege kwaliteitsproblemen of veranderde kostenvoordelen.
Ruilvoet: De verhouding tussen de prijs van exportproducten en de prijs van importproducten voor een land. Een verslechterende ruilvoet betekent dat een land voor eenzelfde hoeveelheid export steeds minder import kan aanschaffen.
Selectieve migratie: Migratie waarbij bepaalde groepen mensen oververtegenwoordigd zijn, bijvoorbeeld vooral jonge mannen of juist hoogopgeleiden die migreren.
Speciale Economische Zone (SEZ): Aparte zone in een land waar andere (gunstigere) economische wetten gelden, bedoeld om buitenlandse investeringen en bedrijvigheid aan te trekken. Bijvoorbeeld lage belastingen en weinig importbeperkingen.
Tijd-ruimtecompressie: Proces waarbij door technologische vooruitgang (vooral in transport en communicatie) de relatieve afstand tussen plaatsen kleiner wordt. Reizen en informatie-uitwisseling kosten steeds minder tijd en moeite, waardoor de wereld als het ware ‘krimpt’.
Triade: de drie belangrijkste economische kernregio’s in de wereld: Noord-Amerika, Europa en Oost-Azië. Deze gebieden domineren de internationale handel en vormen samen het hart van de wereldeconomie.
Vrijhandel: Handel tussen landen zonder tariefmuren of andere restricties, zodat goederen en diensten vrij kunnen worden in- en uitgevoerd.
Wereldhandelsorganisatie (WTO): Internationale organisatie die toeziet op regels voor de wereldhandel en streeft naar liberalisering van handel. Heeft als doel handelsconflicten te verminderen en vrije handel te bevorderen.
Wereldstad: Zeer grote stad die een belangrijke rol speelt in de mondiale economie en netwerken, met functies op financieel, cultureel en politiek gebied (bijv. New York, Londen, Tokyo). Wereldsteden zijn knooppunten van globalisering.
Wereldsysteem: Het geheel van relaties tussen landen, ingedeeld in centrum, semiperiferie en periferie. Beschrijft de structuren van exploitatie en afhankelijkheid op mondiaal niveau (volgens o.a. de theorie van Wallerstein).