Van de verspreiding van het christendom en de islam tot de opkomst van feodale verhoudingen en de agrarische cultuur
Doelen:
Hoe het christendom en de islam zich verspreidden en invloed hadden op de Europese en mondiale geschiedenis
Wat het hofstelsel en horigheid betekenden voor de samenleving in de vroege Middeleeuwen
Hoe het feodalisme invloed had op de politieke structuren en het dagelijks leven in West-Europa
Verspreiding van het christendom: Het christendom verspreidde zich door Europa, vooral door missionarissen, zoals Sint-Patrick en de steun van koningen zoals Clovis
Ontstaan en verspreiding van de islam: De islam verspreidde zich snel door het Midden-Oosten en Spanje, leidde tot culturele uitwisseling en militaire confrontaties (zoals de Slag bij Poitiers)
Agrarische cultuur en hofstelsel: Vervanging van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische samenleving, georganiseerd via het hofstelsel en horigheid
Feodale verhoudingen in het bestuur: Het ontstaan van feodale verhoudingen, waarbij de macht verdeeld was tussen koning en leenheren, met een decentralisatie van macht en leenstelsel
Het christendom verspreidde zich in de vroege Middeleeuwen snel door Europa, mede door de missionaire activiteiten van monniken en het steun van politieke leiders.
Verspreiding van het christendom:
Rolverdeling van de kerk: Na de val van het Romeinse Rijk was de katholieke kerk een belangrijke eenheid die stabiliteit bracht in een verscheurd Europa.
Monniken als missionarissen: Monniken, zoals Sint-Patrick in Ierland, speelden een cruciale rol bij het bekeren van de heidense volkeren in Europa.
Koning Clovis en de Franken: De Frankische koning Clovis bekeerde zich in 496 tot het christendom en gaf het christendom een stevige positie in het Frankische rijk.
Het pausdom en de wereldlijke macht: De paus speelde een centrale rol in het leiden van de kerk, en zijn invloed breidde zich uit over Europa, wat zorgde voor politieke en religieuze samenwerking.
Gevolgen van de verspreiding:
Stichting van kloosters: Kloosters werden belangrijke centra voor onderwijs, cultuur en handel, en speelden een sleutelrol in de bewaring van kennis uit de oudheid.
Bekering van heidense volkeren: Europa werd steeds meer christelijk, wat leidde tot de ondergang van heidense religies en rituelen.
De opkomst van de islam in de 7e eeuw onder de profeet Mohammed leidde tot de snelle verspreiding van het islamitische rijk en de invloed van de islam in het Midden-Oosten en delen van Europa.
Oorsprong van de islam:
Profeet Mohammed: Mohammed predikte de islam in de 7e eeuw na Christus in het huidige Saoedi-Arabië. Het geloof richt zich op het aanbidden van één God (Allah) en het volgen van de Koran als heilige tekst.
Expansie van het islamitische rijk: Na de dood van Mohammed breidde het islamitische rijk zich snel uit door veroveringen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en delen van Spanje.
Verspreiding naar Europa:
Spanje en het Iberisch Schiereiland: In 711 veroverden de Arabieren grote delen van Spanje, waar de islam zich sterk verspreidde. Het kalifaat van Córdoba werd een belangrijk centrum van cultuur en wetenschap.
Vechten om invloed in Europa: De Slag bij Poitiers (732), waar de Franken onder Karel Martel de moslims versloegen, betekende het einde van de islamitische expansie in Europa.
Gevolgen van de verspreiding van de islam:
Culturele uitwisseling: De islam bracht kennis van wiskunde, astronomie en filosofie naar Europa, wat later invloed had op de Europese Renaissance.
Religieuze en culturele rivaliteit: De islamitische expansie leidde tot rivaliteit met het christendom, wat zich later uitte in de kruistochten.
Na de val van het Romeinse Rijk in de 5e eeuw verviel het agrarisch-urbane systeem, en ontwikkelde Europa zich naar een zelfvoorzienende agrarische cultuur, die werd georganiseerd via het hofstelsel en het gebruik van horigheid.
Kenmerken van het hofstelsel:
Zelfvoorzienende boerderijen: In plaats van de stedelijke markten van de Romeinen, was de landbouw nu gericht op zelfvoorziening. Dorpelingen produceerden alles wat ze nodig hadden voor eigen gebruik.
Hofstelsel: Het hofstelsel was het systeem waarbij een heer land in bezit had en horigen (boeren) het land bewerkten. In ruil voor bescherming en het recht om op het land te werken, gaven de horigen een deel van hun opbrengst aan de heer.
Horigheid: Horigen waren boeren die gebonden waren aan de grond en weinig vrijheid hadden. Ze konden niet zomaar hun land verlaten.
Gevolgen:
Afname van handel: Er ontstonden nauwelijks markten en de handel ging achteruit. De steden, die ooit de motor van de economie waren, raakten in verval.
Versterking van feodale verhoudingen: Het hofstelsel bevorderde de feodale verhoudingen, waarbij de macht in handen was van de landeigenaren en de boeren als onderdanen leefden.
KA12. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur (8e-10e eeuw)
Na de ineenstorting van het Romeinse rijk ontstond in West-Europa het feodalisme, een systeem waarbij de macht en het landbezit in handen van leenheren kwamen, die hun land verdeeld over hun vazallen.
Kenmerken van feodale verhoudingen:
Leenstelsel: Koningen gaven grote stukken land in leen aan vazallen (adel), die het land in ruil voor militaire dienst en trouw aan de koning beheerden.
Verdeeldheid van macht: De macht was sterk verdeeld; de koning had theoretisch de hoogste macht, maar de lokale leenheren hadden op hun grondgebied vrijwel volledige controle.
Vazallen en leenmannen: De vazallen hadden hun eigen ondergeschikte leenmannen die kleinere delen van het land beheerden, wat het feodale netwerk uitbreidde.
Gevolgen van het feodalisme:
Verlies van centrale controle: Het feodale systeem leidde tot een sterk gedecentraliseerd bestuur, waarbij de lokale heersers veel meer macht hadden dan de koning.
Beveiliging en bescherming: Het systeem bood bescherming tegen invallen en plunderingen, vooral na de invallen van de Vikingen en andere barbaarse stammen, maar het verhinderde ook een efficiënte centrale administratie.