In de late 16e eeuw trad Engeland toe tot de Europese overzeese expansie (KA18). Tot dat moment hadden vooral Spanje en Portugal een leidende positie opgebouwd met hun rijkdommen uit Latijns-Amerika en Azië. Engeland voelde zich in deze machtsstrijd achtergesteld en zag kansen in Noord-Amerika, dat nog grotendeels buiten directe controle van Europese grootmachten viel. Bovendien was de expansie doordrenkt van religieuze en politieke motieven: Engeland was na de reformatie (KA21) officieel protestants, en in de strijd met het katholieke Spanje werd kolonisatie gezien als een manier om het protestantse geloof én de Engelse invloed uit te breiden.
De eerste poging tot vestiging was de kolonie Virginia (1585), genoemd naar Elizabeth I, de “Virgin Queen”. Deze expeditie mislukte, maar in de vroege 17e eeuw kwamen er permanente nederzettingen zoals Jamestown (1607) en de Plymouth Colony (1620). Hier vestigden zich onder andere de Pilgrim Fathers, Engelse protestanten die om religieuze redenen een nieuwe samenleving wilden opbouwen.
De Engelse koloniën in Noord-Amerika ontwikkelden zich op uiteenlopende manieren.
Noordelijke koloniën:
Deze waren vooral vestigingskoloniën, waar immigranten uit Engeland landbouwbedrijven, nijverheid en handel ontwikkelden. De koloniale samenleving kende vaak een religieus karakter, met nadruk op gemeenschapszin en soberheid. Steden als Boston en New Haven groeiden uit tot handelscentra.
Zuidelijke koloniën:
In Virginia, de Carolinas en Georgia ontstonden grote plantage-economieën. Exportproducten als tabak, rijst en later katoen bepaalden de welvaart. Deze plantages waren vanaf het begin afhankelijk van Afrikaanse slaven, die per schip werden aangevoerd.
Caribische koloniën:
Hier bevonden zich de meest winstgevende gebieden van het Britse rijk in Amerika. Koloniën als Barbados en Jamaica leverden enorme hoeveelheden suiker, geproduceerd door slaafgemaakten die vaak de meerderheid van de bevolking vormden. De Caribische eilanden waren cruciaal voor de Britse welvaart en vormden een spil in de wereldeconomie (KA25).
In eerste instantie waren er handelsrelaties tussen Engelsen en de inheemse volken. Zo werd bont geruild tegen wapens en metalen gereedschappen. Al snel ontstonden echter spanningen door de groeiende koloniale expansie. Europese ziektes als pokken en mazelen decimeerden de inheemse bevolking, en oorlogen en verdrijvingen deden de rest. De oorspronkelijke bewoners verloren in hoog tempo land en autonomie. Daarmee veranderde het demografische en culturele landschap van Noord-Amerika voorgoed.
De plantagekolonies konden niet bestaan zonder slavenarbeid. Engeland organiseerde dit via de Royal African Company (1660), die de driehoekshandel structureerde:
uit Engeland gingen wapens, textiel en alcohol naar West-Afrika;
uit Afrika werden honderdduizenden slaven verscheept naar Amerika;
uit Amerika keerden schepen terug met suiker, katoen en tabak.
Deze handel maakte de Britse economie rijk en was een voorbeeld van de uitbouw van Europese overheersing en de trans-Atlantische slavenhandel (KA29). Vooral de Caribische eilanden werden daardoor de winstmotor van het Britse rijk.
In de 18e eeuw kwamen Verlichte ideeën (KA27) ook in de koloniën terecht. Filosofen als John Locke benadrukten dat mensen van nature rechten hadden, zoals leven, vrijheid en eigendom. Montesquieu ontwikkelde het idee van de trias politica: een scheiding der machten die tirannie moest voorkomen.
De Amerikaanse kolonisten voelden zich steeds vaker tekortgedaan door het moederland. Ze betaalden belastingen, maar hadden geen zetels in het Britse parlement. Dit leidde tot de leus “No taxation without representation”.
De frustraties groeiden uit tot een open conflict. In 1776 verklaarden de dertien koloniën hun onafhankelijkheid en vormden de Verenigde Staten van Amerika. Dit was niet alleen een keerpunt in de Britse koloniale geschiedenis, maar ook een cruciale stap in de reeks van democratische revoluties (KA30).
Tegen het einde van de 18e eeuw klonk in Groot-Brittannië steeds luider de roep om de slavernij af te schaffen. Dit abolitionisme (KA29) was geworteld in zowel religieuze overtuigingen (vooral quakers en evangelische christenen) als in de idealen van de Verlichting.
Onder druk van deze beweging voerde Groot-Brittannië ingrijpende maatregelen door:
in 1807 werd de slavenhandel afgeschaft;
in 1833 werd ook de slavernij zelf in bijna alle Britse koloniën verboden.
Voor eilanden als Jamaica en Barbados betekende dit een economische neergang. Tegelijk positioneerde Groot-Brittannië zich als morele leider in de strijd tegen slavernij, waarmee het zijn internationale prestige versterkte.
1585 – stichting van Virginia, eerste (mislukte) kolonie.
1620 – Pilgrim Fathers stichten Plymouth Colony.
1660 – oprichting Royal African Company.
1776 – Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring.
1807 – afschaffing slavenhandel.
1833 – afschaffing slavernij.
Kolonie – overzees gebied onder bestuur van een Europees land.
Pilgrim Fathers – Engelse protestanten die in 1620 een kolonie stichtten in Noord-Amerika.
Plantagekolonie – kolonie gericht op grootschalige productie van landbouwproducten met slavenarbeid.
Driehoekshandel – handelsnetwerk tussen Europa, Afrika en Amerika.
Royal African Company – Britse handelscompagnie die de slavenhandel organiseerde.
Abolitionisme – beweging die streed voor de afschaffing van slavernij.
No taxation without representation – leus van kolonisten tegen Britse belastingen zonder politieke inspraak.
Onafhankelijkheidsverklaring (1776) – begin van de VS, gebaseerd op verlichte idealen.
Toen de Verenigde Staten in 1776 onafhankelijk werden, verloor Groot-Brittannië zijn belangrijkste koloniën in Noord-Amerika. Het zwaartepunt van het Britse wereldrijk verschoof daarna naar Azië, en vooral naar India. Vanaf de late 18e eeuw groeide India uit tot dé kernkolonie van het rijk, die in de 19e eeuw zelfs bekend kwam te staan als de “kroonjuweel van het Britse Rijk”.
Sinds het begin van de 17e eeuw dreef de East India Company handel met de machtige Mogol-vorsten. In de kuststeden werden factorijen gesticht, waar Europese kooplieden goederen opsloegen en doorvoerden. Zolang de Mogoldynastie sterk bleef, was de Britse invloed beperkt tot handel. Maar toen het Mogolrijk verzwakte, grepen de Britten hun kans.
Een belangrijk keerpunt was de Slag bij Plassey (1757), waarbij de East India Company de Nawab van Bengalen en zijn Franse bondgenoten versloeg. In 1765 kreeg de Company met het Verdrag van Allahabad het recht om belastingen te innen in Bengalen. Dit betekende de feitelijke start van het Britse koloniale rijk in India.
In de loop van de 18e en vroege 19e eeuw breidde de East India Company haar macht steeds verder uit. Zij beschikte over een groot eigen leger, grotendeels bestaand uit Indiase soldaten (sepoys) onder leiding van Britse officieren. Het bestuur werd geleid door een kleine groep Britten die gebruikmaakte van bestaande Indiase structuren en elites.
India leverde niet alleen handelsproducten zoals katoen en indigo, maar werd ook een afzetgebied voor Britse manufacturen. De komst van de industriële revolutie in Groot-Brittannië (eind 18e eeuw) versterkte dit patroon: Britse katoenindustrieën overspoelden de Indiase markt en brachten de traditionele huisnijverheid in verval. India werd zo steeds meer een kolonie die de Britse industrie voedde met grondstoffen én een markt bood voor Britse eindproducten.
In 1857 brak er een grote opstand uit in het Brits-Indische leger. Deze Sepoy-opstand (ook wel Indiase Opstand genoemd) ontstond door religieuze spanningen, slechte omstandigheden en onvrede over Britse overheersing. Hoewel de opstand breed gedragen was, werd hij door de Britten bloedig neergeslagen.
Het gevolg was groot: de Britse regering ontbond de East India Company en nam India in 1858 direct over. Koningin Victoria werd in 1877 officieel uitgeroepen tot keizerin van India. Vanaf dat moment was India niet langer slechts een handelsgebied, maar een volwaardige kolonie onder kroonbestuur.
India had in de 19e eeuw enorme betekenis voor Groot-Brittannië:
Economisch: India leverde katoen, thee, indigo en opium. Het was een afzetmarkt voor Britse industrieproducten. Investeringen in spoorwegen, havens en telegrafie dienden vooral Britse handelsbelangen.
Strategisch: India werd beschermd door de Royal Navy en door een groot Brits-Indisch leger. Het lag centraal tussen Europa en Oost-Azië en was van groot belang voor de Britse wereldmacht.
Cultureel en ideologisch: Britten beschouwden hun overheersing als een “beschavingsmissie”. Engelse taal, rechtssysteem en onderwijs werden ingevoerd. Tegelijk werden veel Indiase gebruiken afgewezen of verboden.
Een belangrijke infrastructuurontwikkeling was de aanleg van spoorwegen en de opening van het Suezkanaal (1869), waardoor de verbinding tussen Londen en Bombay veel korter werd. Dit versterkte de integratie van India in het Britse rijk.
De Britse aanwezigheid bracht ook nieuwe ideeën naar India. Hoogopgeleide Indiërs, opgeleid in het Engelse onderwijssysteem, maakten kennis met Verlichte en liberale denkbeelden. In 1885 richtten zij het Indian National Congress op. Aanvankelijk streefden zij naar meer inspraak binnen het Britse bestuur, niet naar onafhankelijkheid. Toch was dit het begin van een emancipatiebeweging die later zou uitgroeien tot de strijd om volledige onafhankelijkheid.
1757 – Slag bij Plassey: begin Britse territoriale macht in India.
1765 – Verdrag van Allahabad: East India Company krijgt belastingrecht in Bengalen.
1857 – Sepoy-opstand, bloedig neergeslagen.
1858 – India onder rechtstreeks bestuur van de Britse Kroon.
1877 – Koningin Victoria uitgeroepen tot keizerin van India.
1885 – Oprichting Indian National Congress.
East India Company – Britse handelsmaatschappij met grote macht in India.
Sepoy-opstand (1857) – opstand van Indiase soldaten tegen de Britten.
Kroonkolonie – kolonie direct bestuurd door de regering in Londen.
Suezkanaal (1869) – kanaal dat de vaartijd naar India drastisch verkortte.
Indian National Congress (1885) – eerste politieke organisatie van hoogopgeleide Indiërs.
In de tweede helft van de 18e eeuw begon in Groot-Brittannië een proces dat de wereld blijvend zou veranderen: de industriële revolutie. Uitvindingen als de Spinning Jenny en de stoommachine maakten massaproductie mogelijk. De bevolking groeide door betere landbouwmethoden en ziektebestrijding, waardoor zowel de vraag naar goederen als het aanbod van goedkope arbeidskrachten toenam. Groot-Brittannië had dankzij zijn koloniale rijk een uitzonderlijk voordeel: het beschikte over goedkope grondstoffen, kapitaal om te investeren en wereldwijde markten om zijn producten af te zetten.
Het Britse wereldrijk leverde de grondstoffen die de fabrieken nodig hadden. Katoen uit India en de zuidelijke Verenigde Staten voedde de textielindustrie, terwijl suiker, tabak en thee uit het Caribisch gebied en Azië de vraag in Europa voedden. Tegelijkertijd werden de koloniën zelf belangrijke afzetmarkten. Zo werd India in de 19e eeuw overstroomd met Britse textielproducten, waardoor de lokale huisnijverheid grotendeels instortte.
De winsten uit deze koloniale handel vloeiden terug naar Groot-Brittannië en werden geïnvesteerd in infrastructuur zoals kanalen, spoorwegen en havens. Het gevolg was dat Groot-Brittannië zich ontwikkelde tot de werkplaats van de wereld en een onbetwiste economische wereldmacht.
De industriële revolutie veranderde de sociale structuur van Groot-Brittannië drastisch.
Fabrikanten en ondernemers vormden een nieuwe economische elite die hun fortuin verdienden met textiel, mijnbouw en staal.
Een groeiende middenklasse bestond uit kooplieden, juristen, ambtenaren en bankiers.
De arbeidersklasse leefde in snelgroeiende industriesteden, vaak in erbarmelijke omstandigheden. Arbeiders werkten 12 tot 16 uur per dag, kinderen werden massaal ingezet in fabrieken en mijnen, en arbeiderswijken waren overvol en ongezond.
Deze problemen werden bekend als de sociale kwestie: de vraag hoe de overheid en samenleving moesten omgaan met de armoede, uitbuiting en slechte leefomstandigheden van de arbeiders.
Aanvankelijk gold de liberale opvatting dat de overheid zich niet met de economie moest bemoeien. Toch werd de druk groter om in te grijpen. Vanaf 1833 kwamen de eerste Factory Acts, die onder meer kinderarbeid beperkten en de werktijd reguleerden.
Een belangrijke rol hierbij speelde Robert Owen (1771–1858). Owen was een fabrikant die in zijn fabriekdorp New Lanark liet zien dat goede arbeidsomstandigheden samengingen met winstgevend ondernemen. Hij zorgde voor kortere werkdagen, scholing voor kinderen en fatsoenlijke huisvesting. Owen was ervan overtuigd dat betere omstandigheden de arbeiders niet alleen gelukkiger, maar ook productiever maakten. Hij geldt als pionier van het socialisme en de coöperatieve beweging.
Andere denkers en bewegingen beïnvloedden dit debat:
Karl Marx en Friedrich Engels analyseerden de ellende van de arbeidersklasse en riepen in 1848 op tot een proletarische revolutie.
Jeremy Bentham en John Stuart Mill verdedigden het utilitarisme (het grootste geluk voor het grootste aantal) en pleitten voor politieke hervormingen en vrouwenrechten.
Christelijke hervormers (zoals de methodisten) benadrukten de morele plicht tot sociale steun, wat later confessionele stromingen voedde.
Arbeiders begonnen zich te organiseren in vakbonden en bewegingen zoals de Chartisten, die algemeen kiesrecht eisten. Hoewel de overheid aanvankelijk fel ingreep, lukte het arbeiders om meer rechten en politieke invloed te veroveren. Dit proces hing samen met de voortschrijdende democratisering (KA35) en de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen (KA36) als liberalisme, socialisme en feminisme.
Door de koloniale winsten en de groei van de industrie ontwikkelde Londen zich tot het financiële hart van de wereld. Banken, verzekeraars en rederijen ondersteunden de wereldhandel. De Eerste Wereldtentoonstelling van 1851 in het Crystal Palace symboliseerde dit succes: Groot-Brittannië presenteerde zichzelf als de werkplaats van de wereld en het centrum van beschaving en vooruitgang.
Na 1870 kreeg Groot-Brittannië te maken met concurrentie van de Verenigde Staten en Duitsland, die hun eigen industriële revoluties doormaakten. Om hun economische positie te behouden, breidden de Britten hun wereldrijk verder uit: dit was de periode van het moderne imperialisme (KA33). Rond 1900 heerste Groot-Brittannië over een kwart van de wereldbevolking en een kwart van het aardoppervlak – het grootste rijk in de geschiedenis.
Factory Acts (1833): eerste wetten tegen kinderarbeid en lange werkdagen.
Robert Owen & New Lanark: voorbeeld van sociaal ondernemerschap en hervorming.
Chartistenbeweging: arbeidersstrijd voor politieke rechten.
Great Exhibition (1851): toonbeeld van Britse industriële dominantie.
Imperialisme na 1870: uitbreiding van het rijk door internationale concurrentie.
Industriële revolutie – overgang naar fabrieksmatige productie met machines.
Sociale kwestie – problemen van arbeiders door industrialisatie.
Factory Acts – wetten die misstanden in fabrieken beperkten.
Robert Owen – hervormer en grondlegger van coöperaties en sociaal denken.
Chartisten – arbeidersbeweging die streefde naar algemeen kiesrecht.
Imperialisme – streven naar wereldmacht door koloniale expansie.