De industriële revolutie is een van de belangrijkste keerpunten in de wereldgeschiedenis. Ze begon rond 1750 in Groot-Brittannië en verspreidde zich in de loop van de 19e eeuw naar de rest van Europa en Noord-Amerika. Door technologische innovaties veranderden landbouwsamenlevingen in industriële samenlevingen, waarin fabrieken, machines en massaproductie centraal kwamen te staan. Dit had enorme economische, sociale en culturele gevolgen.
De industriële revolutie betekende niet alleen mechanisatie van de productie, maar ook urbanisatie, het ontstaan van een arbeidersklasse en nieuwe sociale verhoudingen. Het vormde het fundament voor het moderne kapitalisme en beïnvloedde vrijwel elk aspect van het dagelijks leven.
De overgang van handmatig naar machinaal werk begon in de textielindustrie met de uitvinding van de Spinning Jenny, het waterframe en later de stoommachine (James Watt, 1769). De toepassing van steenkool als energiebron leidde tot een enorme groei in productiecapaciteit.
Er ontstond een nieuwe economische orde gebaseerd op fabrieksproductie, kapitalistische investeringen en massamarkten. Transport verbeterde spectaculair door spoorwegen, kanalen en stoomschepen. Deze ontwikkelingen stimuleerden verdere industrialisatie en internationale handel.
De industriële revolutie veroorzaakte een massale trek van het platteland naar de stad. Nieuwe industriesteden groeiden explosief, vaak zonder voldoende infrastructuur. Arbeiders woonden in overvolle wijken met slechte hygiëne, lange werktijden, lage lonen en kinderarbeid waren normaal.
Er ontstond een nieuwe sociale klasse: het proletariaat. Tegelijkertijd groeide de invloed van de burgerij (bourgeoisie), die eigenaar was van de productiemiddelen. Dit leidde tot nieuwe vormen van sociale ongelijkheid en spanningen die op den duur leidden tot de opkomst van het socialisme en de arbeidersbeweging.
In Groot-Brittannië leidde de groeiende invloed van de stedelijke middenklasse en arbeidersklasse tot politieke hervormingen. De Reform Bills (vanaf 1832) breidden het kiesrecht uit en pasten de parlementaire vertegenwoordiging aan. De eerste Reform Bill gaf steden als Manchester en Birmingham eindelijk vertegenwoordiging in het parlement en verminderde het aantal zogeheten "rotting boroughs".
Daarnaast leidde publieke druk tot belangrijke arbeidswetten zoals de Factory Acts, die werktijden van vrouwen en kinderen beperkten, en de Ten Hours Act van 1847. Deze wetten markeerden het begin van overheidsingrijpen in de economie en bescherming van arbeidersbelangen. Dit is van belang voor het historisch contextonderdeel bij het tijdvak van het Britse HC (historisch context): 'Britse Rijk'.
Ook bewegingen zoals het Chartisme eisten algemeen kiesrecht, geheime stemming en jaarlijkse verkiezingen. Hoewel veel van hun eisen aanvankelijk werden afgewezen, vormden ze de basis voor latere hervormingen.
In Nederland liepen de ontwikkelingen wat achter op Groot-Brittannië, maar ook hier leidde industrialisatie tot maatschappelijke druk voor hervormingen. Het Kinderwetje van Van Houten uit 1874 was de eerste sociale wet in Nederland en verbood kinderarbeid onder de 12 jaar in fabrieken. Hoewel het moeilijk te handhaven was, betekende het een belangrijk begin van sociale wetgeving.
Vervolgens werd wetgeving uitgebreid met onder andere de Arbeidswet van 1889, die werktijden reguleerde voor vrouwen en kinderen, en de Leerplichtwet van 1900, die kinderen verplichtte tot onderwijs. Deze maatregelen pasten binnen het opkomend sociaal-liberalisme en de zorg voor de zogenaamde "sociale quaestie".
Op lange termijn leidde de industriële revolutie tot een hogere levensstandaard, betere gezondheidszorg en onderwijs, maar deze verbeteringen kwamen pas na veel sociale strijd tot stand. Vakbonden, sociale wetgeving en politieke hervormingen verbeterden geleidelijk de positie van de arbeiders.
De industriële samenleving werd het dominante model, met nadruk op productie, consumptie en technologische vooruitgang. Ze beïnvloedde ook het wereldbeeld: vooruitgang werd gezien als noodzakelijk en onvermijdelijk.
Technologische innovaties: stoommachine, textielmachines, spoorwegen.
Ontstaan van fabrieksarbeid en kapitalisme.
Urbanisatie en sociale gevolgen voor arbeiders.
Reacties op industrialisatie: socialisme, vakbonden, kinderwetgeving.
Politieke hervormingen in Groot-Brittannië: Reform Bills, Factory Acts, Chartisme.
Sociale hervormingen in Nederland: Kinderwetje van Van Houten, Leerplichtwet.
Verschillen tussen pre-industriële en industriële samenleving.
Industriële revolutie: Overgang van handmatige productie naar machinale productie
Stoommachine: Belangrijke uitvinding die energie leverde voor fabrieken en treinen
Urbanisatie: Trek van platteland naar stad, leidend tot snelle stadsuitbreiding
Proletariaat: Arbeidersklasse zonder bezit, afhankelijk van loonarbeid
Kapitalisme: Economisch systeem gebaseerd op particulier bezit en winststreven
Reform Bills: Britse wetten die het kiesstelsel aanpasten en uitbreidden vanaf 1832
Factory Acts:Wetten die werktijden in fabrieken regelden, vooral voor vrouwen/kinderen
Chartisme: Britse volksbeweging voor democratische hervormingen (1838–1850)
Kinderwetje van Van Houten: Nederlandse wet uit 1874 die kinderarbeid onder de 12 jaar verbood
Leerplichtwet: Nederlandse wet (1900) die kinderen verplichtte tot onderwijs
De sociale kwestie verwijst naar het besef dat de snelle industrialisatie in de 19e eeuw heeft geleid tot grote sociale problemen onder de arbeidersklasse. Armoede, slechte woonomstandigheden, kinderarbeid, gebrek aan onderwijs en gevaarlijke werkomstandigheden waren dagelijkse realiteit voor velen. Deze misstanden leidden tot felle maatschappelijke discussies: wie was verantwoordelijk voor het verbeteren van de situatie? De staat, de kerk, werkgevers of de arbeiders zelf?
Vanaf ongeveer 1870 werd de sociale kwestie een onderwerp van nationaal debat. De opkomst van de arbeidersbeweging en toenemende druk van confessionele en socialistische stromingen dwong liberalen en conservatieven tot een reactie. Deze discussie leidde tot het ontstaan van de eerste vormen van sociale wetgeving in Nederland en andere Europese landen. De sociale kwestie vormde ook een aanjager voor de verzuiling en het ontstaan van massaorganisaties: vakbonden, politieke partijen en sociale bewegingen.
In Nederland leidde de sociale kwestie tot een groeiend politiek besef dat armoede en uitbuiting structurele oorzaken hadden. Belangrijke stappen in het overheidsbeleid waren:
Het Kinderwetje van Van Houten (1874): verbood kinderarbeid onder de 12 jaar in fabrieken. Dit was de eerste sociale wet in Nederland. De wet werd ingevoerd na felle debatten waarin voorstanders de bescherming van het kind benadrukten, terwijl tegenstanders vreesden voor economische schade.
De Arbeidswet van 1889: beperkte werktijden van vrouwen en kinderen en stelde fabrieksinspectie in. Het was een eerste vorm van controle op werkgevers en betekende een begin van staatsingrijpen in de economie.
De Leerplichtwet van 1900: verplichtte kinderen tot het volgen van onderwijs tot hun twaalfde jaar. Hierdoor werden kinderen weggehaald uit fabrieken en kregen ze toegang tot basiseducatie, wat ook een investering in de toekomstige arbeidskracht was.
De Woningwet van 1901: maakte gemeentelijke controle en verbetering van arbeiderswoningen mogelijk. Gemeenten konden voortaan krotten onbewoonbaar verklaren en nieuwe, goedgekeurde woningen laten bouwen.
Deze wetten werden gedragen door een brede coalitie van sociaal betrokken liberalen, confessionelen en socialisten, elk met hun eigen motieven.
Liberalen erkenden het probleem, maar pleitten aanvankelijk vooral voor particuliere liefdadigheid in plaats van staatsingrijpen. Pas in de latere 19e eeuw ontstond het sociaal-liberalisme, dat wel degelijk voor overheidsinterventie pleitte, bijvoorbeeld via wetgeving en infrastructuur.
Confessionelen, met name de protestantse ARP onder leiding van Abraham Kuyper, zagen armoede als een morele en religieuze uitdaging. Ze waren voorstander van een beschermende rol van de staat, zolang die de ruimte liet voor religieuze invulling van sociale zorg. De katholieke partijen ontwikkelden vergelijkbare standpunten, geïnspireerd door de pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891), die opriep tot sociale rechtvaardigheid.
Socialisten, zoals Ferdinand Domela Nieuwenhuis en later de SDAP, legden de nadruk op structurele ongelijkheid tussen arbeid en kapitaal. Ze pleitten voor fundamentele hervormingen, waaronder het recht op organisatie, sociale zekerheid, minimumloon en stemrecht. De oprichting van vakbonden, coöperaties en partijorganen versterkte hun invloed.
De sociale kwestie riep belangrijke vragen op over de rol van de staat, de economische ordening en de maatschappelijke verantwoordelijkheid:
Moet de staat ingrijpen in de vrije economie om kwetsbare burgers te beschermen?
Is armoede het gevolg van individuele schuld of van sociale structuren?
Moet onderwijs verplicht zijn om emancipatie mogelijk te maken?
Welke rol hebben religieuze en maatschappelijke organisaties in sociale zorg?
Deze discussies vormden de intellectuele en politieke basis voor de Nederlandse verzorgingsstaat in de 20e eeuw.
Inhoud en gevolgen van industrialisatie: armoede, kinderarbeid, woningnood.
Eerste sociale wetten in Nederland: Kinderwetje van Van Houten, Arbeidswet 1889, Woningwet 1901, Leerplichtwet 1900.
Standpunten van liberalen, socialisten en confessionelen over armoede en staatsinterventie.
De rol van de kerk, Rerum Novarum (1891), sociale verzekeringen.
Belangrijke figuren: Samuel van Houten, Abraham Kuyper, Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
Ontstaan van vakbonden, politieke partijen (ARP, SDAP), coöperaties.
Begrippenlijst
Sociale kwestie: Het besef en debat over sociale misstanden door industrialisatie
Kinderwetje van Van Houten: Wet uit 1874 die kinderarbeid onder 12 jaar verbood in fabrieken
Arbeidswet 1889: Wet die werktijden van vrouwen en kinderen reguleerde
Leerplichtwet 1900: Wet die onderwijs verplicht stelde voor kinderen tot 12 jaar
Woningwet 1901: Wet die gemeenten in staat stelde slechte woningen aan te pakken
Abraham Kuyper: Protestant leider en voorstander van sociale wetgeving voor zijn achterban
Ferdinand Domela Nieuwenhuis: Socialistisch leider en voorvechter van arbeidersrechten
SDAP: Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, pleitte voor sociale hervormingen
Rerum Novarum: Encycliek van paus Leo XIII over de sociale kwestie (1891)
Het modern imperialisme van de 19e eeuw ontstond in een periode waarin Europese staten, versterkt door de industriële revolutie, hun wereldwijde invloed uitbreidden. De technologische, economische en militaire voorsprong die door industrialisatie was opgebouwd, maakte het mogelijk voor landen als Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland en België om grote delen van Afrika en Azië te koloniseren en te exploiteren.
Dit imperialisme was een fundamenteel ander verschijnsel dan het kolonialisme uit de 16e en 17e eeuw. Waar vroege koloniale machten zoals Portugal en Spanje zich vooral beperkten tot kustgebieden en handelsposten, streefde het modern imperialisme naar directe bestuurlijke controle, economische overheersing en culturele invloed in het binnenland. Dit ging gepaard met geweld, bureaucratisering, en institutionalisering van racisme.
De verhouding tussen imperialisme en industrialisatie is direct: industrieën vroegen om grondstoffen zoals rubber, tin, katoen en steenkool, die niet in Europa in voldoende mate beschikbaar waren. Tegelijk zochten Europese mogendheden nieuwe markten voor hun industriële producten. Deze combinatie van afzetbehoefte en grondstofhonger dreef de koloniale expansie.
Grondstoffen en afzetmarkten: De groeiende Europese industrieën hadden dringend behoefte aan grondstoffen, zoals rubber (Congo), katoen (India en Egypte), palmolie (West-Afrika) en koper (Centraal-Afrika). Tegelijk konden koloniën fungeren als markten voor Europese producten, vaak met hulp van importheffingen en monopoliemodellen.
Investeringen en infrastructuur: Europese regeringen en bedrijven investeerden in spoorwegen, telegraaflijnen en havens – niet voor lokale ontwikkeling, maar om export naar Europa efficiënter te maken. In India werd bijvoorbeeld een enorm spoorwegnetwerk aangelegd dat kolen, katoen en opium vanuit het binnenland naar de havens vervoerde.
Geostrategische overwegingen: Controle over handelsroutes en strategische punten (zoals het Suezkanaal, de Kaapkolonie of Singapore) speelde een belangrijke rol. De Britse overheersing van Egypte was deels gemotiveerd door de wens het Suezkanaal – de kortste route naar India – te beheersen.
Concurrentie tussen staten: In het kader van het nationalisme werd het bezit van een koloniaal rijk gezien als teken van grootmachtstatus. Deze rivaliteit leidde tot spanningen tussen Europese landen, bijvoorbeeld tussen Groot-Brittannië en Frankrijk bij Fashoda (1898).
De 'White Man's Burden': Vooral in Angelsaksische landen leefde de gedachte dat het de taak van het blanke ras was om de 'primitieve volkeren' te verheffen tot een hoger beschavingsniveau. Deze visie legitimeerde koloniale inmenging als morele missie.
Sociaal darwinisme: De toepassing van Darwins evolutietheorie op de menselijke samenleving leidde tot het idee dat sommige rassen 'natuurlijk' superieur waren aan andere. Volgens deze denkwijze was koloniale overheersing een natuurlijk gevolg van de evolutie.
Missie en beschaving: In Frankrijk sprak men van "la mission civilisatrice", in België van 'het brengen van beschaving', inclusief onderwijs, christendom en westerse normen. In werkelijkheid ging het vaak om culturele onderdrukking, taalopdringing en religieuze missionering.
Brits-Indië (1858–1947): Na de Sepoy-opstand van 1857 kwam India onder direct bestuur van de Britse kroon. Het werd een belangrijk onderdeel van het Britse rijk met exploitatie van katoen, thee en opium. Britten voerden een bestuurssysteem in met Indiërs in ondergeschikte posities en introduceerden Engelse taal en rechtssysteem.
Congo Vrijstaat (1885–1908): Persoonlijk eigendom van koning Leopold II van België. De exploitatie van rubber leidde tot extreem geweld, dwangarbeid en miljoenen doden. Internationaal protest leidde in 1908 tot overdracht aan de Belgische staat.
Frans Indochina: Frankrijk koloniseerde Vietnam, Laos en Cambodja en bouwde plantages, mijnen en spoorwegen. Lokale boeren werden gedwongen tot zware arbeid onder Franse bureaucratie.
Duits Zuidwest-Afrika (Namibië): Kolonisatie leidde tot genocidale onderdrukking van de Herero- en Nama-volken (1904–1908) door Duitse troepen.
Lokale opstanden: De Maji-Maji-opstand (1905–1907) in Duits Oost-Afrika en de Mahdi-opstand in Soedan (1881–1898) tonen verzet tegen westerse overheersing. Hoewel vaak gewelddadig neergeslagen, markeerden ze het begin van anti-koloniale bewegingen.
Nationalisme en elitevorming: In koloniën ontstonden lokale elites die onderwijs volgden in Europese stijl en later leiders werden in onafhankelijkheidsbewegingen (zoals Gandhi in India).
Structurele afhankelijkheid: Koloniën werden economisch zo ingericht dat ze afhankelijk waren van export naar Europa. Dit creëerde ongelijkheden die na dekolonisatie bleven bestaan.
Verschillen tussen vroegmoderne kolonialisme en 19e-eeuws modern imperialisme.
Economische motieven: grondstoffen, markten, infrastructuur.
Ideologische motieven: sociaal darwinisme, beschavingsmissie, white man's burden.
Belangrijke voorbeelden: Brits-Indië, Congo Vrijstaat, Frans Indochina, Duitse koloniën.
Reacties uit koloniën: opstanden, verzet, nationalisme, elitevorming.
Modern imperialisme: 19e-eeuwse koloniale expansie die voortkwam uit industrialisatie
Scramble for Africa: Wedloop tussen Europese mogendheden om Afrika te verdelen (1880–1914)
Sociaal darwinisme: Ideologie die ongelijke machtsverhoudingen tussen volken als 'natuurlijk' beschouwt
Beschavingsmissie: Ideologisch motief dat kolonialisme rechtvaardigde als morele plicht
Congo Vrijstaat: Kolonie van Leopold II, bekend om extreem geweld en uitbuiting
Brits-Raj: Naam voor de periode van Britse overheersing in India (1858–1947)
White Man's Burden: Het idee dat Europeanen moreel verplicht waren 'achtergebleven volkeren' te beschaven
Fashoda-incident: Koloniaal conflict tussen Frankrijk en Groot-Brittannië in Soedan (1898)
Maji-Maji-opstand: Opstand tegen Duitse overheersing in Oost-Afrika (1905–1907)
In de 19e eeuw, en vooral vanaf circa 1870, kwam in Europa een brede emancipatiebeweging op gang. Deze bewegingen streefden naar gelijke rechten en maatschappelijke participatie voor groepen die tot dan toe politiek, economisch of sociaal waren uitgesloten. De emancipatiebewegingen waren sterk verbonden met de processen van modernisering: industrialisatie, urbanisatie, toenemende geletterdheid en democratisering boden nieuwe kansen voor mobilisatie en organisatie.
In Nederland uitten de emancipatiebewegingen zich het sterkst op drie terreinen: de arbeidersbeweging (socialisme), de confessionele beweging (protestanten en katholieken die streefden naar gelijke behandeling) en het feminisme (vooral de strijd voor vrouwenkiesrecht). Al deze stromingen streefden naar wettelijke, culturele en economische gelijkwaardigheid.
De arbeidersklasse was door de industriële revolutie ontstaan als nieuwe maatschappelijke laag, maar had geen politieke invloed en leefde vaak in erbarmelijke omstandigheden. Onder leiding van socialistische denkers en activisten ontstonden organisaties zoals vakbonden, coöperaties en politieke partijen.
In Nederland: De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) werd in 1894 opgericht. Ferdinand Domela Nieuwenhuis was eerder al actief als socialist en voorman van de Eerste Internationale.
Doelen: Algemeen kiesrecht, betere lonen, kortere werkdagen, arbeidsbescherming en sociale wetgeving.
Actiemiddelen: stakingen, petities, publicaties, demonstraties, verkiezingsdeelname.
Nederland was tot ver in de 19e eeuw overwegend liberaal en seculier geleid. Protestanten en katholieken voelden zich vaak achtergesteld en streefden naar gelijke erkenning van hun geloofsleven, onderwijs en politieke vertegenwoordiging.
Katholieken: Eisten afschaffing van discriminatie en financiële steun voor katholiek onderwijs. Richtten eigen kranten, vakbonden en politieke partijen op (zoals de RKSP).
Protestanten: Onder leiding van Abraham Kuyper ontstond de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), die het recht op bijzonder onderwijs verdedigde en pleitte voor soevereiniteit in eigen kring.
Resultaat: De grondwetsherziening van 1917 erkende het bijzonder onderwijs formeel en leidde tot de 'pacificatie' tussen liberalen en confessionelen.
De positie van vrouwen was in de 19e eeuw grotendeels beperkt tot het gezin. Vrouwen hadden geen stemrecht, beperkte toegang tot onderwijs en werk, en waren juridisch vaak afhankelijk van hun echtgenoot.
Eerste feministische golf (ca. 1870–1920): Strijd voor vrouwenkiesrecht, betere opleidingskansen, en economische zelfstandigheid.
Belangrijke figuren: Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, streed voor kiesrecht en geboortebeperking.
Resultaten: Invoering van vrouwenkiesrecht in Nederland in 1919. Oprichting van verenigingen zoals de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.
Ontstaan van de SDAP en vakbonden.
Leiders als Domela Nieuwenhuis, Abraham Kuyper, Aletta Jacobs.
Confessionele eisen: onderwijs, gelijke behandeling, eigen zuil.
Feministische strijd: vrouwenkiesrecht, onderwijs, werk.
Grondwet van 1917 en het einde van de schoolstrijd.
Emancipatiebeweging: Beweging die streeft naar gelijke rechten voor achtergestelde groepen
SDAP: Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, gericht op arbeidersbelangen
ARP: Anti-Revolutionaire Partij, protestantse partij o.l.v. Kuyper
RKSP: Roomsch-Katholieke Staatspartij, katholieke politieke partij
Aletta Jacobs: Voorvechtster van vrouwenrechten, arts en feminist
Grondwetsherziening 1917: Legde het algemeen mannenkiesrecht en financiële gelijkheid onderwijs vast
Verzuiling: Maatschappelijke opdeling langs religieuze en ideologische lijnen
De 19e en vroege 20e eeuw kenmerkten zich door een lang en moeizaam proces van politieke verbreding. In veel Europese landen werd de macht van koningen en aristocratie geleidelijk beperkt ten gunste van parlementen en gekozen volksvertegenwoordigers. De centrale vraag die in deze periode de politieke arena domineerde was: wie mogen meebeslissen over het bestuur van het land? In het begin van de eeuw waren dat vrijwel uitsluitend rijke mannen, maar gaandeweg eisten steeds meer bevolkingsgroepen – arbeiders, vrouwen, religieuze minderheden – toegang tot het politieke proces. Democratisering werd daardoor niet alleen een kwestie van kiesrecht, maar ook van erkenning, organisatie en politieke vertegenwoordiging.
De democratisering verliep echter nooit lineair. Elke uitbreiding van het kiesrecht ging gepaard met felle debatten, maatschappelijke onrust en institutionele hervormingen. Politieke partijen speelden een steeds grotere rol, en ook de media kregen invloed als instrumenten voor opinievorming. In Nederland is de democratisering nauw verbonden met het proces van verzuiling, waarin liberalen, socialisten, protestanten en katholieken elk hun eigen organisaties en politieke vertegenwoordiging opbouwden.
De grondwet van 1848
De grondwet van 1848 werd opgesteld door de liberale staatsman Johan Rudolph Thorbecke op verzoek van koning Willem II. Deze ingrijpende herziening vond plaats in een context van revolutionaire onrust in Europa (het Revolutiejaar 1848), waarbij veel vorsten hun macht zagen wankelen. Koning Willem II, die vreesde voor opstanden, besloot 'van zeer conservatief in één nacht zeer liberaal te worden' en gaf opdracht tot een nieuwe grondwet.
De grondwet introduceerde het principe van ministeriële verantwoordelijkheid: voortaan waren ministers verantwoordelijk voor het regeringsbeleid en niet langer de koning. De macht van de koning werd daarmee beperkt, en Nederland maakte de overgang naar een constitutionele monarchie.
Het parlement kreeg uitgebreidere bevoegdheden, met name de Tweede Kamer. Deze mocht voortaan wetten aannemen of verwerpen, en kreeg budgetrecht. De volksvertegenwoordiging werd daarmee sterker en kreeg een centrale rol in het staatsbestel.
De grondwet legde bovendien een aantal klassieke grondrechten vast, waaronder vrijheid van meningsuiting, godsdienst, drukpers, vereniging en vergadering. Deze rechten vormden het fundament voor een vrije samenleving en waren in die tijd bijzonder vooruitstrevend.
Ook werd de scheiding van kerk en staat bekrachtigd. Religies kregen gelijke rechten en het openbare bestuur mocht zich niet meer mengen in kerkelijke aangelegenheden.
Tot slot bepaalde de grondwet dat de Eerste en Tweede Kamer niet langer door de koning, maar via verkiezingen (zij het nog zeer beperkt) gekozen zouden worden. Dit effende het pad voor verdere democratisering in de decennia daarna.
Uitbreiding van het kiesrecht
1887 – Caoutchouc-artikel: Dit artikel stelde dat kiesrecht afhankelijk was van 'bekwaamheid en maatschappelijke welstand'. In de praktijk betekende dit een voorzichtige uitbreiding van het kiesrecht, want deze criteria werden ruim geïnterpreteerd.
1896 – Hervorming van Cort van der Linden: Verdere verruiming van het kiesrecht. De meeste geschoolde en werkende mannen kregen stemrecht, maar het bleef beperkt.
1917 – Algemeen mannenkiesrecht: Deze mijlpaal kwam tot stand als onderdeel van de zogenoemde 'pacificatie van 1917', een politiek compromis tussen drie belangrijke zuilen: liberalen, socialisten en confessionelen. De liberalen en socialisten wensten uitbreiding van het kiesrecht, terwijl de confessionelen financiële gelijkstelling eisten van openbaar en bijzonder (vaak religieus) onderwijs. Het compromis hield in dat beide eisen werden ingewilligd: enerzijds werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, waarmee alle volwassen mannen stemrecht kregen ongeacht hun inkomen of opleiding; anderzijds kregen bijzondere scholen voortaan evenveel overheidssubsidie als openbare scholen. Deze regeling effende de weg voor politieke stabiliteit en versterkte de parlementaire democratie. Tegelijkertijd betekende de pacificatie het begin van een langdurige periode van verzuiling in Nederland, waarin politieke en maatschappelijke organisaties nauw verbonden waren aan levensbeschouwelijke groepen.
1919 – Algemeen vrouwenkiesrecht: Na een decennialange strijd van de vrouwenbeweging, met Aletta Jacobs als boegbeeld, kregen vrouwen in Nederland stemrecht. Dit betekende dat Nederland formeel een parlementaire democratie was geworden met algemeen kiesrecht.
Verenigd Koninkrijk
1832 – Reform Act: Beëindigde de 'rotten boroughs' (lege kiesdistricten) en gaf stemrecht aan de middenklasse.
1867 en 1884 – Verdere uitbreidingen: Meer arbeiders kregen stemrecht, hoewel vrouwen uitgesloten bleven tot 1918.
Chartisme (1838–1850): Een arbeidersbeweging die streed voor universeel mannenkiesrecht, geheime stemming, en betaling van parlementariërs. Hoewel hun directe eisen niet werden ingewilligd, legde de beweging een belangrijke basis voor latere hervormingen.
Duitsland
Vanaf 1871 bestond er een Rijksdag die gekozen werd via algemeen mannenkiesrecht. De daadwerkelijke macht lag echter bij de keizer en de rijkskanselier (zoals Bismarck). Democratisering was hier meer schijn dan werkelijkheid tot na WOI.
Frankrijk
Na de val van Napoleon III in 1870 werd de Derde Republiek uitgeroepen. Deze kende een parlementair systeem met verkozen volksvertegenwoordigers, maar vrouwen kregen pas in 1944 stemrecht.
De democratisering leidde tot massapolitiek: burgers organiseerden zich in politieke partijen, vakbonden en belangenverenigingen.
In Nederland leidde dit tot de verzuiling. Elke groep had zijn eigen kranten, omroepen, scholen, vakbonden en partijen:
Liberalen: streefden naar individuele vrijheid en economische liberalisering.
Socialisten: kwamen op voor de arbeidersklasse, sociale zekerheid en herverdeling van macht.
Confessionelen (protestants en katholiek): verdedigden religieuze waarden, vooral in het onderwijs.
De verzuiling had als gevolg dat de democratisering niet leidde tot één homogene politieke cultuur, maar tot een vreedzame co-existentie van gescheiden samenlevingsdelen.
Democratisering
Proces waarbij steeds meer mensen politieke invloed krijgen
Thorbecke
Liberaal staatsman, grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie
Caoutchouc-artikel
Artikel uit 1887 dat kiesrecht afhankelijk maakte van welstand en geschiktheid
Pacificatie van 1917
Compromis waarbij algemeen mannenkiesrecht en onderwijsgelijkheid werden ingevoerd
Reform Bill
Britse wetten die kiesrecht uitbreidden in de 19e eeuw
Chartisme
Britse arbeidersbeweging die streefde naar kiesrecht voor iedereen
Verzuiling
Indeling van de samenleving in ideologische zuilen met eigen instituties
Aletta Jacobs
Eerste vrouwelijke arts in Nederland, feministisch voorvechtster
Grondwet 1848
Wetgeving die parlementaire democratie vestigde in Nederland
In de 19e eeuw veranderde de maatschappelijke ordening ingrijpend. Waar vroeger afkomst, adel of religieuze status bepalend waren voor iemands positie in de samenleving, ontstonden nu nieuwe visies over hoe de samenleving ingericht moest worden. Deze visies werden uitgewerkt in politiek-maatschappelijke stromingen die elk een eigen visie hadden op macht, rechtvaardigheid, economie en religie.
Deze stromingen ontstonden niet in een vacuüm: ze waren een reactie op ingrijpende veranderingen zoals de Franse Revolutie, de industriële revolutie en de verstedelijking. Mensen gingen zich organiseren rond gedeelde opvattingen, belangen en idealen. Die vormden de basis voor politieke partijen, belangenorganisaties en sociale bewegingen.
In de loop van de 19e eeuw kwamen vijf invloedrijke politiek-maatschappelijke stromingen op die elk hun eigen ideeën en idealen ontwikkelden over hoe de samenleving moest worden ingericht. Deze stromingen vormden de basis voor veel politieke partijen en maatschappelijke organisaties die het politieke landschap van Europa en Nederland blijvend zouden veranderen.
Liberalisme
Het liberalisme is een stroming die de nadruk legt op de vrijheid van het individu. In politiek opzicht betekent dit steun voor een parlementaire democratie en de rechtsstaat; in economisch opzicht pleit het liberalisme voor een vrije markt zonder overheidsbemoeienis. Liberalen vinden dat burgers vrij moeten zijn in hun meningsuiting, godsdienst, eigendom en handel. Deze stroming werd in Nederland krachtig vertegenwoordigd door Johan Rudolph Thorbecke, die in 1848 een nieuwe grondwet opstelde waarin deze principes grotendeels werden verankerd. Internationaal is Adam Smith een belangrijk denker binnen het liberalisme, met zijn theorie over de 'onzichtbare hand' van de markt.
Nationalisme
Het nationalisme ontstond vanuit de overtuiging dat mensen die een taal, cultuur en geschiedenis delen, samen een natie vormen die recht heeft op een eigen staat. In de 19e eeuw leidde dit zowel tot eenheidsprocessen, zoals de Duitse en Italiaanse eenwording, als tot afscheidingsbewegingen binnen multinationale rijken. Nationalisme kon dus zowel verenigend als verdelend werken. In Duitsland was Otto von Bismarck een belangrijke figuur die het nationalisme aanwendde om de Duitse staten onder Pruisische leiding te verenigen. Tegelijk leidde het nationalisme ook tot conflicten met minderheden binnen staten die geen deel wensten uit te maken van de dominante nationale cultuur.
Socialisme
Het socialisme ontstond als reactie op de sociale ongelijkheid en armoede die het gevolg waren van de industriële revolutie. Socialisten wilden de positie van de arbeidersklasse verbeteren. Revolutionaire socialisten, zoals Karl Marx en Friedrich Engels, vonden dat het kapitalisme moest worden omvergeworpen door een klassenstrijd. Andere socialisten, de sociaaldemocraten, streefden naar hervormingen via het parlement. In Nederland leidde dit tot de oprichting van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) en vakbonden die streden voor betere arbeidsvoorwaarden, hogere lonen, kortere werktijden en sociale wetgeving.
Confessionalisme
Het confessionalisme is een stroming die uitgaat van religieuze waarden als basis voor politiek handelen. In Nederland leidde dit tot de oprichting van partijen zoals de ARP (Anti-Revolutionaire Partij), opgericht door Abraham Kuyper. Confessionele partijen zetten zich in voor het behoud van traditionele gezinswaarden, gezag en religieus onderwijs. Ze verzetten zich vaak tegen het liberalisme en de secularisering. De schoolstrijd was een belangrijk speerpunt van de confessionelen: zij eisten financiële gelijkstelling van bijzonder onderwijs (meestal religieus) met het openbare onderwijs.
Feminisme
Het feminisme is de stroming die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen. In de 19e eeuw richtte het feminisme zich vooral op onderwijs, arbeid en het kiesrecht. Aletta Jacobs was de eerste vrouwelijke arts in Nederland en speelde een cruciale rol in de strijd voor vrouwenkiesrecht. Feministen organiseerden zich in verenigingen, zoals de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, en hielden demonstraties, petities en campagnes. In Nederland resulteerde deze beweging in de invoering van het vrouwenkiesrecht in 1919, waarmee vrouwen voor het eerst mochten stemmen en verkozen konden worden.
Benodigde kennis
Liberalisme: Johan Rudolph Thorbecke en de grondwet van 1848; Adam Smith en economische vrijheid; parlementaire democratie.
Nationalisme: Duitse eenwording onder Otto von Bismarck; Italiaanse eenwording onder Garibaldi en Cavour; nationalistische opstanden in multinationale rijken.
Socialisme: Karl Marx en Friedrich Engels (communistisch manifest); oprichting van de SDAP; strijd voor sociale wetgeving en arbeidersrechten.
Confessionalisme: Abraham Kuyper en de ARP; de schoolstrijd en de pacificatie van 1917; opkomst van verzuiling.
Feminisme: Aletta Jacobs, eerste vrouwelijke arts en voorvechter van vrouwenkiesrecht; de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht; invoering vrouwenkiesrecht 1919.
Politiek-maatschappelijke stroming
Groep mensen met gezamenlijke ideeën over hoe de samenleving bestuurd moet worden
Liberalisme
Stroming die vrijheid van het individu centraal stelt
Nationalisme
Stroming die het eigen volk en nationale eenheid centraal stelt
Socialisme
Stroming die streeft naar gelijkheid en betere sociale omstandigheden
Confessionalisme
Stroming gebaseerd op religieuze waarden
Feminisme
Beweging voor gelijke rechten van vrouwen
Schoolstrijd
Politieke strijd om gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs