Na de Tweede Wereldoorlog lag Nederland in puin: steden waren beschadigd, de economie was ontwricht en het vertrouwen in de politiek en instituties moest worden hersteld. Toch besloot men na 1945 grotendeels de verzuilde structuren van voor de oorlog opnieuw op te bouwen. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen leefden elk in hun eigen zuil, met eigen scholen, kranten, vakbonden en politieke partijen. In die eerste naoorlogse jaren leken de oude scheidslijnen dus opnieuw richtinggevend. Tegelijkertijd werden de fundamenten gelegd voor een periode van enorme economische groei en maatschappelijke verandering, die de bestaande verhoudingen uiteindelijk grondig zouden transformeren.
De wederopbouw werd in belangrijke mate ondersteund door de Amerikaanse Marshallhulp (1948). Die financiële steun was bedoeld om Europa economisch op de been te helpen en tegelijkertijd een dam op te werpen tegen de aantrekkingskracht van het communisme. Voor Nederland betekende dit een breuk met de oude neutraliteitspolitiek: ons land werd een actief lid van de westerse wereldorde. In 1949 trad Nederland toe tot de NAVO en werkte het mee aan Europese integratie via de oprichting van de EGKS (1951). Ministers als Willem Drees en Joseph Luns zetten Nederland stevig in het westerse kamp. De Koude Oorlog had dus ook binnenlands effect: angst voor het communisme leidde tot een hechte band met de Verenigde Staten en versterkte het idee van collectieve veiligheid.
In de jaren vijftig en zestig maakte Nederland een periode van ongekende economische groei door. Dankzij investeringen, industrialisatie en een toenemende wereldhandel groeide de welvaart snel. De vondst van aardgas in Groningen (1959) verschafte de overheid bovendien enorme inkomsten, die konden worden gebruikt om de verzorgingsstaat uit te bouwen. Kabinetten-Drees en zijn opvolgers voerden een beleid van geleide loonpolitiek: lonen werden kunstmatig laag gehouden, zodat de exportpositie van Nederland versterkte. Dat leverde economische stabiliteit op en maakte grootschalige werkgelegenheid mogelijk.
De welvaart kwam niet alleen tot uiting in economische cijfers, maar ook in de opbouw van een sociale zekerheidstelsel. De AOW (1957) gaf ouderen een gegarandeerd inkomen, de Bijstandswet (1965) zorgde voor een vangnet voor iedereen die buiten de boot viel, en de WAO (1967) bood bescherming bij arbeidsongeschiktheid. Het idee van de ‘maakbare samenleving’ kreeg gestalte: door gericht beleid, overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid, en een groeiende rol voor de staat kon men streven naar een samenleving met meer gelijkheid en sociale zekerheid.
Waar de jaren vijftig nog gekenmerkt werden door soberheid, veranderde dat vanaf de vroege jaren zestig. De lonen stegen, er kwamen steeds meer consumptiegoederen beschikbaar en Nederland transformeerde in rap tempo tot een consumptiemaatschappij. Auto’s, televisies, koelkasten en wasmachines deden hun intrede in de meeste huishoudens. Voor het eerst konden brede lagen van de bevolking op vakantie gaan, vaak naar de Belgische kust of de Ardennen, later ook naar Spanje of Italië. Deze materiële vooruitgang versterkte het gevoel dat er ‘grenzen aan de armoede’ waren gekomen.
Tegelijkertijd begonnen de oude maatschappelijke structuren af te brokkelen. Het kerkbezoek liep terug, steeds meer mensen verlieten hun traditionele zuil en er ontstonden nieuwe partijen en organisaties buiten het oude bestel. De komst van de televisie versterkte die trend: in plaats van een gescheiden mediabestel ontstond er een nationale publieke ruimte, waarin nieuws, amusement en muziek nieuwe vormen van culturele verbondenheid creëerden.
De jongeren speelden hierin een hoofdrol. Dankzij welvaart, langere onderwijstijd en meer vrije tijd vormden zij een eigen cultuur. In de jaren vijftig waren er de nozems, die met brommers en leren jasjes het gezag uitdaagden. In de jaren zestig volgden provo’s en hippies, die zich afzetten tegen consumptie, autoriteit en oorlog. Provo’s organiseerden ludieke acties zoals het Wittefietsenplan en happenings in Amsterdam, terwijl hippies zich verzamelden rond muziekpodia als Paradiso en festivals als Pinkpop (vanaf 1970). Studentenprotesten, zoals de bezetting van het Maagdenhuis in 1969, toonden aan dat de jeugd steeds vaker invloed wilde uitoefenen op politiek en samenleving.
Een van de belangrijkste maatschappelijke veranderingen in deze periode was de veranderende positie van vrouwen. In 1956 werd de wettelijke handelingsonbekwaamheid van getrouwde vrouwen afgeschaft, waardoor zij weer zelfstandig rechtshandelingen konden verrichten. Vanaf de jaren zestig kwamen feministische organisaties op, zoals Man Vrouw Maatschappij (MVM) en Dolle Mina. Zij voerden actie voor gelijke lonen, toegang tot betaalde arbeid en het recht op abortus en anticonceptie. Bekende leus: “Baas in eigen buik”. De introductie van de anticonceptiepil maakte het vrouwen mogelijk hun leven anders in te richten en droeg bij aan de doorbraak van nieuwe rolpatronen. Deze tweede feministische golf veranderde de maatschappelijke verhoudingen ingrijpend: vrouwen werden zichtbaarder op de arbeidsmarkt, in de politiek en in het onderwijs.
Ook de bevolkingssamenstelling veranderde. Aanvankelijk was Nederland een emigratieland: honderdduizenden Nederlanders trokken in de jaren vijftig naar landen als Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Tegelijkertijd kwamen door de dekolonisatie nieuwe groepen naar Nederland: Indische Nederlanders na de onafhankelijkheid van Indonesië (1949), Molukkers (die onder moeilijke omstandigheden in kampen werden opgevangen) en later Surinamers rond en na de onafhankelijkheid van 1975. Vanaf het eind van de jaren zestig werden bovendien gastarbeiders aangetrokken, eerst uit Zuid-Europa, daarna uit Turkije en Marokko. Wat begon als tijdelijke arbeidsmigratie, leidde door gezinshereniging tot de blijvende aanwezigheid van deze gemeenschappen. Nederland werd langzaam een multiculturele samenleving, wat nieuwe vragen opriep over integratie, identiteit en sociale cohesie.
De hoogtijdagen van groei en optimisme eindigden abrupt met de oliecrisis van 1973. De autoloze zondagen symboliseerden hoe kwetsbaar de Nederlandse welvaart was. De economie stagneerde, de werkloosheid liep op en het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving werd minder vanzelfsprekend. Kabinet-Den Uyl probeerde met progressieve hervormingen en investeringen de samenleving eerlijker en rechtvaardiger te maken, maar liep vast in politieke tegenstellingen en economische beperkingen.
Tussen 1948 en 1978 maakte Nederland een fundamentele transformatie door. Van een verzuilde, relatief sobere en homogene samenleving veranderde het land in een ontzuilde, welvarende en steeds pluriformere samenleving. De wederopbouw, Marshallhulp en economische groei maakten de verzorgingsstaat mogelijk. De consumptiemaatschappij, jongerenprotesten, tweede feministische golf en migratiegolven veranderden de sociale verhoudingen. De oliecrisis van 1973 luidde een nieuwe periode van onzekerheid in, maar de maatschappelijke veranderingen van de voorgaande decennia waren blijvend en hadden Nederland voorgoed veranderd.
Na de periode van wederopbouw en snelle modernisering tussen 1948 en 1978 kreeg Nederland vanaf het einde van de jaren zeventig te maken met nieuwe uitdagingen. De samenleving veranderde opnieuw ingrijpend: economisch, sociaal, cultureel en politiek. De verzorgingsstaat, die in de jaren vijftig en zestig zorgvuldig was opgebouwd, kwam onder druk te staan. De rol van de overheid verschoof, de samenleving werd individualistischer en de gevolgen van migratie en globalisering werden steeds zichtbaarder. Tegelijkertijd groeide Nederland uit tot een van de meest welvarende en vrije landen ter wereld, maar niet zonder spanningen en tegenstellingen.
In de jaren tachtig belandde Nederland in een diepe economische crisis. De oliecrises van 1973 en 1979 hadden al een stempel gedrukt op de economie: stijgende energieprijzen, inflatie en een toenemende werkloosheid. Eind jaren zeventig liep de werkloosheid snel op; begin jaren tachtig bereikte deze een dieptepunt met meer dan 800.000 werklozen, bijna tien procent van de beroepsbevolking. De verzorgingsstaat, ooit symbool van vooruitgang, bleek duur en complex geworden.
Onder leiding van premier Ruud Lubbers (CDA), die vanaf 1982 drie kabinetten leidde, werd gekozen voor een koers van bezuinigingen, privatiseringen en hervormingen. De sociale zekerheid werd ingeperkt, en de uitkeringen (zoals WAO en WW) werden strenger gereguleerd. Het loonbeleid werd aangepast: loonkosten moesten omlaag om de exportpositie te versterken. Dit beleid leidde tot spanningen met vakbonden, maar resulteerde in het zogenaamde Akkoord van Wassenaar (1982), waarin werkgevers en werknemers afspraken om loonsmatiging te accepteren in ruil voor arbeidstijdverkorting en banencreatie. Dit legde de basis voor het poldermodel, waarin overleg en compromis centraal stonden. Het zorgde voor politieke en sociale stabiliteit en gaf Nederland internationaal de reputatie van een land waar conflicten vreedzaam en pragmatisch werden opgelost.
Aan het einde van de jaren tachtig begon de economie zich te herstellen. De wereldhandel nam toe, en Nederland profiteerde als vanouds van zijn handelspositie en de Rotterdamse haven als toegangspoort tot Europa. De groeiende globalisering betekende dat Nederlandse bedrijven steeds vaker internationaal actief werden, terwijl buitenlandse bedrijven zich vestigden in Nederland.
In de jaren negentig en nul beleefde Nederland een lange periode van economische bloei. De ICT-sector groeide, internet deed zijn intrede en nieuwe markten gingen open door de Europese eenwording en de val van het communisme in Oost-Europa. Rond 2000 kende Nederland een van de laagste werkloosheidspercentages van Europa en steeg het bbp per hoofd van de bevolking sterk.
Toch waren er ook keerzijden. De groei ging gepaard met een toename van sociale ongelijkheid: hoogopgeleiden en mensen met kapitaal profiteerden meer van de globalisering dan laagopgeleiden. Daarnaast leidde de flexibilisering van de arbeidsmarkt tot onzekerheid bij veel werknemers.
Nederland was vanaf de jaren tachtig een fervent voorstander van Europese samenwerking. Het land speelde een centrale rol in de onderhandelingen die leidden tot het Verdrag van Maastricht (1992), dat de Europese Unie formeel oprichtte en de basis legde voor de invoering van de euro. Onder Nederlands voorzitterschap werd dit akkoord gesloten. Nederland presenteerde zich als gidsland binnen Europa, maar moest tegelijkertijd wennen aan het feit dat zijn relatieve invloed kleiner werd door de uitbreiding met nieuwe lidstaten.
De NAVO kreeg na de Koude Oorlog een andere functie: vredesmissies en internationale interventies. Nederland leverde een bijdrage aan missies in onder meer Libanon, Afghanistan en Joegoslavië. Vooral de gebeurtenissen rond de val van Srebrenica (1995), waarbij Dutchbat er niet in slaagde duizenden moslimmannen te beschermen tegen genocide door Servische troepen, waren traumatisch en leidden tot een nationale crisis. Het deed Nederland beseffen dat zijn internationale ambities grenzen kenden.
Vanaf de jaren tachtig voltrok zich een proces van verregaande individualisering. Waar in de jaren vijftig en zestig collectieve idealen en sociale verbanden (zoals zuilen, kerken en verenigingen) nog richting gaven aan het leven, werd vanaf de jaren tachtig het idee van persoonlijke vrijheid en zelfontplooiing dominant.
De overheid trok zich meer terug, burgers kregen meer verantwoordelijkheid. Deze verschuiving ging gepaard met ingrijpende culturele veranderingen:
Het gedoogbeleid maakte softdrugsgebruik legaal binnen bepaalde grenzen.
De Algemene Wet Gelijke Behandeling (1994) verbood discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of geaardheid.
Nederland liep internationaal voorop met progressieve wetgeving: in 2001 werd het als eerste land ter wereld dat het homohuwelijk invoerde, en in 2002 trad de euthanasiewet in werking.
Deze ontwikkelingen versterkten het beeld van Nederland als een tolerant en vooruitstrevend land, maar riep ook verzet op bij groepen die vonden dat traditionele waarden verloren gingen.
In de jaren tachtig en negentig ontwikkelden jongeren nieuwe subculturen. Tijdens de economische crisis ontstonden de punkbeweging en de kraakbeweging, die zich verzetten tegen woningnood en gevestigde orde. In de jaren negentig werd Nederland de bakermat van de gabbercultuur, een harde en apolitieke danscultuur. Tegelijkertijd brak de hiphop en rapmuziek door, vaak met thema’s van racisme en sociale ongelijkheid, geïnspireerd door Afro-Amerikaanse voorbeelden.
De technologische revolutie veranderde het leven van jongeren ingrijpend. Internet en mobiele telefonie deden in de jaren negentig en nul hun intrede. Sociale netwerken zoals Hyves maakten digitale communicatie alledaags. Dit leidde tot een geglobaliseerde leefstijl waarin jongeren wereldwijd dezelfde muziek, mode en technologie deelden.
Migratie speelde een steeds grotere rol. De komst van gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig had geleid tot de vorming van Turkse en Marokkaanse gemeenschappen in Nederland. Vanaf de jaren tachtig nam de migratie verder toe:
Vrij verkeer binnen Europa (Schengenverdrag, 1985) maakte grensoverschrijdende mobiliteit eenvoudiger.
Asielzoekers kwamen naar Nederland tijdens conflicten in Joegoslavië, het Midden-Oosten en Afrika.
Surinamers en Antillianen vestigden zich blijvend in Nederland.
Tot eind jaren negentig werd breed gesproken over een multiculturele samenleving, waarin verschillende culturen naast elkaar zouden bestaan. Dit ideaal kantelde rond 2000. Steeds meer Nederlanders vonden dat migranten onvoldoende integreerden, en dat de rol van de islam problematisch werd.
De moord op Pim Fortuyn (2002), een politicus die fel ageerde tegen de islam en de politieke elite, veroorzaakte een politieke aardverschuiving. Kort daarna werd in 2004 cineast Theo van Gogh vermoord door een radicale moslim. Deze gebeurtenissen wakkerden de angst voor radicalisering en polarisatie verder aan. Het multiculturalisme maakte plaats voor beleid gericht op integratie en assimilatie.
Ondanks maatschappelijke spanningen beleefde Nederland tot 2008 een periode van welvaart en stabiliteit. De “paarse kabinetten” onder Wim Kok (PvdA, VVD, D66) stonden symbool voor een pragmatische politiek, waarbij sociaaldemocraten en liberalen samenwerkten. De economie groeide, de staatsschuld daalde en de werkloosheid was laag.
Maar in 2008 sloeg het tij opnieuw om. De wereldwijde financiële crisis raakte ook Nederland: banken moesten met staatssteun overeind worden gehouden, en de werkloosheid begon weer te stijgen. De crisis maakte duidelijk dat ook in een welvarend land sociale tegenstellingen en kwetsbaarheden aanwezig bleven.