Toen Duitsland in november 1918 capituleerde, stortte het keizerrijk in en werd de Weimarrepubliek uitgeroepen. Deze nieuwe democratie moest in uiterst moeilijke omstandigheden functioneren: de wapenstilstand en het Verdrag van Versailles (1919) lieten Duitsland vernederd en economisch verzwakt achter. Veel Duitsers ervoeren Versailles als een “Diktat” dat hen de oorlogsschuld, herstelbetalingen en verlies van grondgebied oplegde. Binnen de samenleving leefde de dolkstootlegende: de mythe dat Duitsland militair niet verslagen was, maar door verraders (politici, linkse partijen, Joden) in de rug was aangevallen.
De jonge republiek stond vanaf het begin onder druk. Politieke extremisten van zowel links (communisten) als rechts (conservatieven, monarchisten, later fascisten) ondermijnden de democratie. Hoewel er in de jaren twintig met het Dawesplan en samenwerking met Frankrijk een tijdelijke stabiliteit en economische opleving kwam, bleef het vertrouwen in de parlementaire democratie fragiel.
De wereldcrisis van 1929 (KA39), die begon met de beurskrach in New York, trof Duitsland bijzonder hard. De economie stortte in, banken gingen failliet, miljoenen raakten werkloos. Juist in die context kreeg de NSDAP onder leiding van Adolf Hitler massale steun.
De partij presenteerde zich als enige die Duitsland kon redden:
zij beloofde herstel van nationale trots,
een einde aan Versailles,
economische wederopbouw,
en de vorming van een hechte Volksgemeinschaft.
Met moderne middelen van propaganda en massaorganisatie (KA37) – toespraken, vlaggen, optochten, radio, film – wist de NSDAP miljoenen Duitsers te mobiliseren. De partij maakte handig gebruik van angsten en onvrede en gaf Joden, communisten en democraten de schuld van de crisis.
In januari 1933 werd Hitler tot rijkskanselier benoemd. Kort daarna maakte hij gebruik van de Rijksdagbrand om de Machtigingswet door te drukken: het parlement schakelde zichzelf uit, en Duitsland werd een dictatuur. Vanaf dat moment begon de nazificatie van de samenleving (KA38):
politieke tegenstanders (communisten, sociaaldemocraten) werden gearresteerd,
vakbonden en partijen verboden,
onderwijs, cultuur en media volledig ondergeschikt gemaakt aan de nazi-ideologie,
massale jeugd- en vrouwenorganisaties opgezet.
Met terreur (SA, SS, Gestapo) en propaganda van Joseph Goebbels ontstond een totalitair regime dat diepe invloed had op het dagelijks leven.
Hitler kreeg brede steun omdat het regime in korte tijd economische verbeteringen liet zien. Grote werkgelegenheidsprojecten (autobahnen, herbewapening) en de herinvoering van de dienstplicht verminderden de werkloosheid. Duitsland herbewapende in strijd met Versailles en herstelde zijn militaire macht.
De nazi-ideologie draaide om racisme en antisemitisme (KA41). Joden werden stelselmatig buitengesloten via de Neurenberger rassenwetten (1935) en vervolgd. Roma, gehandicapten en politieke tegenstanders ondergingen hetzelfde lot. Het idee van een “Arische superioriteit” vormde de kern van Hitlers visie.
Het nationaalsocialisme was vanaf het begin expansionistisch. Hitler eiste dat alle Duitstaligen verenigd moesten worden in één rijk. Dit leidde tot de Anschluss van Oostenrijk (1938) en de annexatie van het Sudetenland. De Conferentie van München leek met Britse en Franse appeasement-politiek nog een oorlog af te wenden, maar in 1939 volgde de inval in Polen. Daarmee begon de Tweede Wereldoorlog (KA40).
Duitsland behaalde in de eerste oorlogsjaren spectaculaire overwinningen en bezette grote delen van Europa, waaronder Nederland (1940). Tijdens de bezetting (KA42) schakelden de nazi’s overal de rechtsstaat uit: censuur, propaganda, dwangarbeid en onderdrukking waren de norm.
De vervolging van Joden escaleerde tijdens de oorlog tot een systematische uitroeiing. Pogroms als de Kristallnacht (1938) waren de opmaat, maar vanaf 1941 volgden deportaties naar vernietigingskampen als Auschwitz, Treblinka en Sobibor. Dit leidde tot de genocide op zes miljoen Joden: de Holocaust (KA41). Ook miljoenen anderen (Roma, gehandicapten, krijgsgevangenen) kwamen om.
Het nationaalsocialisme bracht Duitsland en Europa in een ongekende vernietigingsoorlog:
Europa werd grotendeels bezet door nazi-Duitsland,
miljoenen slachtoffers door bombardementen, honger en massamoord,
het vertrouwen in beschaving en vooruitgang kreeg een zware klap.
In mei 1945 capituleerde Duitsland onvoorwaardelijk. Het land lag economisch, politiek en moreel in puin. De erfenis van het nazisme en de Holocaust bepaalde decennialang het beeld van Duitsland in Europa en de wereld.
1919: Verdrag van Versailles.
1929: Wereldcrisis.
1933: Hitler rijkskanselier, Machtigingswet.
1935: Neurenberger wetten.
1938: Anschluss en Conferentie van München.
1939: Inval in Polen, begin WOII.
1940–1945: Duitse bezetting Nederland.
1942: Wannseeconferentie, besluit tot “Endlösung”.
1945: Duitse capitulatie.
Dolkstootlegende – mythe dat Duitsland in 1918 verraden werd door politici en Joden.
Verdrag van Versailles – vredesregeling die Duitsland herstelbetalingen en gebiedsverlies oplegde.
Weimarrepubliek – Duitse parlementaire democratie (1919–1933).
NSDAP – Nationaalsocialistische partij van Hitler.
Propaganda – middelen om de publieke opinie te beïnvloeden, o.a. film, radio, affiches.
Volksgemeinschaft – nationaalsocialistisch ideaal van een hechte, “raszuivere” gemeenschap.
Neurenberger wetten – rassenwetten uit 1935 die Joden hun burgerrechten ontnamen.
Holocaust – systematische genocide op de Joden in WOII.
Bezetting Nederland – onderdrukking en vervolging tijdens Duitse bezetting (1940–1945).
Na de onvoorwaardelijke capitulatie van Duitsland in mei 1945 lag het land in puin: miljoenen doden, steden verwoest, miljoenen vluchtelingen en ontheemden, en een economie die volledig ingestort was. Duitsland verloor ook gebieden in het oosten (zoals Oost-Pruisen en Silezië), waardoor miljoenen Duitsers als Heimatvertriebene moesten verhuizen. Tegelijk kwamen overlevenden van concentratiekampen en krijgsgevangenen terug in een verscheurd land.
De geallieerden (VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie) verdeelden Duitsland in vier bezettingszones, met Berlijn apart verdeeld in vier sectoren. In eerste instantie was het plan om gezamenlijk toezicht te houden op herstel, demilitarisatie en denazificatie. Maar al snel zorgden fundamentele verschillen tussen de Sovjet-Unie en de westerse geallieerden voor spanningen.
De Sovjet-Unie wilde haar invloed uitbreiden en installeerde communistische regimes in Oost-Europa (KA38, KA45). Stalin wilde Duitsland onder communistische controle brengen om zo een buffer tegen toekomstige aanvallen te hebben.
De Verenigde Staten en hun bondgenoten zagen dit als een bedreiging voor de vrijheid in Europa. Zij reageerden met de Trumandoctrine (1947): containment van het communisme. Daarnaast kwam het Marshallplan (1947), dat via economische hulp West-Europa moest herstellen en stabiliseren. West-Duitsland profiteerde enorm van deze hulp.
De spanningen liepen hoog op tijdens de Blokkade van Berlijn (1948–1949). Stalin probeerde West-Berlijn, midden in de Sovjet-zone, economisch te isoleren door alle toegangswegen af te sluiten. De Westerse geallieerden reageerden met de Berlijnse luchtbrug, waarmee ze maandenlang voedsel en brandstof invlogen. De blokkade mislukte, maar de scheiding tussen Oost en West was definitief geworden.
In 1949 werd in de westelijke zones de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) opgericht, een parlementaire democratie.
Kort daarna ontstond in de Sovjet-zone de Duitse Democratische Republiek (DDR), een communistische volksdemocratie naar Sovjetmodel.
Daarmee was de Duitse deling een feit.
Onder bondskanselier Konrad Adenauer koos de BRD voor nauwe samenwerking met het Westen. Het beleid was gericht op:
integratie in westerse allianties (NAVO, 1955),
deelname aan de Europese samenwerking (EGKS, 1951 → later EEG),
herstel van de economie via het Wirtschaftswunder, mogelijk gemaakt door Marshallhulp en een sterke industrie.
West-Duitsland werd in de jaren vijftig een stabiele parlementaire democratie met een groeiende welvaart. Adenauer weigerde de DDR te erkennen en hield vast aan het ideaal van één Duitsland.
De DDR onder Walter Ulbricht volgde een communistisch model. Hoewel zij zich officieel presenteerde als “volksdemocratie”, was het een totalitaire dictatuur (KA38).
De Stasi hield de bevolking nauwlettend in de gaten.
Politieke tegenstanders werden onderdrukt.
De economie was een centraal geleide planeconomie, die slecht functioneerde.
Grote herstelbetalingen aan de Sovjet-Unie verzwakten de economie verder.
De bevolking had te maken met schaarste, lage levensstandaard en weinig vrijheden. In 1953 kwam het tot een volksopstand tegen de regering, die met hulp van Sovjettroepen werd neergeslagen.
Ondanks de repressie bleven Oost-Duitsers naar het Westen vluchten, vaak via Berlijn. Tussen 1949 en 1961 vertrokken ongeveer 2,7 miljoen mensen, vaak jonge en goed opgeleide burgers. Dit was een enorme aderlating voor de DDR.
In augustus 1961 besloot de DDR met toestemming van Moskou de grenzen hermetisch af te sluiten. De bouw van de Berlijnse Muur maakte de Duitse deling onomkeerbaar. West-Berlijn bleef een “vitrine van de vrije wereld” in het hart van het Oostblok, terwijl Oost-Berlijn en de DDR volledig onder Sovjetcontrole bleven.
De Verenigde Staten protesteerden, maar erkenden feitelijk de deling: West-Berlijn werd militair beschermd, maar er kwam geen directe confrontatie.
De Koude Oorlog bepaalde in de periode 1945–1961 volledig de Duitse geschiedenis:
Duitsland werd het epicentrum van de Koude Oorlog, verdeeld in twee staten en twee ideologische blokken.
In het Westen ontwikkelde zich een succesvolle democratie met economische groei en Europese samenwerking.
In het Oosten vestigde zich een communistische dictatuur met repressie, armoede en een afhankelijkheid van Moskou.
De Berlijnse Muur symboliseerde vanaf 1961 de scheiding van Oost en West.
1945: Bezettingszones Duitsland.
1947: Marshallplan en Trumandoctrine.
1948–49: Blokkade van Berlijn en luchtbrug.
1949: Oprichting BRD en DDR.
1953: Opstand DDR, neergeslagen door Sovjet-troepen.
1955: BRD lid van NAVO, integratie in Europa.
1961: Bouw van de Berlijnse Muur.
Bezettingszones – verdeling van Duitsland en Berlijn na 1945.
Marshallplan – economisch hulpprogramma van de VS voor West-Europa.
Trumandoctrine – Amerikaanse politiek van containment van het communisme.
Blokkade van Berlijn – Sovjetpoging (1948–49) om West-Berlijn uit te hongeren.
Berlijnse luchtbrug – bevoorrading van West-Berlijn door geallieerden.
BRD – Bondsrepubliek Duitsland, parlementaire democratie in West-Europa.
DDR – Duitse Democratische Republiek, communistische dictatuur in Oost-Europa.
Wirtschaftswunder – snelle economische groei van West-Duitsland in de jaren 1950.
Stasi – Oost-Duitse geheime dienst, symbool van repressie.
Berlijnse Muur – fysieke scheiding tussen Oost- en West-Berlijn (1961–1989).
Na de bouw van de Berlijnse Muur in 1961 leek de Duitse deling definitief. Oost en West-Duitsland waren twee verschillende werelden geworden:
in het Westen een welvarende, democratische Bondsrepubliek,
in het Oosten een communistische dictatuur, afhankelijk van de Sovjet-Unie.
Toch bleef het streven naar hereniging bestaan, vooral in West-Duitsland. Terwijl de wereld werd gedomineerd door de Koude Oorlog en de wapenwedloop (KA45), groeide in de decennia daarna de wil om de tegenstellingen te overbruggen.
In de jaren zestig en zeventig kwam er een fase van détente (ontspanning) tussen Oost en West. Bondskanselier Willy Brandt voerde de Ostpolitik: een beleid gericht op toenadering tot de DDR en andere Oost-Europese landen.
In 1972 sloten de BRD en DDR het Basisverdrag, waarin zij elkaar erkenden als soevereine staten.
Dit betekende niet dat West-Duitsland de deling accepteerde als permanent, maar wel dat er praktische afspraken kwamen over reizen, familiebezoek en handel.
Voor Brandt was Ostpolitik ook een manier om West-Duitsland sterker te verankeren in het Westen: door Europese samenwerking (EGKS, EEG) en nauwe banden met de VS wilde hij voorkomen dat de BRD geïsoleerd raakte.
DDR-leider Erich Honecker accepteerde het verdrag, maar hield vast aan het idee dat de Duitse deling definitief was.
Vanaf de jaren tachtig raakte de Sovjet-Unie in een diepe crisis:
economische stagnatie,
hoge militaire lasten door de wapenwedloop,
groeiende onvrede in Oost-Europese satellietstaten.
De nieuwe Sovjetleider Mikhail Gorbatsjov probeerde het systeem te hervormen met zijn beleid van glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming). Om dit te laten slagen, had hij samenwerking met het Westen nodig. Daarom liet hij de Brezjnevdoctrine los (de regel dat de Sovjet-Unie altijd zou ingrijpen bij dreigende hervormingen in een satellietstaat).
Voor de Oost-Europese landen, inclusief de DDR, betekende dit dat Moskou niet langer garant stond voor militair ingrijpen.
In de DDR weigerde Honecker Gorbatsjovs koers te volgen. Hij vreesde dat hervormingen de communistische dictatuur zouden ondermijnen. Maar via televisie en radio zagen Oost-Duitsers dagelijks het vrije en welvarende leven in West-Duitsland. De onvrede groeide.
In de zomer van 1989 openden Hongarije en Tsjechoslowakije hun grenzen met het Westen. Massaal vluchtten DDR-burgers via deze landen naar West-Europa.
Tegelijk ontstond in Oost-Duitse steden een brede protestbeweging, met demonstraties voor vrijheid en democratie.
Op 9 november 1989 kwam het tot een keerpunt: de Berlijnse Muur viel. Bewakers lieten de grenzen open, en duizenden Oost-Berlijners stroomden naar het Westen. Dit symboliseerde niet alleen het einde van de Duitse deling, maar ook het begin van het einde van de Koude Oorlog.
Na de val van de Muur ging het snel:
In 1990 werden de BRD en DDR herenigd tot één staat, met Berlijn als hoofdstad.
Kanselier Helmut Kohl speelde een sleutelrol in de onderhandelingen met de vier geallieerde machten (VS, VK, Frankrijk, SU) om de hereniging internationaal erkend te krijgen.
Frankrijk en andere Europese landen vreesden een te machtig Duitsland. Om hun steun te krijgen, stemde Kohl in met verdere Europese integratie, waaronder de invoering van de euro.
In 1991 viel de Sovjet-Unie uiteen. Daarmee eindigde de Koude Oorlog en werd de hereniging van Duitsland definitief verankerd in de internationale orde.
De hereniging was geen gemakkelijke opgave. Het “Westen” moest miljarden investeren om de voormalige DDR-economie op te bouwen. Vele Oost-Duitse bedrijven gingen failliet en werkloosheid nam sterk toe. Tegelijk speelde ook immigratie een rol als nieuwe uitdaging voor de democratie.
Toch slaagde Duitsland er in de jaren negentig in om zich succesvol te integreren in Europa en zelfs een leidende rol te gaan spelen in de EU.
Het einde van de Duitse deling was ook het symbool van het einde van de Koude Oorlog.
Duitsland werd opnieuw een centrale macht in Europa, maar ditmaal als democratische en geïntegreerde staat.
Europese samenwerking kreeg een sterke impuls door de Duitse bereidheid om nationale macht in te ruilen voor Europese eenheid.
1972: Basisverdrag tussen BRD en DDR.
1985: Gorbatsjov aan de macht, start glasnost en perestrojka.
1989: Protestbewegingen en val van de Berlijnse Muur.
1990: Duitse hereniging onder Kohl.
1991: Uiteenvallen Sovjet-Unie, einde Koude Oorlog.
Ostpolitik – beleid van Willy Brandt om de relaties met de DDR en Oost-Europa te verbeteren.
Basisverdrag (1972) – BRD en DDR erkennen elkaar als staten.
Glasnost – openheid, hervormingspolitiek van Gorbatsjov.
Perestrojka – economische en politieke hervormingen in de SU.
Brezjnevdoctrine – recht van de SU om militair in te grijpen in Oost-Europa; door Gorbatsjov verlaten.
Val van de Berlijnse Muur (1989) – symbool van de ineenstorting van het Oostblok.
Hereniging (1990) – BRD en DDR werden opnieuw één staat.
Helmut Kohl – bondskanselier die de Duitse hereniging leidde.
Europese integratie – proces waarbij Duitsland zich inruilde voor een leidende rol binnen de EU.