De 20e eeuw wordt gekenmerkt door de opkomst van totalitaire ideologieën en regimes waarin de staat op ongekende schaal probeerde invloed uit te oefenen op het denken en doen van burgers. Nieuwe communicatietechnologieën zoals film, radio en drukpers werden door overheden aangewend voor het verspreiden van ideologische boodschappen. In combinatie met het streven naar een massale organisatie van het volk leidde dit tot een ongekende greep op het dagelijks leven.
Propaganda werd niet slechts een middel om te overtuigen, maar een strategisch wapen in de vorming van gehoorzame onderdanen, het onderdrukken van oppositie en het mobiliseren van hele bevolkingen. Massabijeenkomsten, symboliek, uniforme kleding en het uitschakelen van vrije pers maakten deel uit van deze gecoördineerde pogingen.
Nazi-Duitsland
In nazi-Duitsland was propaganda een van de belangrijkste middelen waarmee het regime de bevolking in zijn greep hield. Joseph Goebbels, minister van Propaganda, coördineerde alle vormen van media: kranten, radio, film, literatuur en kunst. Kritiek of onafhankelijke pers werd verboden; alleen berichten die het naziregime steunden, mochten verschijnen. Hitler werd neergezet als een charismatische redder van het Duitse volk, een onfeilbare leider die Duitsland zou terugbrengen naar zijn ‘ware grootsheid’. Massale partijdagen in Neurenberg, met duizenden mensen in perfect georganiseerde rijen en indrukwekkende lichtshows, moesten de eenheid en kracht van het Duitse volk uitstralen. Propaganda richtte zich bovendien sterk tegen vijandbeelden, zoals Joden en communisten, om haat en verdeeldheid te zaaien. Zo werd een sfeer geschapen waarin het volk massaal achter de oorlog en de Holocaust kon worden gemobiliseerd.
Sovjet-Unie
In de Sovjet-Unie gebruikte Stalin propaganda om een persoonlijkheidscultus rond zichzelf op te bouwen. Hij liet zich afbeelden als de ‘vader van het volk’, een onfeilbare leider die alles wist en alles goed deed. Dit beeld werd verspreid via standbeelden, schilderijen, schoolboeken en de officiële partijkrant Pravda. Propaganda zat in het dagelijks leven: in fabrieken hingen portretten van Stalin, kinderen leerden op school dat de partij altijd gelijk had, en op de radio werden zijn toespraken voortdurend uitgezonden. Kritiek werd streng bestraft en alternatieve ideeën mochten niet circuleren. Deze constante stroom van propaganda versterkte het totalitaire karakter van de staat en zorgde ervoor dat mensen, vaak uit angst of opportunisme, meegingen in de ideologie.
Fascistisch Italië
Mussolini begreep dat propaganda essentieel was om zijn macht te behouden. Hij presenteerde zichzelf als een moderne Romeinse keizer die Italië weer groots en machtig zou maken. Massale parades, waarin soldaten in uniform en jeugdorganisaties zoals de Opera Nazionale Balilla meeliepen, benadrukten de militaristische waarden van gehoorzaamheid en discipline. Via scholen leerden kinderen al vroeg dat Mussolini een held was. De media, die volledig onder controle stonden, schilderden hem af als de enige die Italië kon leiden. Zelfs in de architectuur en kunst kwam deze propaganda tot uiting: grote bouwwerken en standbeelden moesten herinneren aan de glorie van het oude Rome en zo de link leggen met Mussolini’s regime.
Propaganda: Systematische beïnvloeding van meningen en gedragingen via massamedia.
Communicatiemiddelen: Radio, film, kranten, affiches.
Massaorganisatie: NSDAP, Komsomol (communistische jeugd), Fasci di Combattimento.
Leiders: Goebbels, Stalin, Mussolini.
Concepten: Censuur, persoonsverheerlijking, indoctrinatie, totalitarisme.
Propaganda
Vorm van communicatie gericht op beïnvloeding van denken en gedrag
Totalitaire staat
Staat die totale controle nastreeft over het publieke en private leven
Indoctrinatie
Systematisch en eenzijdig onderwijzen van een bepaald gedachtegoed
Massaorganisatie
Organisaties waarin burgers collectief worden opgevoed en gecontroleerd
Censuur
Verbod op het uiten van afwijkende meningen in media en kunst
In de eerste helft van de 20e eeuw ontstonden in Europa totalitaire regimes die de samenleving volledig wilden beheersen. Deze regimes baseerden zich op ideologieën die allesomvattende wereldbeelden boden: het communisme, het fascisme en het nationaalsocialisme. Zij verwierpen de democratie, streefden naar volledige controle over staat en maatschappij, en maakten gebruik van propaganda, censuur, terreur en massaorganisatie.
Communisme, fascisme en nationaalsocialisme verschilden in inhoud en doelen, maar kwamen overeen in hun streven naar een allesomvattende staat. Zij bouwden systemen waarin afwijkende meningen werden onderdrukt en persoonlijke vrijheden nauwelijks bestonden. Dit had verstrekkende gevolgen voor miljoenen mensen.
Het communisme in de Sovjet-Unie onder Stalin (1924–1953) was officieel gericht op het scheppen van een klasseloze samenleving, waarin iedereen gelijk zou zijn en productiemiddelen gemeenschappelijk bezit waren. In de praktijk werd dit doel op een gewelddadige en onderdrukkende manier nagestreefd. De landbouw werd gedwongen gecollectiviseerd: boeren moesten hun land en vee inleveren en werken op staatsboerderijen (kolchozen). Veel zogenaamde ‘koelakken’ (welvarende boeren) verzetten zich, waarop miljoenen werden gedeporteerd naar werkkampen (Goelag) of omkwamen tijdens hongersnoden, zoals in Oekraïne (Holodomor, 1932–1933).
Stalin bouwde een totalitaire staat waarin elke oppositie werd uitgeschakeld. De Grote Terreur (1936–1938) bestond uit showprocessen tegen vermeende vijanden van de staat, massa-arrestaties door de geheime politie (NKVD) en executies. Miljoenen burgers leefden in angst, omdat zelfs een onschuldige opmerking kon leiden tot vervolging. Tegelijkertijd werd propaganda gebruikt om Stalin af te beelden als een onfeilbare leider en ‘vader des vaderlands’. Kunst, onderwijs en wetenschap werden volledig ondergeschikt gemaakt aan de ideologie: alleen socialistisch realisme was toegestaan, waarbij heldhaftige arbeiders en een glorieuze Sovjetstaat centraal stonden.
In Italië greep Benito Mussolini in 1922 de macht en vestigde de eerste fascistische dictatuur in Europa. Het fascisme stelde de staat en de natie boven het individu en verwierp democratie en politieke pluraliteit. Mussolini wilde Italië terugbrengen naar de glorie van het oude Rome en gebruikte een agressief nationalisme om zijn macht te legitimeren. Het regime verheerlijkte geweld, discipline en gehoorzaamheid.
De economie werd georganiseerd in een zogenoemde corporatieve staat: werkgevers en werknemers werden gedwongen samen te werken in door de staat gecontroleerde organisaties. Hiermee werd sociale harmonie beloofd, maar in werkelijkheid hield de staat zo volledige controle. Politieke tegenstanders, zoals socialisten en communisten, werden gearresteerd, gemarteld of vermoord door knokploegen van de Zwarthemden. Jeugdorganisaties zoals de Opera Nazionale Balilla leerden kinderen al vroeg fascistische waarden en loyaliteit aan Mussolini. De media, kunst en cultuur werden sterk gecensureerd en ingezet om Mussolini neer te zetten als de enige leider (Il Duce) die Italië kon leiden.
Het nationaalsocialisme van Adolf Hitler en de NSDAP (Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij) bouwde voort op fascistische principes, maar voegde een sterk racistische en antisemitische dimensie toe. Nadat Hitler in 1933 aan de macht kwam, werd Duitsland razendsnel omgevormd tot een totalitaire staat. De Rijksdagbrand en de Machtigingswet gaven Hitler vrijwel onbeperkte macht. Politieke tegenstanders, zoals communisten en sociaaldemocraten, werden opgesloten in concentratiekampen zoals Dachau.
De Gestapo (geheime staatspolitie) en de SS hielden toezicht op burgers en gebruikten terreur om afwijkend gedrag uit te schakelen. De nazi-ideologie draaide om de ‘Volksgemeinschaft’, een nationale gemeenschap waarin alle Duitsers ondergeschikt waren aan de belangen van het collectief en de Führer. Centraal stond het idee dat het ‘Arische ras’ superieur was. Racisme en antisemitisme waren kernpunten: de Neurenberger rassenwetten van 1935 verboden huwelijken en relaties tussen Joden en niet-Joden en sloten Joden juridisch uit de samenleving. Vanaf de Kristallnacht (1938) namen de vervolgingen steeds gewelddadiger vormen aan en mondde dit uiteindelijk uit in de systematische genocide tijdens de Holocaust.
Totalitarisme: Allesomvattende staatsmacht over maatschappij en individu.
Communisme: Stalin, vijfjarenplannen, kolchozen, Grote Terreur.
Fascisme: Mussolini, Mars op Rome, zwarte hemden, corporatisme.
Nationaalsocialisme: Hitler, NSDAP, rassenleer, SS, Gestapo, Neurenberger wetten.
Middelen: Censuur, propaganda, terreur, persoonsverheerlijking.
Totalitaire staat
Staat waarin de overheid totale controle uitoefent over de samenleving
Communisme
Ideologie die streeft naar een klasseloze samenleving onder staatscontrole
Fascisme
Ideologie die de staat verabsoluteert, geweld verheerlijk en democratie afwijst
Nationaalsocialisme
Variant van fascisme met nadruk op rassenleer en antisemitisme
Censuur
Overheidscontrole op media en kunst
Propaganda
Middel tot beïnvloeding van publieke opinie
Terreur
Georganiseerd staatsgeweld tegen politieke tegenstanders
De jaren 1920 en 1930 vormden een turbulente periode in de economische wereldgeschiedenis. Na de bloei van de 'Roaring Twenties' in de Verenigde Staten volgde een dramatische ineenstorting van de aandelenmarkt in oktober 1929: de Beurskrach. Deze gebeurtenis luidde het begin in van een wereldwijde economische crisis die leidde tot massale werkloosheid, faillissementen en politieke instabiliteit.
De crisis maakte een einde aan het geloof in de onbeperkte groei van het kapitalisme en had grote gevolgen voor samenlevingen over de hele wereld. Overheden grepen in toenemende mate in om de economische neergang te bestrijden, wat leidde tot nieuwe economische denkkaders zoals het Keynesianisme. De crisis droeg bovendien bij aan de opkomst van extremistische bewegingen en ondermijnde het vertrouwen in democratische instellingen.
De crisis van het wereldkapitalisme werd veroorzaakt door meerdere structurele factoren:
Overproductie in landbouw en industrie, wat leidde tot prijsdalingen en voorraden die niet meer verkocht raakten.
Speculatie op de beurs, waarbij veel mensen aandelen kochten met geleend geld in de verwachting van snelle winst.
Beperkte overheidsregulering van banken en beurs, waardoor de zeepbel onbeheerst kon groeien.
Mondiale verbondenheid: de economische problemen in de VS sloegen over naar Europa en andere delen van de wereld door de verwevenheid van financiële markten.
Massale werkloosheid: In de VS liep de werkloosheid op tot 25%, in Duitsland tot boven de 30%.
Armoede en honger: Veel gezinnen verloren hun huis of bestaansmiddelen.
Politieke gevolgen: De economische crisis leidde tot een sterke afname van het vertrouwen in de democratische regeringen. In Duitsland werd de Weimarrepubliek als zwak en besluiteloos ervaren, wat de deur opende voor extremistische partijen zoals de NSDAP. Deze partij presenteerde zich als krachtig en daadkrachtig, beloofde herstel van nationale trots en economische voorspoed. Via effectieve propaganda, massabijeenkomsten en charismatisch leiderschap van Adolf Hitler wist de partij miljoenen kiezers aan zich te binden. In andere landen, zoals Italië en Spanje, wonnen eveneens autoritaire of fascistische bewegingen aan invloed.
Nieuwe economische politiek: In de Verenigde Staten reageerde president Franklin D. Roosevelt op de crisis met de "New Deal", een reeks economische en sociale hervormingen gericht op herstel. De New Deal bestond uit drie pijlers: "Relief" (directe hulp aan werklozen en armen), "Recovery" (herstel van de economie via publieke werken, subsidies en regelgeving) en "Reform" (structurele hervormingen van banken, beurs en landbouw). Voor het eerst nam de Amerikaanse federale overheid op grote schaal verantwoordelijkheid voor economische en sociale stabiliteit. Dit vormde een breuk met het laissez-faire beleid en luidde het tijdperk van de verzorgingsstaat in.
Beurskrach 1929: Instorting van de aandelenmarkt op Wall Street.
Wereldcrisis: Verspreiding van economische neergang over alle werelddelen.
New Deal: Roosevelt's beleid om de economie te stimuleren.
Werkloosheidscijfers: Tot 25% in VS, boven de 30% in Duitsland.
Politieke gevolgen: Opkomst van NSDAP, ondermijning van parlementaire democratie.
Economische theorieën: Keynesianisme als alternatief voor vrijemarktkapitalisme.
Beurskrach
Plotselinge en scherpe daling van aandelenkoersen op de beurs
Wereldcrisis
Wereldwijde economische crisis na 1929
New Deal
Reeks maatregelen van Roosevelt om de Amerikaanse economie te herstellen
Keynesianisme
Economische leer die pleit voor overheidsingrijpen bij crisis
Werkloosheid
Situatie waarin mensen geen betaald werk hebben
De twintigste eeuw werd gekenmerkt door twee ongekende wereldconflicten die het lot van miljoenen mensen bepaalden: de Eerste Wereldoorlog (1914–1918) en de Tweede Wereldoorlog (1939–1945). Beide oorlogen waren totaaloorlogen: conflicten waarin hele samenlevingen, inclusief burgers, economieën en propaganda-apparaten, werden gemobiliseerd voor de strijd.
De oorzaken, het verloop en de gevolgen van deze oorlogen zijn complex en verweven met andere kenmerkende aspecten. Ze weerspiegelen de groeiende ideologische tegenstellingen, imperialistische spanningen, economische instabiliteit en nationalistische agressie van de tijd. De ervaringen van deze oorlogen vormden de politieke en maatschappelijke verhoudingen van de rest van de eeuw.
Nationalisme in Europa (vooral op de Balkan)
Nationalisme betekende dat volkeren zichzelf als één natie zagen en recht meenden te hebben op een eigen staat. Dit speelde sterk in multi-etnische rijken zoals Oostenrijk-Hongarije, waar Serviërs, Kroaten, Hongaren en andere volkeren leefden. Vooral op de Balkan leidde dit tot spanningen: Servië droomde van een Groot-Servië, terwijl Oostenrijk-Hongarije dat probeerde tegen te houden. Nationalisme leidde ook in grote mogendheden, zoals Duitsland en Frankrijk, tot trots en vijanddenken. Frankrijk wilde bijvoorbeeld Elzas-Lotharingen terug, dat het in 1871 aan Duitsland was verloren. Dit zorgde voor een sfeer van rivaliteit en een voedingsbodem voor conflict.
Bondgenootschappen (Triple Entente vs. Triple Alliantie)
In de decennia voor 1914 sloten landen bondgenootschappen om elkaar te beschermen. Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië vormden de Triple Alliantie. Daartegenover stond de Triple Entente, bestaande uit Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Deze blokvorming zorgde voor een wankel machtsevenwicht: een aanval op één land kon een kettingreactie veroorzaken. Dit bondgenootschapsstelsel gaf landen zelfvertrouwen om hard op te treden, omdat ze wisten dat ze steun zouden krijgen van hun partners.
Wapenwedloop en militarisme
Europa kende vóór 1914 een wapenwedloop, vooral op zee tussen Groot-Brittannië en Duitsland. Beide landen bouwden steeds grotere oorlogsschepen, zoals de Britse Dreadnoughts. Militarisme versterkte dit proces: generaals en politici geloofden dat oorlog een manier was om nationale kracht te tonen. In veel landen waren militaire waarden als discipline, eer en gehoorzaamheid erg belangrijk. Het geloof dat een oorlog snel gewonnen kon worden, maakte de bereidheid groter om die oorlog ook echt te riskeren.
Koloniale spanningen en imperialisme
Buiten Europa stonden grootmachten tegenover elkaar in de strijd om koloniën in Afrika en Azië. Vooral Duitsland voelde zich benadeeld: Groot-Brittannië en Frankrijk hadden veel koloniaal bezit, terwijl Duitsland pas laat deelnam aan de koloniale wedloop. Dit veroorzaakte conflicten, zoals de Marokko-crises, waarbij Duitsland probeerde Franse invloed te ondermijnen. Deze koloniale rivaliteit versterkte de vijandbeelden en vergrootte de internationale spanning.
Directe aanleiding: de moord op Franz Ferdinand in Sarajevo (1914)
De Oostenrijkse kroonprins Frans Ferdinand werd op 28 juni 1914 vermoord door Gavrilo Princip, een Bosnisch-Servische nationalist. Oostenrijk-Hongarije zag dit als kans om Servië aan te pakken. Met steun van Duitsland stelde het Servië een streng ultimatum. Toen Servië dit deels afwees, verklaarde Oostenrijk-Hongarije de oorlog. Door het bondgenootschapsstelsel werd dit regionale conflict binnen enkele weken een Europese en later wereldwijde oorlog.
Oorlog aan het westfront: loopgravenoorlog
In België en Noord-Frankrijk groeven soldaten zich in in kilometerslange loopgraven. Frontlinies verschoof nauwelijks, terwijl miljoenen soldaten sneuvelden. Bekende veldslagen zoals bij Verdun en de Somme symboliseren de uitzichtloze strijd: enorme verliezen voor vaak maar enkele kilometers terreinwinst. Het leven in de loopgraven was zwaar, met modder, ratten en voortdurende angst voor beschietingen.
Oorlog aan het oostfront
Aan het oostfront, in Rusland en Oost-Europa, was de oorlog dynamischer. Het Russische leger was groot, maar slecht bewapend en slecht geleid. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije boekten daar grote overwinningen. De zware verliezen en economische problemen leidden in Rusland tot revolutie in 1917. Eerst werd de tsaar afgezet, later grepen de bolsjewieken de macht en sloten vrede met Duitsland (Vrede van Brest-Litovsk, 1918).
Nieuwe wapentechnologie
Voor het eerst werden moderne wapens op grote schaal gebruikt. Gifgas veroorzaakte verschrikkelijke verwondingen, tanks braken door loopgraven, en vliegtuigen werden ingezet voor verkenning en bombardementen. Mitrailleurs maakten massale aanvallen vrijwel onmogelijk. Deze technologische vernieuwingen veranderden oorlogvoering voorgoed en maakten de Eerste Wereldoorlog tot een industriële massavernietigingsoorlog.
In 1917: VS in oorlog, Rusland sluit vrede
In 1917 traden de Verenigde Staten toe tot de oorlog, mede omdat Duitse onderzeeërs Amerikaanse schepen tot zinken brachten. De Amerikaanse deelname gaf de geallieerden een beslissend voordeel. Tegelijkertijd viel Rusland weg na de bolsjewistische revolutie en tekende een aparte vrede met Duitsland. Dit gaf Duitsland kortstondig hoop op overwinning aan het westfront.
Vrede van Versailles (1919)
Duitsland kreeg de schuld van de oorlog en werd zwaar gestraft. Het verloor gebieden (zoals Elzas-Lotharingen en koloniën), moest enorme herstelbetalingen doen en mocht nauwelijks nog een leger hebben. Veel Duitsers ervoeren dit als een nationale vernedering, wat later bijdroeg aan de opkomst van Hitler.
Val van keizerrijken
De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van vier grote monarchieën: Duitsland (Kaiser Wilhelm II trad af), Oostenrijk-Hongarije (viel uiteen in aparte staten), Rusland (de tsaar werd afgezet en vervangen door de bolsjewieken) en het Ottomaanse Rijk (dat werd opgedeeld). Dit veranderde de geopolitieke kaart van Europa en het Midden-Oosten drastisch.
Oprichting Volkenbond
Om toekomstige oorlogen te voorkomen, werd de Volkenbond opgericht. Dit was een eerste poging tot internationale samenwerking en vrede, maar de organisatie had weinig macht en werd door belangrijke landen (zoals de VS) niet volledig gesteund.
Sociale en psychologische schade: ‘verloren generatie’
Miljoenen soldaten keerden verminkt of getraumatiseerd terug. Een hele generatie jongeren had de oorlog meegemaakt, wat leidde tot desillusie en somberheid. Kunst en literatuur uit de jaren ’20 en ’30 weerspiegelen dit gevoel van een ‘verloren generatie’.
Revanchisme Duitsland na Versailles
De harde voorwaarden van de Vrede van Versailles voedden in Duitsland wrok. Economische problemen, zoals hyperinflatie en werkloosheid in de jaren ’20 en ’30, versterkten dit gevoel. De nazi’s maakten handig gebruik van deze onvrede door beloftes te doen over herstel van nationale trots en herziening van de grenzen.
Appeasementpolitiek van Engeland en Frankrijk
Groot-Brittannië en Frankrijk probeerden een nieuwe oorlog te voorkomen door Hitler tegemoet te komen. Ze stonden de herbewapening van Duitsland toe, accepteerden de Anschluss (aansluiting van Oostenrijk) en gaven Sudetenland af bij de Conferentie van München (1938). Dit gaf Hitler vertrouwen dat hij verder kon uitbreiden zonder serieuze tegenstand.
Totalitaire ideologieën (KA38)
In Duitsland, Italië en de Sovjet-Unie ontwikkelden zich totalitaire regimes, waarin de staat totale controle had. Hitler en Mussolini propageerden fascistische en nationaalsocialistische ideeën, met nadruk op militarisme, racisme en onderdrukking van oppositie. Deze ideologieën stimuleerden expansie en gewelddadige onderwerping van andere volkeren.
Expansionisme van Duitsland, Italië en Japan
Duitsland wilde Lebensraum in Oost-Europa en begon landen te annexeren. Italië probeerde een nieuw Romeins rijk op te bouwen door Ethiopië en delen van de Balkan te veroveren. Japan bezette grote delen van China en Zuidoost-Azië. Deze agressieve politiek bracht de wereld onvermijdelijk dichter bij oorlog.
Aanleiding: Duitse inval in Polen (1939)
Op 1 september 1939 viel Duitsland Polen binnen. Twee dagen later verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Dit markeerde het officiële begin van de Tweede Wereldoorlog.
Blitzkrieg
Duitsland paste een nieuwe strategie toe: de Blitzkrieg, waarbij tanks, vliegtuigen en infanterie in korte tijd enorme gebieden veroverden. Zo werd Polen in enkele weken onder de voet gelopen en vielen later ook Nederland, België en Frankrijk.
Slag om Engeland en Operatie Barbarossa
In 1940 probeerde Duitsland Engeland via luchtaanvallen tot overgave te dwingen, maar de Britse luchtmacht hield stand. In 1941 begon Operatie Barbarossa, de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Aanvankelijk boekte Duitsland successen, maar de Russische winter en de enorme omvang van het land werden fataal.
Pearl Harbor (1941)
Japan viel de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor aan. Dit leidde tot de toetreding van de VS, die al snel een doorslaggevende rol speelden, zowel in Europa als in Azië.
Jodenvervolging en Holocaust (KA41)
De nazi’s voerden een systematische genocide uit op Joden, Roma, homoseksuelen en politieke tegenstanders. In vernietigingskampen zoals Auschwitz werden miljoenen mensen vermoord. De Holocaust is een van de grootste misdaden tegen de menselijkheid uit de geschiedenis.
Slag om Stalingrad (1942–1943)
Deze slag was een keerpunt aan het oostfront. Het Duitse leger werd omsingeld en moest zich overgeven. Vanaf dit moment kwamen de Sovjets steeds verder in de aanval.
D-Day (1944)
Op 6 juni 1944 landden de geallieerden in Normandië. Dit was het begin van de bevrijding van West-Europa en het begin van het einde voor nazi-Duitsland.
Duitse capitulatie (mei 1945)
Na zware gevechten in Berlijn gaf Duitsland zich over op 8 mei 1945. Hitler had kort daarvoor zelfmoord gepleegd in zijn bunker.
Atoombommen op Japan (augustus 1945)
Om een invasie van Japan te vermijden, gooiden de VS atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. De verwoesting en honderdduizenden doden dwongen Japan tot overgave.
Meer dan 60 miljoen doden
De Tweede Wereldoorlog was de dodelijkste oorlog ooit. Burgers werden doelwit van bombardementen, genocide en honger. Hele steden werden verwoest.
Hertekening van grenzen
Duitsland werd verdeeld in bezettingszones, Japan verloor zijn bezittingen, en Oost-Europa kwam onder invloed van de Sovjet-Unie. Nieuwe internationale machtsverhoudingen ontstonden.
Begin Koude Oorlog
De samenwerking tussen de VS en de Sovjet-Unie viel na de oorlog uiteen. Hun ideologische strijd tussen kapitalisme en communisme leidde tot de Koude Oorlog, die decennia zou duren.
Oprichting Verenigde Naties (VN)
In 1945 werd de VN opgericht om vrede en samenwerking te bevorderen. Anders dan de Volkenbond kreeg de VN meer slagkracht en werd ze wereldwijd een belangrijk forum voor internationale politiek.
Loopgravenoorlog: stilstand en massale verliezen aan het westfront
Verdrag van Versailles: herstelbetalingen, gebiedsverlies en militaire beperkingen voor Duitsland
D-Day en Stalingrad: keerpunten in WOII
Totalitaire regimes: Hitler, Mussolini, Hirohito
Holocaust: systematische vernietiging van Joden (zie KA41)
Atoombommen: wapeninzet met ongekende verwoestende kracht
Totaaloorlog: inzet van gehele samenleving voor oorlogvoering
Totaaloorlog
Oorlog waarin hele samenleving – ook burgers – wordt ingezet voor oorlog
Loopgravenoorlog
Oorlogsvoering vanuit uitgegraven stellingen, vooral in WOI
Verdrag van Versailles
Vredesverdrag na WOI met zware straffen voor Duitsland
Blitzkrieg
Snelle militaire aanvalstactiek gebruikt door Nazi-Duitsland
D-Day
Geallieerde landing in Normandië op 6 juni 1944
Atoombom
Wapen dat enorme vernietiging aanricht door kernsplijting
De twintigste eeuw was niet alleen een tijd van wereldoorlogen en ideologische confrontaties, maar ook van systematische uitsluiting en vernietiging van bevolkingsgroepen. In het bijzonder wordt dit kenmerkend aspect verbonden met de Holocaust, de genocide op de Europese Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar het verwijst ook naar andere vormen van etnische zuivering en racistische ideologieën.
De Holocaust ontstond niet uit het niets: zij werd gevoed door eeuwenlang antisemitisme, versterkt door de pseudowetenschappelijke rassentheorieën van de negentiende en twintigste eeuw en georganiseerd binnen een totalitair regime dat raciale zuiverheid tot staatsdoel maakte. De systematische uitsluiting, vervolging en vernietiging van Joden (en andere groepen zoals Roma, gehandicapten, homoseksuelen) werd een industriële moordmachine zonder weerga.
Antisemitisme is niet iets dat pas in de 20e eeuw ontstond, maar heeft een lange en complexe geschiedenis. Vanaf de Middeleeuwen werden Joden vaak neergezet als buitenstaanders in de christelijke samenleving. Omdat zij het christelijk geloof niet deelden, werden ze regelmatig beschuldigd van de "moord op Christus". Dit leidde ertoe dat Joden uit veel beroepen werden geweerd en geen lid mochten worden van gilden. Vaak mochten ze enkel werken in beroepen als geldhandel en belastinginning, waardoor ze nog meer negatieve stereotyperingen opriepen.
Daarnaast werden Joden bij epidemieën, hongersnoden of oorlogen vaak als zondebok aangewezen. Ze werden beschuldigd van het vergiftigen van waterputten of van complotten tegen de samenleving. Dit leidde tot gewelddadige vervolgingen, pogroms en massale uitwijzingen. In landen als Spanje en Portugal werden Joden in de 15e eeuw zelfs gedwongen zich te bekeren of te vertrekken (Inquisitie). Ook in Oost-Europa, vooral in Rusland, kwamen in de 18e en 19e eeuw grootschalige pogroms voor.
In de 19e eeuw, met de opkomst van moderne natiestaten, nam antisemitisme ook een politieke vorm aan. Joden werden vaak gezien als "vreemde elementen" die zich niet konden assimileren. In tijden van economische crisis of politieke onrust laaiden deze vooroordelen extra op: Joden werden beschuldigd van woeker, uitbuiting en samenzweringen tegen het volk. Dit idee werd versterkt door beruchte vervalsingen, zoals de Protocollen van de Wijzen van Sion (1903), een complottheorie waarin Joden ervan werden beschuldigd naar wereldheerschappij te streven.
Vanaf de 19e eeuw kreeg antisemitisme een nieuwe, pseudowetenschappelijke dimensie. Onder invloed van sociaal-darwinistische ideeën werden mensen ingedeeld in vermeende ‘rassen’, waarbij een hiërarchie werd aangebracht. Blanke Europeanen stonden zogenaamd bovenaan als "beschaving brengend", terwijl andere volkeren als minderwaardig werden afgeschilderd. Dit gaf kolonialisme en imperialisme een ideologische rechtvaardiging.
In dit denken werden Joden niet meer enkel als religieuze groep beschouwd, maar als een ‘ras’ met onveranderlijke eigenschappen. Dat maakte antisemitisme hardnekkiger: bekering tot het christendom bood geen uitweg meer. Het idee van het "Joodse ras" werd gekoppeld aan negatieve stereotyperingen: Joden zouden samenzweren om de natiestaat te ondermijnen, de economie te beheersen en volkeren te verzwakken.
Vooral in Duitsland raakten deze rassentheorieën verweven met nationalisme en antisemitisme. In de vroege 20e eeuw ontwikkelde zich het idee dat de natie alleen "rein" kon blijven door Joden en andere "ongewenste rassen" uit te sluiten. Dit vormde de voedingsbodem voor het nationaalsocialisme van Hitler, waarin antisemitisme een kernideologie werd. Het culmineerde uiteindelijk in de Holocaust, de systematische vervolging en vernietiging van zes miljoen Joden.
NSDAP-ideologie
De nationaalsocialistische ideologie van de NSDAP onder leiding van Adolf Hitler stelde de Joden verantwoordelijk voor de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, de economische crisis en het "morele verval" van de Weimarrepubliek. Volgens Hitler waren Joden geen Duitsers maar een vijandig, parasitair ras dat moest worden verwijderd om de volksgemeenschap te zuiveren en te herstellen. Deze ideologie werd uitgewerkt in Mein Kampf en verspreid via propaganda.
Discriminatie: Neurenberger wetten (1935)
Een cruciale stap in de juridische uitsluiting van Joden waren de Neurenberger rassenwetten van 1935. Deze verboden huwelijken en seksuele relaties tussen Joden en "Arische" Duitsers, en ontnamen Joden hun staatsburgerschap. Ze mochten niet meer werken in het onderwijs, de overheid of de media. Zo werd de weg geëffend voor totale uitsluiting uit de samenleving, zonder dat daar fysiek geweld voor nodig was.
Kristallnacht (1938)
Op 9 november 1938 vond de Kristallnacht plaats: een gecoördineerde actie van de nazi's waarbij honderden synagogen werden in brand gestoken, duizenden Joodse winkels en huizen werden vernield en circa 30.000 Joodse mannen naar concentratiekampen werden gedeporteerd. Deze pogrom markeerde de overgang van juridische discriminatie naar grootschalig geweld tegen de Joodse bevolking.
Getto's en deportaties
In de bezette gebieden werden Joodse gemeenschappen verplicht naar getto's te verhuizen. Deze ommuurde stadsdelen werden zwaar bewaakt en ondervoed. Vanuit deze getto's begonnen de massale deportaties: met treinen werden Joden onder erbarmelijke omstandigheden naar concentratie- en vernietigingskampen gebracht. Dit gebeurde stelselmatig en volgens nauwkeurige administratie.
Eindoplossing (Wannseeconferentie, 1942)
Op de Wannseeconferentie werd de zogenaamde Endlösung der Judenfrage besproken: de logistieke en administratieve organisatie van de totale uitroeiing van de Joden. Er werden vernietigingskampen ingericht met gaskamers, crematoria en aankomstplatforms. Auschwitz, Sobibor en Treblinka werden de dodelijkste plekken van het naziregime. De Holocaust werd hiermee een industriële genocide, waarbij meer dan zes miljoen Joden werden vermoord.
Roma en Sinti
Naast de Joden werden ook Roma en Sinti slachtoffer van het nazi-vernietigingsbeleid. Deze zigeunergroepen werden als "asociaal" en "raciaal minderwaardig" beschouwd. Velen belandden in kampen zoals Auschwitz-Birkenau, waar duizenden Roma, inclusief vrouwen en kinderen, werden vergast of door dwangarbeid om het leven kwamen. Het Porajmos (de Roma-genocide) kreeg pas decennia later erkenning.
Geestelijk gehandicapten
Onder het Aktion T4-programma begon het naziregime al voor de oorlog met de systematische moord op mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking. Ze werden in "euthanasie-instellingen" vermoord met koolmonoxidegas of dodelijke injecties. Deze moordcampagne gold als "voorbereiding" voor de Holocaust, zowel qua techniek als morele rechtvaardiging.
Homoseksuelen, Jehova's getuigen, politieke tegenstanders
Andere groepen die niet pasten binnen de nationaalsocialistische visie op de ideale samenleving, werden eveneens vervolgd. Homoseksuelen werden als pervers en bedreigend voor de volksgezondheid beschouwd. Jehova's getuigen weigerden militaire dienst en loyaliteit aan de staat, wat hen tot doelwit maakte. Politieke tegenstanders (zoals communisten en sociaaldemocraten) werden vroegtijdig opgepakt, vaak gemarteld of geëxecuteerd.
Antisemitisme
Vooroordelen, haat en discriminatie tegen Joden op religieuze, sociale of raciale gronden. Heeft diepe wortels in de Europese geschiedenis en bereikte een hoogtepunt in de Holocaust.
Pogrom
Een gewelddadige aanval op Joodse gemeenschappen, vaak met vernieling, plundering en moord. Vooral berucht in Rusland en Oost-Europa in de 19e en vroege 20e eeuw.
Rassentheorieën
Pseudowetenschappelijke ideeën uit de 19e en 20e eeuw die mensen verdeelden in hiërarchische rassen, met “blanke Europeanen” bovenaan. Legden de basis voor racisme, kolonialisme en nazisme.
Sociaal-darwinisme
Toepassing van Darwins idee van “survival of the fittest” op menselijke samenlevingen. Gebruikt om ongelijkheid, racisme en imperialisme te rechtvaardigen.
Volksgemeinschaft
Nazistisch ideaal van een “volksgemeenschap” waarin individuen volledig ondergeschikt waren aan de natie en de Führer, gebaseerd op raciale zuiverheid.
Neurenberger rassenwetten (1935)
Wetten die Joden hun burgerrechten ontnamen en huwelijken of relaties met niet-Joden verboden. Belangrijke stap in de juridische uitsluiting.
Kristallnacht (1938)
Georganiseerde pogrom in Duitsland en Oostenrijk: synagogen werden verwoest, Joodse winkels geplunderd, en duizenden Joden gearresteerd. Markeringspunt van toenemend openlijk geweld.
Getto
Afgesloten stadswijk waarin Joden verplicht werden te wonen, vaak met slechte leefomstandigheden en ondervoeding. Voorstadium van deportaties.
Wannseeconferentie (1942)
Bijeenkomst van hoge nazi-functionarissen in Berlijn, waar de “Endlösung der Judenfrage” (de systematische uitroeiing van de Joden) werd gecoördineerd.
Endlösung (Eindoplossing)
Nazi-term voor de genocide op de Europese Joden: de systematische deportatie en moord in vernietigingskampen.
Concentratiekamp
Kamp waar tegenstanders van het regime, Joden en andere “ongewensten” opgesloten werden. Bekend voorbeeld: Dachau.
Vernietigingskamp
Kamp dat speciaal gebouwd was om mensen op industriële schaal te vermoorden, vooral met gaskamers. Bekendste voorbeelden: Auschwitz-Birkenau, Sobibor, Treblinka.
Holocaust / Shoah
De systematische, door de nazi’s georganiseerde genocide op de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Circa zes miljoen slachtoffers.
Porajmos
De genocide op Roma en Sinti tijdens de Tweede Wereldoorlog, uitgevoerd door de nazi’s. Minder bekend, maar vergelijkbaar in opzet.
Aktion T4
Het nazi-programma voor de moord op geestelijk en lichamelijk gehandicapten, gezien als “onwaardig leven”. Voorloper van de Holocaust.
SS (Schutzstaffel)
Elitaire organisatie onder leiding van Heinrich Himmler, verantwoordelijk voor de uitvoering van de Holocaust en toezicht op concentratiekampen.
Gestapo
De geheime staatspolitie van nazi-Duitsland. Specialiseerde zich in opsporen van tegenstanders en Joden.
Tussen mei 1940 en mei 1945 was Nederland bezet door nazi-Duitsland. Deze periode bracht ingrijpende veranderingen met zich mee op politiek, economisch, sociaal en moreel vlak. Het Nederlandse volk kwam voor dilemma’s te staan: samenwerken met de bezetter, zich verzetten, of proberen te overleven? Deze bezettingsjaren zijn cruciaal om te begrijpen hoe een moderne samenleving zich aanpast – of verzet – onder autoritair en onderdrukkend bewind.
Het beleid van de nazi’s was enerzijds gericht op integratie van Nederland in het Derde Rijk (gelijkstelling en nazificatie), en anderzijds op onderdrukking van tegenstanders, uitroeiing van de Joodse bevolking, en exploitatie van Nederlandse middelen voor de Duitse oorlogsmachine. In deze context ontstond zowel georganiseerd als individueel verzet, maar ook vormen van collaboratie.
Het Duitse bestuur werd geleid door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, die de geleidelijke nazificatie van Nederland organiseerde. Anders dan in Oost- en Zuid-Europa (Polen, Joegoslavië, Griekenland), waar massale executies en plunderingen dagelijkse praktijk waren, werd Nederland beschouwd als een ‘Germaans broedervolk’. Daarom koos de bezetter voor een bureaucratisch en systematisch beleid: strikte censuur, registratie en uitsluiting. Nederlandse ambtenaren, burgemeesters en politie bleven grotendeels in functie en voerden Duitse maatregelen uit, waardoor de bezetter relatief weinig militairen hoefde in te zetten.
Toch was dit beleid verre van mild: de deportatie van Joden, de Arbeitseinsatz, razzia’s en de Hongerwinter tonen dat ook Nederland zwaar werd getroffen.
De economie werd volledig ondergeschikt gemaakt aan de Duitse oorlogvoering. Grondstoffen en producten werden gevorderd, winkels werkten met distributiebonnen en er ontstond grote schaarste aan voedsel, brandstof en kleding. Vanaf 1942 moesten honderdduizenden Nederlandse mannen verplicht werken in Duitsland (Arbeitseinsatz). Velen doken onder, wat leidde tot massale represailles en maatschappelijke ontwrichting.
Het dieptepunt was de Hongerwinter (1944–1945). Na de spoorwegstaking, uitgeroepen door de regering in Londen, blokkeerden de Duitsers de voedseltransporten. Samen met een strenge winter en brandstoftekorten leidde dit tot de dood van circa 20.000–25.000 mensen in West-Nederland.
Het Nederlandse verzet kende vele vormen:
Illegale pers zoals Het Parool en Trouw;
Onderduikhulp via organisaties als de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers);
Sabotage door de RVV (Raad van Verzet) en LKP (Landelijke Knokploegen);
Gewapend verzet, dat echter beperkt bleef in omvang.
Tegelijkertijd was er ook collaboratie. De NSB (Nationaal-Socialistische Beweging) werkte actief samen met de Duitsers. Nederlandse SS’ers vochten aan het Oostfront en hielpen bij het opsporen van onderduikers en Joden. Deze keuzes verdeelden de samenleving diep en zouden ook na 1945 voor spanningen zorgen.
Het meest dramatische aspect van de bezetting was de systematische vervolging van de Joodse bevolking. Vanaf 1941 moesten Joden zich registreren en werden zij steeds verder uitgesloten uit het openbare leven. In 1942 begonnen de deportaties: via Westerbork werden meer dan 100.000 Joden naar vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor gestuurd.
Van de circa 140.000 Joden in Nederland overleefden slechts 27.000 – een sterftecijfer van bijna 80%, een van de hoogste in West-Europa. Dit was mede te verklaren door de efficiënte bureaucratie, de medewerking van ambtenaren en spoorwegen, en het relatief beperkte aantal mogelijkheden om te ontsnappen in het dichtbevolkte Nederland.
Na de bevrijding in mei 1945 keerde slechts een klein deel van de gedeporteerden terug. Joodse overlevenden vonden vaak hun huizen leeggeroofd en ervoeren weinig begrip of steun. Collaborateurs werden massaal berecht of maatschappelijk uitgestoten. Vrouwen die relaties hadden gehad met Duitse soldaten (‘moffenmeiden’) werden publiekelijk vernederd en kaalgeschoren.
De oorlog liet diepe littekens na in de samenleving. Trauma’s, verlies en morele dilemma’s over verzet en collaboratie bleven lang onderwerp van debat. De herinnering aan de oorlog heeft het Nederlandse nationale bewustzijn blijvend beïnvloed.
Seyss-Inquart: Rijkscommissaris, verantwoordelijk voor bezettingsbeleid
Anton Mussert / NSB: Nederlandse fascistenbeweging, collaboreerde met nazi's
Arbeitseinsatz: Verplichte tewerkstelling van Nederlanders in Duitsland
Verzet: Verzetsgroepen (KP, LO), sabotage, hulp aan onderduikers
Hongerswinter: Winter 1944–1945, massale hongerdood in West-Nederland
Jodenvervolging: registratie, deportaties via Westerbork naar vernietigingskampen
De twintigste eeuw bracht een radicale verandering in oorlogsvoering. Terwijl conflicten in de 19e eeuw nog grotendeels werden uitgevochten op slagvelden tussen legers, werden in de Eerste en vooral de Tweede Wereldoorlog hele samenlevingen in de strijd betrokken. Oorlog werd een kwestie van total war: staten mobiliseerden alle beschikbare middelen – menselijk, economisch en technologisch.
De gevolgen waren verwoestend:
Massavernietigingswapens zoals gifgas, tapijtbombardementen en kernwapens eisten ongekende aantallen slachtoffers.
Burgers werden doelwit van bombardementen, deportaties en terreur, maar droegen ook actief bij via arbeid, propaganda en verzet.
Oorlogseconomieën zetten mannen, vrouwen en kinderen in om de frontlinies te bevoorraden.
De gebeurtenissen in steden als Ieper (gifgas), Rotterdam (bombardement), Guernica (1937, Spaanse Burgeroorlog), Dresden (1945) en Hiroshima/Nagasaki (1945) laten zien hoe oorlogvoering in de 20e eeuw het dagelijks leven van miljoenen burgers volledig transformeerde.
Gifgas (WOI)
In april 1915 zetten Duitse troepen bij Ieper voor het eerst op grote schaal chloorgas in. Later volgden mosterdgas en fosgeen. Deze wapens veroorzaakten verstikking, blindheid en ernstige brandwonden. Hoewel ze vaak niet direct dodelijk waren, zorgden ze voor massale invaliditeit en psychisch trauma. Gifgas symboliseerde de gruwel van de industriële oorlog, waarbij wetenschap en technologie werden ingezet om mensen op systematische wijze uit te schakelen.
Bombardementen
De luchtmacht groeide in beide wereldoorlogen uit tot een beslissende factor. In de Tweede Wereldoorlog voerden de geallieerden strategische bombardementen uit op steden om de oorlogseconomie en het moreel van de vijand te breken. Rotterdam (1940), Coventry (1940), Hamburg (1943) en vooral Dresden (februari 1945) zijn berucht: tienduizenden burgers kwamen om en hele steden werden verwoest. Voor het eerst in de geschiedenis waren steden systematisch doelwit van massavernietiging.
V2-raketten
Duitsland ontwikkelde als eerste langeafstandsraketten. De V2 was in feite de voorloper van de moderne raket- en ruimtevaarttechnologie. De raketten sloegen zonder waarschuwing in op Londen en Antwerpen en richtten daar veel schade aan.
Kernwapens
Het absolute dieptepunt kwam in augustus 1945, toen de VS twee atoombommen afwierpen op Hiroshima en Nagasaki. Onmiddellijk stierven circa 150.000 mensen; in de maanden en jaren erna volgden honderdduizenden slachtoffers door stralingsziekten en kanker. Voor het eerst werd duidelijk dat de mens over wapens beschikte die de totale vernietiging van steden en samenlevingen mogelijk maakten.
Economische mobilisatie
Oorlog betekende volledige inzet van de samenleving:
Vrouwen namen massaal de plaats in van mannen in fabrieken, transport en landbouw. In de VS werden zij verbeeld als “Rosie the Riveter”.
Burgers werden onderworpen aan rantsoenering (voedsel, brandstof, kleding) en moesten hun gedrag aanpassen.
Propaganda – via posters, radio en film – speelde in op patriottisme en opoffering.
Slachtoffers van bombardementen
Miljoenen burgers verloren hun huizen, familieleden en steden. Rotterdam (1940) werd grotendeels verwoest; Dresden (1945) werd volledig platgebrand; Londen hield stand tijdens de Blitz (1940–41). Burgerdoden waren niet langer een bijverschijnsel, maar een bewust gekozen oorlogsmiddel.
Bezetting en repressie
In bezette gebieden leden burgers onder terreur, honger en dwangarbeid. Voorbeelden:
De Hongerwinter in Nederland (1944–45).
De vervolging en deportatie van Joden tijdens de Holocaust.
Geweld en plunderingen onder de Japanse bezetting in China en Zuidoost-Azië (o.a. Bloedbad van Nanking, 1937).
Verzet en collaboratie
Burgers maakten keuzes: sommigen hielpen in het verzet (illegale pers, sabotage, onderduik), anderen collaboreerden (zoals de NSB in Nederland). De oorlog drong tot in gezinnen en buurten door en leidde tot blijvende scheidslijnen na 1945.
Ieper (1915): eerste grootschalige gifgasaanval.
Guernica (1937): bombardement tijdens de Spaanse Burgeroorlog, symbool voor terreur tegen burgers (bekend door Picasso’s schilderij).
Rotterdam (1940): vernietiging van de binnenstad door de Luftwaffe.
Dresden (1945): tapijtbombardement, tienduizenden burgerdoden.
Hiroshima en Nagasaki (1945): inzet van kernwapens.
Total war: Oorlog waarbij de gehele maatschappij wordt ingezet voor de oorlogsvoering.
Gifgas: Nieuwe chemische wapens in WOI, Ieper 1915.
Bombardementen: Steden als strategisch doelwit.
V2-raket: Eerste raketwapen, gebruikt door Duitsland.
Atoombom: Kernwapen, 1945 op Hiroshima/Nagasaki.
Mobilisatie vrouwen: Inzet in fabrieken, transport, propaganda.
Propaganda: Posters, films, radio om moraal en arbeid te stimuleren.
In de negentiende en vroege twintigste eeuw breidden Europese mogendheden hun koloniën uit in Afrika, Azië en het Midden-Oosten. Ze legitimeerden dit vaak met het idee van de 'beschavingsmissie'. In werkelijkheid ging het vooral om economische uitbuiting, militaire overheersing en politieke controle. Koloniale samenlevingen werden diepgaand veranderd. Tegelijk ontstond er onder de lokale bevolking verzet: in eerste instantie kleinschalig en lokaal, maar in de loop van de twintigste eeuw groeide dit uit tot brede nationalistische bewegingen.
De beide wereldoorlogen vormden hierin keerpunten. In WOI en WOII vochten soldaten uit de koloniën mee aan Europese zijde. In ruil verwachtten zij gelijkheid en meer autonomie. Toen dat uitbleef, groeide de frustratie. De oorlogen legden bovendien de kwetsbaarheid van de Europese mogendheden bloot. Dit versterkte het antikoloniale bewustzijn. In landen als India, Indonesië, Algerije en Vietnam kwam het tot massaal verzet, dat soms leidde tot gewelddadige onafhankelijkheidsstrijd.
India
India was lange tijd de kroonkolonie van het Britse rijk, met diepgaande economische en politieke uitbuiting. In de vroege twintigste eeuw groeide het bewustzijn onder de Indiase bevolking dat Britse overheersing leidde tot armoede en ongelijkheid. De Congrespartij (Indian National Congress), opgericht in 1885, werd het politieke platform van nationalisten. Onder leiding van Mahatma Gandhi verschoof de strijd naar geweldloos verzet (satyagraha). Hij organiseerde massale campagnes van burgerlijke ongehoorzaamheid, waaronder de beroemde zoutmars van 1930. Gandhi werd meerdere keren gevangengezet, maar zijn morele autoriteit groeide wereldwijd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog eiste India meer zeggenschap. Het Britse weigeren leidde tot massaal protest en de Quit India-beweging in 1942. Na de oorlog, mede door Britse uitputting, volgde onafhankelijkheid in 1947. Tegelijk leidde religieuze spanningen tot de opdeling van Brits-Indië in India en Pakistan, wat gepaard ging met geweld en miljoenen vluchtelingen.
Indonesië
Nederland beschouwde Indonesië als economische levensader, maar het verzet tegen het kolonialisme groeide al in de jaren ’20 en ’30, onder andere met de oprichting van de Partai Nasional Indonesia (PNI) door Soekarno. De Japanse bezetting (1942–1945) schiep een paradox: enerzijds werden Indonesiërs onderdrukt, anderzijds kregen nationalisten ruimte. Japan mobiliseerde de bevolking, liet Indonesiërs in het bestuur toe, en bewapende milities. Dit versterkte het nationale bewustzijn.
Na de Japanse capitulatie riepen Soekarno en Mohammad Hatta op 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uit. Nederland probeerde met militaire middelen de kolonie te heroveren, wat leidde tot de politionele acties. Ondanks militair succes verloor Nederland internationaal aanzien. Onder druk van de Verenigde Staten, de VN en Indonesisch verzet erkende Nederland in 1949 de onafhankelijkheid. Deze episode geldt als sleutelgebeurtenis in de Nederlandse dekolonisatiegeschiedenis.
Algerije
Algerije was een Franse kolonie die formeel als integraal onderdeel van Frankrijk werd beschouwd. De Europese kolonisten (pieds-noirs) hadden veel privileges, terwijl de Arabische bevolking werd gediscrimineerd. Na WOII hoopten veel Algerijnen op hervormingen, maar vreedzame eisen werden genegeerd. In 1954 begon de FLN (Front de Libération Nationale) een gewapende strijd. De Algerijnse Oorlog (1954–1962) was hevig: guerrillaoorlog, terreur, martelingen en massaslachtingen troffen beide zijden.
Frankrijk zette honderdduizenden troepen in, maar kon de opstand niet bedwingen. De oorlog verdeelde de Franse samenleving diep, leidde tot een staatscrisis (val van de Vierde Republiek) en bracht Charles de Gaulle aan de macht. Onder zijn leiding erkende Frankrijk in 1962 de Algerijnse onafhankelijkheid. Meer dan een miljoen Fransen verlieten Algerije. De oorlog had diepe sporen nagelaten in zowel Algerije als Frankrijk.
Vietnam
Vietnam maakte deel uit van Frans-Indochina. Onder leiding van Ho Chi Minh streefde de Vietminh naar onafhankelijkheid. Na de Japanse bezetting (1940–1945) riepen ze een communistische republiek uit. Frankrijk trachtte zijn macht te herstellen, wat leidde tot de Eerste Indochinese Oorlog (1946–1954). Deze eindigde met een Franse nederlaag bij Dien Bien Phu. In de Akkoorden van Genève werd Vietnam voorlopig verdeeld in een communistisch noorden en een anticommunistisch zuiden.
In het zuiden ontstond verzet tegen het regime van Diem, gesteund door de VS. Noord-Vietnam steunde het verzet, wat leidde tot de Tweede Indochinese Oorlog, beter bekend als de Vietnamoorlog (1965–1975). De Amerikanen intervenieerden grootschalig, maar slaagden er niet in de opstand te onderdrukken. In 1975 werd Zuid-Vietnam veroverd door het noorden. Vietnam werd herenigd als een communistisch land. De oorlog had wereldwijd impact op opinie en internationale verhoudingen.
De wereldoorlogen versnelden het einde van het kolonialisme:
Militaire betrokkenheid: Soldaten uit koloniën vochten mee, wat leidde tot meer politieke bewustwording.
Economische verzwakking: Europese landen konden na WOII hun koloniën moeilijker controleren en financieren.
Internationale druk: Na WOII ontstond de Verenigde Naties, die zelfbeschikkingsrecht als principe stelde. De VS en SU steunden vaak onafhankelijkheidsbewegingen in het kader van de Koude Oorlog.
Nationalisme: Beweging die streeft naar een eigen onafhankelijke staat
Gandhi: Leider van geweldloos verzet in India
Soekarno: Proclamatie van Indonesische onafhankelijkheid in 1945
FLN: Algerijnse verzetsbeweging tegen Frankrijk
Ho Chi Minh: Communistisch leider van de Vietnamese onafhankelijkheidsstrijd
Dekolonisatie: Proces van het beëindigen van koloniale overheersing