Tijdvak 1 beslaat het grootste deel van de menselijke geschiedenis. In deze lange periode ontstaan de eerste stabiele vormen van samenleven en bestaanszekerheid, in zeer uiteenlopende landschappen. De grote lijn is dat samenlevingen eerst leven van directe voedselverwerving en later, in sommige gebieden, voedselproductie ontwikkelen door landbouw. Die verschuiving verandert de schaal waarop mensen kunnen samenleven, de manier waarop arbeid wordt verdeeld en de mogelijkheid om overschotten op te bouwen.
In dit tijdvak staan drie ontwikkelingen centraal. Eerst de wereld van jagers-verzamelaars, waarin het dagelijks leven wordt georganiseerd rond beschikbaarheid van voedsel, kennis van de omgeving en afspraken binnen kleine groepen. Daarna volgt het ontstaan van landbouw, als geleidelijk proces van experimenteren, selecteren en verzorgen van planten en dieren, waardoor domesticatie optreedt en vaste bewoning en opslag vaker mogelijk worden. Wanneer overschotten regelmatiger worden, ontstaat ruimte voor specialisatie; in enkele regio’s groeien nederzettingen uit tot vroege stedelijke gemeenschappen met ambachten, handel en bestuur. Omdat geschreven bronnen in een groot deel van dit tijdvak geen rol spelen, komt kennis vooral uit archeologische sporen. Dat vraagt om redeneren: je koppelt kenmerken aan aanwijzingen en laat stap voor stap zien waarom een interpretatie past.
Jagers-verzamelaars vormen het oudste en langste voorkomende type samenleving binnen dit tijdvak. Het gaat niet om één uniform “oermodel”, maar om een brede categorie: groepen die hun voedsel verkrijgen uit jacht, visvangst en het verzamelen van planten en andere natuurlijke bronnen. Hoe dat er precies uitziet, hangt sterk af van klimaat, landschap, beschikbare dieren en planten, en contact met andere groepen. Toch keren een aantal kenmerken steeds terug, en juist die kenmerken helpen om examenvragen over prehistorische samenlevingen scherp en toetsbaar te beantwoorden.
De woon- en leefwijze van jagers-verzamelaars wordt in hoge mate bepaald door het landschap. In gebieden met verspreide voedselbronnen is een flexibele woonplaats logisch: kleine groepen verplaatsen zich tussen plekken waar op dat moment het meeste te halen valt. In rijkere omgevingen, bijvoorbeeld langs kusten, rivieren of meren, kan een groep langer op één plek blijven omdat voedsel en water beter voorspelbaar zijn. Mobiliteit is dus geen “regel”, maar een antwoord op omstandigheden. Dat onderscheid is belangrijk: een bron of vondst die op langdurig verblijf wijst, past nog steeds binnen een jagers-verzamelaarsbestaan.
Voedselverwerving vraagt kennis van gedrag van dieren, groei- en oogsttijden van planten, en veilige routes in het landschap. Jacht is vaak teamwork: lokken, insluiten, opdrijven of wachten op vaste trekwegen. Visvangst en verzamelen kunnen minstens zo bepalend zijn voor het dieet, zeker waar wild schaars is of seizoensmatig wegtrekt. De techniek sluit daarbij aan. Werktuigen zijn vooral functioneel en efficiënt: steen en bot voor snij- en schraapwerk, speerpunten en pijlpunten voor jacht, naalden en schrabbers voor huidbewerking, en vuur voor warmte, bescherming, koken en het bewerken van materialen. “Techniek” is hier dus niet alleen een lijst werktuigen, maar een pakket vaardigheden waarmee een groep de omgeving benut.
Jagers-verzamelaars leven doorgaans in kleine groepen waarin samenwerking noodzakelijk is. Dat bevordert sociale normen rond delen, wederkerigheid en reputatie: wie vandaag succes heeft, kan morgen afhankelijk zijn van anderen. Dat betekent niet dat er geen verschillen bestaan. Status kan voortkomen uit ervaring, jachtsucces, kennis van routes en seizoenspatronen, of een religieuze rol. Het verschil met veel latere samenlevingen is vooral dat gezag minder vaak is vastgelegd in blijvende instituties of erfelijke posities. Leiderschap is vaak situationeel: iemand kan richting geven bij jacht, bemiddelen bij conflicten of optreden als ritueel specialist, zonder dat dit automatisch een permanente “bovenlaag” vormt.
Binnen een mobiele leefwijze ligt bezit anders dan in landbouw- of stedelijke samenlevingen. Veel materiële cultuur moet draagbaar zijn, en rijkdom in de vorm van grote voorraden is minder vanzelfsprekend. Toch kunnen groepen wel degelijk waarde hechten aan specifieke objecten, aan toegang tot bepaalde plekken, of aan rechten binnen een netwerk van verwantschap en afspraken. Contact tussen groepen is hierbij cruciaal. Ruil kan praktisch zijn (materiaal dat lokaal niet voorkomt) en sociaal (allianties, huwelijken, het verminderen van spanningen). Archeologische vondsten van “vreemde” grondstoffen of stijlkenmerken zijn vaak precies het soort aanwijzing waarmee je contact en uitwisseling kunt onderbouwen.
Het bestaan van jagers-verzamelaars is afhankelijk van schommelingen in klimaat en voedselbeschikbaarheid. Dat maakt flexibiliteit belangrijk: een dieet kan wisselen, verblijfplaatsen kunnen veranderen, en groepsgrootte kan fluctueren. Gezondheid en levensverwachting worden beïnvloed door voeding, infecties, ongelukken en kraamrisico’s, maar ook door het voordeel van variatie in voedsel en veel beweging. Dit is geen romantisch of somber verhaal; het is vooral een verhaal van aanpassing aan omstandigheden, waarbij keuzes steeds worden gemaakt binnen de grenzen van landschap, kennis en sociale samenhang.
Ook zonder schrift bestaan symbolische en religieuze praktijken. Begravingen, grafgiften, grotschilderingen of opvallende objecten kunnen wijzen op ritueel, status of gedeelde voorstellingen over leven en dood. Zulke aanwijzingen vragen wel zorgvuldigheid: één rijke begraving zegt niet automatisch dat er al vaste sociale klassen zijn, maar kan wel duiden op statusverschillen of speciale rollen. Voor examenantwoorden is het belangrijk dat je het onderscheid bewaakt tussen wat je letterlijk kunt waarnemen (bijvoorbeeld grafgiften, ligging, sporen van bewerking) en wat je daaruit redelijk kunt afleiden (bijvoorbeeld ritueel, status, groepsnormen).
Omdat jagers-verzamelaars geen geschreven bronnen nalieten, is archeologie de sleutel. Materiële resten worden geïnterpreteerd in samenhang: werktuigen, botmateriaal, pollenonderzoek, vuurplaatsen, hutsporen en afvalkuilen vullen elkaar aan. In een goede redenering laat je zien welk spoor wat suggereert. Je formuleert dus niet als zekerheid wat alleen waarschijnlijk is, en je koppelt conclusies aan concrete aanwijzingen. Dat is precies de manier waarop prehistorie in toetsvragen “bewijsbaar” wordt gemaakt.
Na een zeer lange periode waarin groepen leven van jacht, visvangst en verzamelen, ontstaat in enkele gebieden een nieuwe manier om aan voedsel te komen: mensen gaan actief sturen op opbrengst. Dat gebeurt niet in één sprong, en ook niet overal tegelijk. In veel regio’s bestaan lange tijd mengvormen, waarbij jagen en verzamelen belangrijk blijft, terwijl men tegelijk experimenten doet met het verbouwen van planten of het houden van dieren. Toch is de richting duidelijk: wanneer voedselproductie eenmaal stevig is ingebed, verandert de samenleving op meerdere niveaus tegelijk. Landbouw en veeteelt maken een andere verhouding tot ruimte, bezit, arbeid en risico zichtbaar. Dit kenmerkend aspect draait dus niet alleen om “de eerste boer”, maar om een verschuiving in economie en organisatie die later grotere nederzettingen en complexere samenlevingen waarschijnlijker maakt.
Voedselproductie begint vaak met kleine keuzes die op de lange termijn groot blijken. Mensen verzamelen niet alleen wat ze vinden, maar kiezen zaden van gunstige planten, beschermen groeiplekken, of zaaien bewust in een omgeving die ze kennen. Bij dieren zie je iets vergelijkbaars: men jaagt niet alleen, maar houdt kuddes bij elkaar, selecteert tamme of bruikbare dieren en beschermt ze tegen roofdieren. Het centrale idee is controle: niet langer uitsluitend reageren op wat de natuur biedt, maar de natuur zó beïnvloeden dat opbrengst voorspelbaarder en planbaarder wordt.
Domesticatie is het geleidelijke proces waarbij planten en dieren, door menselijke selectie en verzorging, veranderen. Bij planten gaat het om eigenschappen als grotere zaden, minder zaadverspreiding, betere bewaarbaarheid of meer uniforme groei. Bij dieren zie je veranderingen in gedrag en uiterlijk: dieren worden tammer, leven dichter bij mensen, en worden geselecteerd op eigenschappen die nuttig zijn voor vlees, melk, wol of trekkracht. Domesticatie is dus niet alleen “een keuze”, maar een reeks generaties waarin menselijke voorkeuren letterlijk zichtbaar worden in het organisme. Dat is belangrijk voor examenantwoorden: je kunt domesticatie onderbouwen met aanwijzingen (bijvoorbeeld veranderingen in botmateriaal of zaden), en je kunt uitleggen waarom dit wijst op langdurige menselijke beïnvloeding.
Landbouw levert niet automatisch een “beter” leven op; het opent vooral nieuwe mogelijkheden en nieuwe afhankelijkheden. Het aantrekkelijkste voordeel is voorspelbaarheid: wanneer je kunt zaaien en oogsten, kun je plannen. Daarnaast kan landbouw op termijn meer mensen op dezelfde ruimte onderhouden dan een leefwijze die volledig afhankelijk is van wild en seizoensaanbod. Ook opslag speelt een rol. Als graan of andere gewassen bewaard kunnen worden, ontstaat een buffer tegen schaarste en een basis voor ruil. Tegelijk is landbouw kwetsbaar: misoogsten, plagen en droogte kunnen grote gevolgen hebben, juist omdat men sterker afhankelijk wordt van een beperkt aantal gewassen. Dit is een kernnuance: landbouw vergroot capaciteit en controle, maar kan ook risico’s concentreren.
Wanneer akkerbouw en veeteelt belangrijker worden, wordt het logisch om langer op één plek te blijven. Akkerbouw vraagt om aanwezigheid: zaaien, wieden, oogsten, opslaan en beschermen van grond en voorraad. Dat leidt tot meer permanente nederzettingen met huizen, erven en soms duidelijke grenzen in het landschap. Het dagelijks ritme verschuift van voortdurend zoeken naar voedsel naar seizoensgebonden arbeid rond zaaien en oogst, met tussenfasen van onderhoud en verwerking. Dat betekent niet dat iedereen “vastzit”: er kan nog steeds verplaatsing zijn (bijvoorbeeld met vee), en er blijven contacten en routes bestaan. Maar het zwaartepunt van het bestaan wordt plaatsgebonden: land en water in de directe omgeving worden essentieel.
Landbouw maakt bezit tastbaarder. Grond, voorraad en vee zijn bronnen die je kunt afbakenen, beschermen en doorgeven. Daardoor krijgt de vraag “van wie is dit?” meer gewicht. Wanneer er opslag is, wordt het ook mogelijk dat sommige huishoudens meer hebben dan andere. Dat kan leiden tot ongelijkheid, niet als automatische wet, maar als reële mogelijkheid: wie meer land, vee, gereedschap of arbeidskracht controleert, kan vaker overschotten opbouwen. Arbeid wordt bovendien anders georganiseerd. Bij akkerbouw is arbeidsinzet op specifieke momenten cruciaal; dat kan samenwerking stimuleren, maar ook afhankelijkheid scheppen. Specialisatie wordt waarschijnlijker: niet iedereen hoeft precies hetzelfde te doen als er overschotten zijn die taken kunnen “vrijmaken” voor ambacht, handel, ritueel of bestuur.
Agrarische samenlevingen kunnen, onder gunstige omstandigheden, een grotere bevolking onderhouden. Dat leidt tot groei van nederzettingen en tot uitbreiding van landbouwgrond. Daarmee verandert het landschap. Bossen worden gekapt, grond wordt ontgonnen, en er ontstaan akkers, weiden en paden die generaties lang gebruikt kunnen blijven. Menselijke invloed op natuur wordt zichtbaarder en structureler. In examenantwoorden is dit een sterke koppeling: landbouw is niet alleen een economisch systeem, maar ook een motor van landschapsverandering en ecologische druk, bijvoorbeeld door bodemuitputting of door het verdringen van wild.
De overgang naar landbouw verandert voeding en gezondheid op complexe manieren. Een landbouwdieet kan stabieler zijn in calorische zin, maar vaak minder gevarieerd wanneer men sterk afhankelijk wordt van enkele basisgewassen. Dicht bij elkaar wonen en samenleven met dieren vergroot bovendien de kans op infectieziekten. Tegelijk kan een vaste woonplaats ook voordelen bieden: betere bescherming, meer mogelijkheden tot opslag en verzorging, en een sociale structuur die opvang mogelijk maakt. De kern is opnieuw: landbouw opent kansen, maar brengt nieuwe kwetsbaarheden mee. Het is daarom verstandig om in antwoorden niet in één richting te oordelen (“gezond” of “ongezond”), maar het mechanisme te benoemen: minder variatie en meer dichtheid kunnen risico’s vergroten, terwijl voorraad en organisatie juist bescherming kunnen bieden.
Met landbouw verschijnt een nieuw pakket aan technieken en spullen. Opslag vraagt om geschikte structuren en potten; verwerking van graan vraagt om maalstenen en werktuigen; ontginning en bouw vragen om ander gereedschap. Ook kan keramiek belangrijk worden, omdat het voedselopslag en -bereiding makkelijker maakt. Dit soort materiële cultuur is voor de prehistorie extra waardevol: je kunt aan werktuigen, slijtagepatronen en resten van planten of dieren vaak afleiden welk type economie dominant was. Een sikkel of maalsteen “bewijst” niet op zichzelf landbouw, maar in combinatie met zadenresten, huisplattegronden en opslagsporen ontstaat een overtuigend beeld.
Landbouw ontstaat niet overal tegelijk en verspreidt zich op verschillende manieren. Soms nemen lokale groepen technieken over via contact en uitwisseling; soms verplaatsen groepen boeren zich en nemen ze gewassen, dieren en kennis mee. In veel gebieden ontstaat een mengvorm waarbij nieuwe landbouwpraktijken naast oudere vormen van voedselverwerving blijven bestaan. Deze regionale variatie is examengericht belangrijk: je voorkomt te simpele tijdlijnen (“vanaf nu was iedereen boer”) en laat zien dat verandering ongelijk verloopt. Dat is precies de nuance die bij vwo-niveau hoort: je beschrijft een trend, maar je laat ruimte voor verschillen in tempo, omgeving en combinatie van bestaanswijzen.
Omdat schrift ontbreekt, draait dit kenmerkend aspect om bewijs uit materiële sporen. Plantenresten, pollenonderzoek en verkoolde zaden kunnen wijzen op verbouwde gewassen. Botmateriaal kan laten zien of dieren vooral wild of gehouden zijn, en hoe kuddes zijn samengesteld. Huizen, erven en opslagkuilen kunnen een permanentere woonvorm aannemelijk maken. Het sterke antwoord verbindt sporen aan conclusie: je benoemt wat er gevonden is, legt uit wat dit suggereert, en houdt in je formulering rekening met waarschijnlijkheid. Niet alles is zeker, maar veel is goed te beredeneren wanneer je aanwijzingen stapelt.
Wanneer landbouw en veeteelt in sommige gebieden voldoende draagkracht en overschotten opleveren, ontstaat ruimte voor een nieuwe vorm van samenleven: de stad. Dat is geen vanzelfsprekende “volgende stap” na landbouw, maar een uitkomst van een samenloop van omstandigheden. Een stad is in deze vroege fase niet alleen een grote nederzetting. Zij is vooral een plek waar functies zich concentreren die je in dorpen slechts beperkt ziet: bestuur, religie, opslag en herverdeling, ambachtelijke productie en handel. Daardoor verandert niet alleen de woonvorm, maar ook de manier waarop macht, arbeid en bezit zijn georganiseerd.
De eerste stedelijke gemeenschappen ontstaan vooral in regio’s met vruchtbare riviergebieden en mogelijkheden voor grootschalige landbouw, zoals in het gebied van de Eufraat en Tigris en langs de Nijl. Het gaat om plaatsen waar productie, organisatie en controle elkaar versterken. Wie deze ontwikkeling begrijpt, begrijpt waarom in latere tijdvakken schrift, belastingen, wetgeving en staatsmacht zo’n grote rol gaan spelen: ze worden in en rond de eerste steden al zichtbaar.
In het dagelijks taalgebruik is “stad” vooral grootte. In de vroege geschiedenis is grootte belangrijk, maar niet voldoende. Een vroege stad herken je aan een combinatie van kenmerken. Er is een hoge bevolkingsdichtheid en een duidelijke kernfunctie voor een groter achterland. Er is specialisatie: niet iedereen produceert voedsel; er zijn ambachtslieden, bestuurders, priesters, handelaren en arbeiders. Er zijn plekken en gebouwen met publieke functie: opslag, tempelcomplexen, werkplaatsen, markten of bestuursruimten. Er is organisatie die verder reikt dan één huishouden: planning van arbeid, verdeling van voorraden, en vaak ook bescherming of bewaking. Een dorp kan groot zijn, maar zonder die functieconcentratie is het nog geen stedelijke gemeenschap.
Stedelijke groei veronderstelt een landbouwbasis die meer oplevert dan directe consumptie. Overschot is hier niet alleen “extra eten”; het is een bestuurbare voorraad. Pas wanneer graan of andere basisproducten kunnen worden opgeslagen en beheerd, ontstaat de mogelijkheid om mensen te onderhouden die niet op het land werken. Dat vraagt om opslagtechniek en om sociale afspraken of dwang: wie levert in, wie ontvangt, wie controleert? In veel vroege steden ontstaat daarom een systeem van inleveren en uitdelen. Dat kan deels vrijwillig en ritueel zijn (bijvoorbeeld rond tempels), maar het kan ook een vorm aannemen die op belasting of tribuut lijkt: afdracht aan een centrum dat vervolgens werk, bescherming of voedsel organiseert.
In bepaalde riviergebieden kan landbouw sterk groeien door irrigatie: het gecontroleerd aanvoeren en verdelen van water via kanalen, dammen en sluizen. Irrigatie is niet alleen een techniek, maar vooral een organisatorisch vraagstuk. Het vraagt gezamenlijke arbeid, onderhoud, afspraken over waterverdeling en coördinatie bij risico’s zoals overstroming of droogte. Juist die coördinatie kan een stedelijk centrum versterken. Wanneer een centrale plek het waterbeheer helpt organiseren, groeit ook haar gezag: wie de voorwaarden voor oogst beïnvloedt, beïnvloedt bestaanszekerheid.
Tegelijk is het belangrijk om nuance te houden. Niet elke stad ontstaat uitsluitend door irrigatie, en niet elk irrigatiesysteem leidt vanzelf tot een stad. Maar irrigatie laat scherp zien waarom stedelijke gemeenschappen vaak samengaan met bestuur: complexe productie vraagt regie, en regie schept machtsposities.
In een stedelijke omgeving neemt specialisatie toe. Ambachtslieden maken werktuigen, textiel, aardewerk en bouwmaterialen, vaak in grotere schaal en met herkenbare standaardisatie. Standaardisatie is een belangrijk archeologisch signaal: wanneer je veel vergelijkbare producten vindt, wijst dat op georganiseerde productie en een markt of distributiesysteem. Ambacht maakt steden economisch aantrekkelijk, omdat producten uit de stad in het achterland worden gebruikt of geruild, en omdat een stad zich zo kan onderscheiden van omliggende dorpen.
Specialisatie verandert ook sociale verhoudingen. Wie vaardigheid, kennis of toegang tot grondstoffen beheerst, kan status opbouwen. In combinatie met opslag en herverdeling kan dat leiden tot duidelijke verschillen in welvaart en macht.
Vroege steden functioneren vaak als knooppunten in handelsnetwerken. Landbouwoverschotten, ambachtelijke producten en grondstoffenstromen komen samen. Grondstoffen als metaal, hout, steen of schelpen zijn niet overal aanwezig; handel verbindt gebieden met verschillende natuurlijke hulpbronnen. Een stad op een gunstige plek, bijvoorbeeld aan een rivier, delta of kruispunt van routes, kan daardoor groeien. Handel is bovendien niet alleen economisch. Het schept relaties, afhankelijkheden en soms competitie. Een stad die handel controleert, kan rijkdom concentreren en die rijkdom inzetten voor bouw, bescherming en uitbreiding van invloed.
Met stedelijke concentratie groeit de behoefte aan regels en beslissingen die niet meer op dorpsniveau te regelen zijn. Dat kan beginnen als praktische coördinatie, maar het wordt al snel bestuur: wie beslist bij conflicten, wie beheert voorraden, wie organiseert arbeid, wie vertegenwoordigt de gemeenschap naar buiten? In veel vroege steden ontstaat een bovenlaag die zichzelf onderscheidt, bijvoorbeeld via woonlocatie, grafritueel, bezit of toegang tot religieuze posities. Sociale stratificatie betekent dat verschillen in status en macht meer blijvend en herkenbaar worden.
Dit proces hoeft niet vanaf het begin volledig “staat” te zijn. Het ontwikkelt zich. Maar de richting is duidelijk: zodra een centrum afdrachten kan organiseren en besluiten kan afdwingen, ontstaat een machtsstructuur die verder gaat dan verwantschap en informele afspraken.
Religie is in vroege steden vaak een organiserend principe. Tempels zijn niet alleen plaatsen van ritueel, maar kunnen ook opslag beheren, arbeid organiseren en prestige tonen. Priesters of tempelbeheerders kunnen daarmee een centrale positie innemen. Rituelen kunnen de orde bevestigen: waarom is afdracht aan het centrum “juist”, waarom heeft een elite gezag, waarom is arbeid voor een groot project zinvol? Dit is legitimatie: het geven van een overtuigend kader waardoor macht als aanvaardbaar of vanzelfsprekend wordt ervaren. In vroege stedelijke gemeenschappen zijn religie, economie en bestuur daarom vaak verweven, zonder dat je ze scherp kunt scheiden zoals in moderne staten.
In de laatste fase van tijdvak 1 verschijnen in enkele gebieden de eerste vormen van schrift of proto-schrift. Dit begint vaak administratief: tellen, registreren, markeren van bezit, leveringen en voorraden. Juist in stedelijke context wordt administratie nuttig, omdat het centrum veel transacties en afdrachten moet bijhouden. Schrift is dus niet primair “literatuur” in deze fase, maar een hulpmiddel voor organisatie en controle. Dit is een belangrijke examenkoppeling: steden maken administratie nodig, en administratie maakt het centrum sterker, omdat besluiten en verplichtingen beter vastgelegd kunnen worden.
Steden trekken rijkdom aan, en rijkdom trekt conflict aan. Bescherming wordt daarom relevanter: muren, bewapende groepen, controle over toegang en opslag. Ook binnen de stad kunnen spanningen groeien door ongelijkheid, dwangarbeid of competitie tussen groepen. Het beeld van de “eerste stad” als puur vooruitgang is te eenvoudig. Stedelijke gemeenschappen leveren meer organisatie en productie, maar ook meer afhankelijkheid, meer hiërarchie en vaak meer mogelijkheden voor dwang. Een sterk antwoord benoemt beide kanten zonder moraliserend te worden: het gaat om mechanismen.
Voor dit kenmerkend aspect zijn archeologische aanwijzingen doorslaggevend. Grote, gelaagde nederzettingen wijzen op langdurige bewoning en groei. Monumentale bouw, tempelcomplexen of centrale opslagplaatsen wijzen op collectieve organisatie en gezag. Standaardisatie van producten wijst op specialisatie. Zegelafdrukken, telstenen, kleitabletten of vroege tekens wijzen op administratie. Grafverschillen en woonverschillen kunnen ongelijkheid aannemelijk maken. In examenantwoorden werkt dit het best wanneer je sporen koppelt aan functies: niet alleen “er is een groot gebouw”, maar “een groot centraal gebouw met opslag en administratie wijst op concentratie van macht en herverdeling”.